In de Griekse borst huist een Europese ziel - en een andere

Zijn die Grieken nu Europeaan of niet? Wim Boevink reisde naar ze toe en ontdekte een Byzantijn en een Helleen. Deel 2 van een verkenning.

Wim Boevink (1954) is antropoloog en Trouwcolumnist ('Klein verslag').

Voor het schrijven van deze serie verbleef hij twee maanden in Griekenland.

Tegen een helling op de Peloponnesus in de Byzantijnse ruïnestad Mistra, tussen vervallen klokkentorens, bakstenen guirlandes en slecht verlichte kerken vol verbleekte heiligen eindigde het eerste deel van deze verkenningen (Letter & Geest 7 november) naar het bijzondere van de Griekse aard.

Wat bepaalt die aard? Is het de klassieke Oudheid? Of de voorzetting ervan door dat Oost-Romeinse Rijk, waarbinnen men Grieks sprak en Christus vereerde en dat men vanuit Europa later Byzantium ging noemen?

Tussen 330-1453 hield Byzantium met zijn twaalf dynastieën en 84 keizers zich meer dan duizend jaar staande, tot de Ottomanen kwamen, een ongelooflijke prestatie van een rijk dat in de contemporaine historiografie een onzekere positie inneemt. Want behoorde Byzantium wel tot Europa? Of was het diep tot in Klein-Azië reikend eerder iets oosters?

Averil Cameron, eminent Byzantinologe in Oxford, betreurt dat we vanuit Europa alleen maar op Byzantium lijken te kunnen neerkijken. Cameron bestrijdt de heersende opvatting dat Byzantium de klassieke Oudheid uitholde, een blok vormde tegen het Middeleeuwse westen en bovendien zijn autoritaire waarden en orthodoxie overdroeg op de Russen.

Maar die klassieke Oudheid dan, hoeveel is daarvan over in het Griekse DNA?

De Akropolis van Korinthe, boven op een zevenhonderd meter hoge monoliet. Een rotsig pad naar boven. Een eens machtige citadel, waarvan de trotse poorten en muren nog staan, golvend langs de hellingen. Van hieruit kon men de landengte beheersen die het noorden van Griekenland van het zuiden scheidde. Op de top van de rots stond een tempel van Aphrodite, langs de paden erheen honderden prostituees.

Vanaf de tempelplaats is rondom de hele wereld te zien: de Egeïsche en de Ionische Zee, de landengte ertussen, in het noorden Attica met Athene in de verte en naar het westen het Parnassusgebergte en het heiligdom van Delphi, naar het zuiden de blauwe bergen van de Peloponnesus, die de Morea werd genoemd, naar de valleien met moerbeibomen. Ik ben er voorbij het middaguur. De zon zakt, de heuvels zijn groen, de bergen blauw, de hemel een koepel.

Er is niemand, op een dartelend vlinderpaar na.

De tempel van Aphrodite werd verwoest, net als de kerk die erop volgde, en ook de moskee is er niet meer. Een vierkante omtrek in de grond, eromheen losse stenen, gras. Dat is wat hier bleef van bijna drieduizend jaar geschiedenis.

Lager zie ik de goudgele muren rondom, ze hebben de tijd weerstaan, behalve in de bressen waar de geologische bodemdruk te groot werd.

Atheners hebben deze muren bestormd, Macedoniërs en Romeinen, Visigothen, Slaven, Bulgaren, Franken, Venetianen, en Turkse Ottomanen.

Op een heuveltop verderop bouwden de Franken in de dertiende eeuw een eigen fort om van daaruit de citadel vijf jaar lang te bestoken. Binnen de muren van de citadel, met een Ottomaanse, een Venetiaanse en een Byzantijnse poort ligt nu alleen beeldschone, overwoekerde historie, een Romeinse cisterne, een Frankische donjon, een Turkse minaret.

Laag na laag.

Griekenland is een schitterend, tragisch land.

Nog even terug naar Mistra,

waar zwarte ezels nu grazen. Een jaar voor die val van Byzantium stierf in 1452 in Mistra een

groot geleerde en filosoof, Gemistos Plethon. Hij was geboren in Constantinopel, studeerde christelijke theologie, maar maakte zich daarvan los door terug te grijpen naar de filosofie van Plato, terug naar een prechristelijk heidendom dat nooit helemaal uit het Griekse leven was verdwenen. Het bracht hem in controverse met de orthodoxe leer in Constantinopel, maar in Mistra heerste een liberaler klimaat. Vanuit Mistra maakte de Byzantijnse geleerde een reis naar Florence, in 1439, waar hij over de Griekse filosofie uiteenzettingen gaf en zoveel indruk maakte dat Cosimo de' Medici een filosofische school liet oprichten. Het zou een aanzet zijn tot de Italiaanse Renaissance.

Er kwam in het Westen dus een denkstroming op gang waarin de oude Griekse cultuur en het Helleense heidendom een herwaardering beleefde, waarin rede náást en buiten het christendom kon bestaan, zolang hij op universele principes was gebaseerd. Ik haal dit punt aan omdat precies hier de ontwikkelingen in het orthodoxe Griekenland een andere wending namen dan die in het 'Latijnse' en katholieke deel van Europa. Voor de Grieken in Byzantium kwam die renaissance er niet; daarvoor in de plaats drukten Turkse Ottomanen vanaf 1453 hun stempel op het ingestorte rijk, waarvan Plethon één van de laatste grote representanten was geweest.

Dat stempel was niet dat van een islamisering, integendeel. De Ottomanen gebruikten de Grieks-orthodoxe kerk en haar structuur om hun rijk te besturen en belasting te innen. Je zou kunnen zeggen dat ze het beproefde organogram van Byzantium overnamen, alleen was het keizerlijke centrale gezag nu vervangen door dat van de sultan. In het schitterende Byzantijns Museum in Athene glijdt de zaal van Byzantium over niet in de zaal van de Ottomanen, maar in die van Post-Byzantium.

Laag na laag.

Er is nog een laag, en een belangrijke. Dat is die van de invloed uit het Westen, die van modernisering, die de Griekse onafhankelijkheidstrijd aan het begin van de negentiende eeuw stuurde en begeleidde. Toen eindelijk de Ottomanen - met de vloothulp van Europese grootmachten - waren verdreven, herleefde niet dat Oost-Romeinse Rijk met Constantinopel als middelpunt, maar het oude Hellas, met Athene als hoofdstad. Onder de leiding van een Beierse koning kreeg de nieuwe staat een neoklassiek aanzien aangemeten. Je kunt zeggen dat de jonge, moderne Griekse staat een Europees project was. De onafhankelijkheid stond onder Europese curatele. De Grieken moeten zichzelf in de ogen hebben gewreven dat ze hun nieuw leven niet als Byzantijnen begonnen - of Romioi ('Romeinen' zoals de Grieken zichzelf noemden, 'Rumi' zeiden de Ottomanen), maar als Hellenen.

Op dat onderscheid tussen Romioi en Hellenen kom ik zo nog terug.

Het nauwelijks ontwikkelde Balkanland kreeg in hoog tempo een pak van marmer aangemeten, met kolom, fries en architraaf. In Athene, een verarmde en stoffige provinciestad waar begin negentiende eeuw nogal wat Turken en Albanezen woonden (Constantinopel telde veel meer Grieken) werd de Akropolis afgestoft, van vreemde elementen ontdaan en in klassieke luister hersteld.

Begon een nieuwe glanstijd? Niet echt. De Beierse koning spendeerde als een nieuwe Pericles enorme sommen aan publieke werken, maar de monarchie bleek een luxe die de jonge staat zich niet kon veroorloven. Al in 1840 ging Griekenland voor de eerste keer bankroet.

De negentiende en twintigste eeuw werd een achtbaan van modernisering enerzijds en bloed en trauma anderzijds. Oorlogen, dictaturen, burgeroorlogen, crises - onder een nieuwe, nationalistische vlag. Als iets zich misschien ook voelbaar maakt in de Griekse aard, dan is het de groeipijn van die snelle modernisering. Die pijn heeft zich genesteld in de geschiedenis van families, in de overerving van trauma's van dood en verdrijving, in de verbetenheid waarmee familie en familiebezit wordt gekoesterd. Griekenland is verstedelijkt, maar talloze stedelingen hebben nog hun lijnen naar het land, naar streken van herkomst. En naar de muziek.

Een frisse oktoberavond in 2015, de oude Agora in Athene, met de goud aangelichte Akropolis erboven. Een diepe voor snijdt dwars het oudheidspuin - af en toe rammelt er een metrostel doorheen. Je ziet de mensen erin zitten, in het tl-licht, terwijl ze de Griekse resten aan zich voorbij laten gaan.

Het is het zesde jaar van de jongste crisis, maar de verwarmde terrassen aan de overzijde, aan de Hadrianusstraat, zitten vol, en uit de cafés en restaurants stromen flarden laika-muziek, het ouder wordende Griekse levenslied, begeleid door die bolvormige mandoline die bouzouki heet.

De melodieën en teksten hebben zich genesteld in de hoofden van de mensen. Zie ze aan hun tafels met drank en spijzen, zacht meezingend en klappend. Er ligt een zacht geluk in hun ogen. De laika-muziek staat op de oudere laag van de rebetica, liederen van de zelfkant van de stad, meegevoerd uit Klein-Azië in de jaren twintig van de vorige eeuw, toen de mislukking van een Griekse militaire inval in Turkije leidde tot de grote bevolkingsuitwisseling tussen beide landen. De Grieken waren in hun overmoed en met instemming van de Britten de Grote Gedachte - the Great Idea - gevolgd, Griekenland als regionale supermacht, met niet Athene maar Constantinopel als hoofdstad. Het was het romantisch verlangen van de Romios.

Kemal Atatürk stak daar een stokje voor. Hij verjoeg de Griekse troepen uit Klein-Azië, richtte een bloedbad aan in Smyrna, nu Izmir, en stichtte in 1923 de Turkse Republiek.

Alle orthodoxen moesten na een verblijf van eeuwen uit Turkije vertrekken - bijna anderhalf miljoen mensen - en alle moslims moesten Griekenland verlaten - zo'n half miljoen. Alleen in Istanboel mochten nog Grieken blijven, net als Turken in het Griekse Thracië.

Een kolossaal drama, de Grieken noemen het de Megali Katastrofi. Wat rest, tot op de dag van vandaag, zijn de rauwe liederen van de rebetica, op die grondtoon van weemoed, voortgekomen uit de onderwereld en de subcultuur van Smyrna.

De latere laika-muziek is moderner, lichter, maar niet zo licht als lichte muziek. De lichte muziek, zei MikisTheodorakis, dient om te vergeten, de laika dient om te onthouden.

En in iedere Griek is een heel repertoire opgeslagen.

Houd je van deze muziek, vroeg ik mijn Griekse tafelgenoot in een restaurant, waar een vrouw, begeleid door de bouzouki, met hemelwaarts gewende ogen een smartelijk lied had aangeheven. "Wat een gekke vraag", was het antwoord, "je kunt net zo goed vragen of ik van mijn hand houd, of van mijn arm."

Rebeticamuziek hoor ik later in een kleine taverne. Het lokaal, buiten het centrum van Athene, is eenvoudig ingericht; kleine tafels en stoelen met biezen zittingen. Alle tafels zijn bezet, de ruimte is gevuld met sigarettenrook, in een kombuis kookt een vrouw simpele gerechten met tomaten, kip en worst, goedkope landwijn uit metalen bekers. Een kwart liter raki kost vier euro. Oude zwart-witfoto's van bouzoukispelers aan de wanden. Twee mannen spelen, gitaar en bouzouki, uren achtereen. Af en toe danst iemand uit het publiek een trotse dans met langzame wendingen en soms een halve pirouette. De intensiteit is enorm.

Het Athene van nu is de stad die die grote vluchtelingenstromen uit Klein-Azië absorbeerde, in wijken als Nea Smyrni - Nieuw Smyrna. De stad beleefde een enorme expansie van uniforme, krijtkleurige appartementenblokken, waartussen de negentiende-eeuwse neoklassieke stadsvilla's nu staan weg te kruimelen.

De Grieken die ik de vraag stelde of hun land eigenlijk wel een Europees land was - Europees in West-Europese zin - reageerden beledigd en als door een wesp gestoken. "Natuurlijk zijn we Europees", riepen ze ontzet uit, "zonder ons was er geen Europa geweest." Maar als ik daarna vroeg hoe het komt dat Grieken als ze naar Duitsland of Frankrijk reizen zeggen dat ze naar Europa gaan (alsof Griekenland geen deel uitmaakt van het continent), bleef het stil.

Er is iets wat ons van de Grieken scheidt. Bij ons dus een geschiedenis van Renaissance, Verlichting, scheiding van kerk en staat, industrialisatie. Bij hen Ottomaanse overheersing, religieuze stagnatie, een bestuurs- en handelselite die onder de Ottomanen kon ontstaan naast een gemeenschap van herders en boeren.

Volgens Patrick Leigh Fermor, de Britse auteur die zulke erudiete reisboeken over Griekenland schreef en die ook in het eerste deel van deze verkenningen figureerde, huist in iedere Griek een amalgaam van twee zielen, die van de Romios, de orthodox-christelijke Griek uit de Byzantijnse tijd, en die van de Helleen, de heidense Griek uit de klassieke Oudheid. Ze complementeren elkaar en spreken elkaar tegen. Leigh Fermor speelde in zijn boek 'Roumeli' met een lijst van verschillen.

De Romios ziet Griekenland als een land dat buiten Europa staat, in Europa wonen de Franken. De Helleen bewondert juist de Europese beschaving, wil er deel van uitmaken.

De Romios wantrouwt de wet, zoekt sluipwegen via cliëntelisme. De Helleen respecteert de wet.

De Romios is dol op de rebetica-muziek en gelooft in iconen die wonderen verrichten. De Helleen haalt zijn neus op voor zulke oriëntaalse overblijfselen, hangt de Verlichting aan en accepteert hooguit de symbolische en verbindende waarde van de orthodoxie.

Want wat aan Grieks-zijn, aan Griekse identeit bleef, werd eeuwenlang overgeleverd via de onveranderlijke orthodoxie. De kerk en de kloosters koesterden er de waarde van, via de taal, de geschriften, de heiligen, de liturgie. Als organisatie bleef de kerk bijna onberoerd naast alle staatsvormen staan, naast de Byzantijnse keizers aan wie ze zich had onderworpen, naast de Ottomaanse sultans, naast de Europese koningen, naast Griekse generaals en naast minister-presidenten van democratisch gekozen regeringen.

Daarover meer, in deel drie van deze verkenningen, die ons naar de eilanden van Skiathos en Skyros zullen brengen en het Thessaloniki van Paulus. En naar een klein kapelletje in een Atheense voorstad.

Deze publicatie is tot stand gekomen met steun

van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten

en het Nederlands Instituut Athene. www.fondsbjp.nl; www.nia.gr

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden