In de kerk van Jaffa hoort de Heer vele talen

Het aantal christenen in Israël is de afgelopen decennia gedecimeerd. Maar in Jaffa puilt de kerk weer uit, door de instroom van buitenlandse christenen.

Om tien uur 's ochtends is het tijd voor de wisseling van de wacht. Terwijl een gestage stroom Palestijns-Israëlische christenen vrolijk kletsend de Sint Antoniuskerk in Jaffa verlaat, druppelen de eerste gelovigen uit het met de oude havenstad verkleefde Tel Aviv al binnen voor de zondagsdienst. Op slag verandert de voertaal op het pleintje bij de toegangsdeuren van Arabisch naar Tagalog (Filippijns), Engels, het Indiase Konkani en Hebreeuws.

Even later, als de van oorsprong Filippijnse pater Marcello zich opmaakt om bij het altaar de plek van zijn Arabische collega Ramzi Sidawi in te nemen, zijn de kerkbanken voornamelijk gevuld met Aziatische vrouwen die in Israël als thuisverzorger werken. Een enkeling is asielzoeker uit Eritrea of Soedan; slechts zes van de aanwezigen zijn - geheel volgens de geldende verhoudingen binnen de gastarbeidersgemeenschap - man. Om de dienst voor iedereen toegankelijk te maken, wordt in het Engels gezongen en gepreekt; de teksten zijn via een overheadprojector en op stencils mee te lezen.

Het is een verschuiving die zich de afgelopen twee decennia bijna onopgemerkt voltrokken heeft. Eeuwenlang bestond het christelijke bevolkingsdeel van het Heilige Land voornamelijk uit Arabische christenen die, wonend in plaatsen als Bethlehem, Jeruzalem en Nazareth, zichzelf tot Jezus' vroegste volgelingen rekenen. Die trotse geschiedenis ten spijt, is hun omvang na de stichting van de staat Israël in 1948 geslonken van 20 naar 1,8 procent van de populatie; deels door emigratie en deels omdat zowel het Joodse als het islamitische segment door immigratie en een hoger geboortecijfer verhoudingsgewijs sneller groeit.

Nu puilen de kerken door een instroom van buitenlandse christenen echter weer dusdanig uit, dat er wordt gesproken van een tekort aan gebedshuizen en een veranderende christelijke demografie binnen Israël. Alleen al de rooms-katholieke Sint Antoniuskerk wordt bezocht door tweehonderd leden uit de plaatselijke gemeenschap en achthonderd tot duizend van buiten. Tegenover twee missen in het Arabisch staan vier in het Engels en één in Konkani. Slechts een van de priesters is Arabisch, twee zijn Filippijns en één is Indiaas.

Pater Ramzi Sidawi beziet de nieuwe realiteit in zijn gemeente het liefst als een reeks uitdagingen. De grootste daarvan is volgens hem het behouden van de eenheid in de gemeenschap, te meer daar de groepen nauwelijks mengen. Alleen op Kerstavond wordt er een gezamenlijke mis gehouden en galmen de hymnen in verschillende talen verbroederd door de kerk.

"Om het aantal gemengde huwelijken te tellen", zegt de 38-jarige geestelijke, "heb ik aan de vingers van mijn beide handen meer dan genoeg."

De verschillen zijn dan ook significant. Zo voelen de nieuwe gemeenteleden zich doorgaans stevig verbonden met de Joods-Israëlische samenleving waarin ze wonen en werken. De plaatselijke christenen zijn daarentegen diep geworteld in de Palestijnse cultuur.

Bij de kinderen wordt dit onderscheid nog scherper. Zij gaan naar Israëlische scholen, leren de joodse gebruiken en denken als Israëliërs. Om hen weer bij het christendom te betrekken, begint pater Sidawi over enkele weken een speciale zondagschool: in het Hebreeuws en op zaterdag, omdat de Tel Avivse pupillen nu eenmaal vrij hebben op de sjabbat.

De nieuwkomers brengen ook hun eigen problemen in. Zowel de Afrikaanse asielzoekers als de voornamelijk Filippijnse thuisverzorgers blijven vaak illegaal in het land hangen met een verlopen visum. Ze leven met de angst te worden opgepakt en moeten bij gezondheidsproblemen vaak door de kerk geholpen worden. De geestelijken regelen dan bijvoorbeeld gratis behandelingen in een christelijk ziekenhuis in Jeruzalem.

Tot enkele jaren geleden postte de immigratiepolitie bij de ingang van de kerk, maar daaraan hebben de priesters een eind kunnen maken. "Mensen durfden niet meer naar de mis te komen", aldus Sidawi. "Dus hebben we hierover met de politie gesproken."

En door hun massale aantal probeert de kerk voor de buitenlandse christenen gebedsruimten dichter bij huis te regelen. Dat valt lang niet altijd mee. Geschikte plekken zijn moeilijk te vinden, de huren zijn hoog en de Israëlische buurtbewoners zijn niet altijd gecharmeerd van het idee een kerkdienst naast de deur te hebben.

"Gelukkig", concludeert pater Sidawi terwijl de eerste shuttlebusjes voorrijden om de niet-Arabische gemeenteleden terug naar Tel Aviv te rijden, "is de ruimte in onze kerk in elk geval groot genoeg om iedereen te bedienen."

Rijk geschakeerd
De meeste niet-Arabische christenen in Israël zijn Filippijnse thuisverzorgers. In 1991 lag hun aantal nog op vijfduizend. Nu zijn het er 40.000. Van de ongeveer één miljoen immigranten uit de voormalige Sovjet-Unie is een derde niet-joods. Tussen de 50.000 en de 80.000 zijn belijdend christen, meest Russisch-orthodox. Het aantal door bedoeïen binnengesmokkelde Afrikaanse asielzoekers stond eind vorig jaar op 33.273. In heel Jaffa wonen, verdeeld over de onderscheidenlijke gezindten, zevenduizend Arabische christenen. Vanuit Tel Aviv komen daar nog 20.000 bij.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden