In de geest van het Jodendom

Met zijn grootse roman 'Jozef en zijn broers', nu schitterend vertaald, verzette Thomas Mann zich tegen de barbaarse tijdgeest

Sommige fragmenten van deze roman zijn zo 'zinnenprikkelend' dat je er goed aan doet ze niet 'voor het slapengaan te lezen'. Dit compliment, afkomstig van een bevriende lezer en door Thomas Mann begin 1935 trots geciteerd in zijn dagboek, heeft betrekking op het monumentale 'Jozef en zijn broers', zojuist in een bewonderenswaardige vertaling van Thijs Pollmann voor het eerst in het Nederlands verschenen.

Geen slecht compliment natuurlijk, maar er valt nog wel wat aan toe te voegen. Manns mammoetwerk in vier delen - waaraan hij met onderbrekingen maar liefst zeventien jaar werkte - is ook spannend en humoristisch, briljant van stijl en erudiet zoals weinig andere werken uit de wereldliteratuur. Bovendien is het een verrassend modern boek, boordevol experimenten, literaire trucs en dubbele bodems.

De allereerste aanleiding voor het schrijven kwam van Goethe, die in zijn autobiografie 'Dichtung und Wahrheit' over het Jozefverhaal in de Bijbel opmerkt: "Hoogst charmant is dit natuurlijke verhaal: maar het is te kort en je komt in de verleiding het gedetailleerd uit te werken." Dat is precies wat Mann gedaan heeft: hij heeft het bijbelverhaal uitvoerig en met talloze uitweidingen en zijpaden naverteld, waarbij hij zijn fantasie royaal de vrije loop heeft gelaten en heel wat figuren opvoert die in de Bijbel nergens voorkomen.

Maar er was nog een tweede aanleiding, die te maken had met de tijd waarin de roman ontstond. Grote delen zijn geschreven tijdens Manns ballingschap in Zwitserland en Amerika, toen hij op de vlucht was voor het nationaal-socialisme. Hij wilde iets doen om de Joodse geest te steunen in deze benarde tijd. Tegen het racisme en de barbarij schreef hij een bedachtzame roman waarin het humanisme centraal stond. In een essay uit 1943, dat ook in de Nederlandse uitgave is opgenomen, schrijft hij: "De keuze van de oudtestamentische stof was beslist geen toeval (...) Een roman te schrijven over en in de geest van het jodendom was in overeenstemming met de tijd, juist omdat dit in tegenspraak leek met de tijd."

De knappe Jozef is als lievelingszoon van aartsvader Jakob en de vroeggestorven Rachel een regelrecht zondagskind. Net als veel kunstenaarsfiguren van Mann is hij tamelijk narcistisch, ijdel, en dromerig; zijn jaloerse broers - Jozef is de op een na jongste - noemen hem zelfs de 'dromer van dromen'. Als hij rondparadeert in een pronkgewaad dat hij van zijn vader cadeau heeft gekregen en zich ook verder tergend arrogant opstelt, werpen zijn broers hem in een put. Enkele dagen later wordt hij gered en aan rondtrekkende handelaars verkocht, waardoor hij als slaaf in Egypte belandt.

In het cultureel hoogstaande Egypte begint de opmerkelijke loopbaan van Jozef. De manier waarop Mann deze in het derde deel beschrijft, behoort tot de glansstukken binnen de hele roman - wat mij betreft zelfs binnen Manns verzamelde werk. Van nederige slaaf, tuinman en voorlezer klimt hij op tot hofmeier, later zelfs tot minister. Omdat Jozef niet wil toegeven aan de seksuele wensen van Mût, de vrouw van de eunuch Potifar, wordt hij in het gevang geworpen. Maar zijn vermogen om dromen te duiden redt hem; de zeven vette en zeven magere jaren worden door hem voorspeld. Uiteindelijk komt het in het laatste deel van de roman, 'Jozef de Voorziener', tot een emotionele hereniging met zijn broers en vader Jakob.

Thomas Mann vertelt dit verhaal als gezegd extreem breedsprakig na, waarbij hij een imponerende kennis aan de dag legt van de oude Hebreeuwse, Babylonische, Egyptische en Griekse cultuur, van mythologie, godsdienstgeschiedenis en nog wat andere disciplines. Toch maakt zijn roman haast nergens een studieuze indruk. Integendeel, Mann zet het bijbelse gegeven volledig naar zijn speelse hand, en mede door zijn briljante humor en ironie blijf je hem overal volgen. Vreemd eigenlijk: deze roman speelt zich af in een wereld die ruim drieduizend jaar van ons verwijderd is, maar de psychologie en het gevoelsleven van de personages sluiten naadloos aan bij onze tijd. Jaloezie en intrige, wraak en geilheid zijn universeel en van alle tijden.

Door zijn omvang en thematiek neemt 'Jozef en zijn broers' een uitzonderingspositie in binnen Manns oeuvre. Toch zijn er heel wat overeenkomsten tussen de hoofdpersoon en de overige protagonisten van Mann. Jozef is net zo mooi en welbespraakt als de oplichter Felix Krull uit de gelijknamige schelmenroman; Mann noemde Jozef in zijn brieven graag 'een religieuze oplichter'. Maar ook het incest- en vondelingenmotief (Jozef wordt door de Egyptenaren als vondeling beschouwd) uit de kostelijke late roman 'De uitverkorene' ('Der Erwählte') speelt in 'Jozef en zijn broers' een belangrijke rol.

Het incestmotief wordt vertegenwoordigd door broer en zus Huij en Tuij, de ouders van bovengenoemde Potifar. Seksualiteit is toch al een belangrijke drijfveer, niet alleen in de fragmenten waarin 'de kuise Jozef' op de hitsige Mût stuit - scènes waarin Mann op magistrale wijze de opera parodieert. Op vele plaatsen is sprake van een soort androgynie, een tweeslachtigheid. In het korte hoofdstuk 'Over schoonheid' heet het: "Met zeventien, echt, kan iemand mooier zijn dan vrouw of man, mooi als vrouw én man, mooi van twee kanten en op alle manieren, aantrekkelijk en mooi, voor mannen en vrouwen om erdoor gegrepen en verrast te worden."

De voortreffelijke Thomas Mann-biograaf Hermann Kurzke heeft 'Jozef en zijn broers' de modernste roman van Mann genoemd. Daar valt weinig op af te dingen, al blijft Mann ondanks alle modernismen een eerder traditionele schrijver, die ook hier vasthoudt aan de alwetende vertelvorm. In 'Jozef en zijn broers' komen veel innerlijke monologen en perspectiefwisselingen voor, naast neologismen, dialect, lyrische taal en vooral essayistische passages. Mann schrijft lange gecompliceerde zinnen, vooral in het eerste deel 'De verhalen van Jaäkob'. Soms wordt dat alles zelfs de meest fervente liefhebber een beetje te veel van het goede. Maar vanaf het tweede deel over 'De jonge Jozef' komt er vaart in en wordt het boek een stuk toegankelijker.

Thijs Pollmann heeft in zijn vertaling stijl en toon van het origineel uitstekend getroffen. En dat is in dit geval een uitzonderlijke prestatie. Manns gedragen-archaïsche Duits en overdadige idioom krijgt een Nederlandse pendant. Vaak is Pollmann vindingrijk, nergens modieus. Afwijkend is alleen de zinslengte: waar Mann een komma of puntkomma plaatst staat nu vaak een punt en begint de vertaler opnieuw. Dit komt de leesbaarheid van de Nederlandse editie zeer ten goede.

Hoe moet je dit gigantische werk eigenlijk lezen? Ik las het een kwarteeuw geleden van kaft tot kaft en met het potlood achter het oor. Nu heb ik het boek herlezen, maar op een andere manier. Ik begon met 'De jonge Jozef', willekeurig schakelend tussen de hoofdstukken; daarna kwam het avontuurlijke 'Jozef in Egypte' aan bod en vervolgens het eerste en laatste deel. Ook dat is een manier van lezen, switchend binnen het boek. Dat hoeft geen nadeel te zijn, want inhoud en plot zijn bekend, of gemakkelijk op te zoeken. Dit is een boek waarvan je lang en op veel manieren kunt genieten - zelfs vlak voor het slapengaan.

Thomas Mann: Jozef en zijn broers. (Joseph und seine Brüder) U it het Duits vertaald door Thijs Pollmann. Wereldbibliotheek; 1344 blz. euro 125

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden