In de ’burgerprut’ van Nederland legde Erwin Blumenfeld de basis voor zijn carrière.

Erwin Blumenfeld, in de jaren vijftig de best betaalde modefotograaf ter wereld, had een hekel aan Nederland, waar hij van 1918 tot 1936 woonde. In zijn postuum gepubliceerde autobiografie wijdde hij nog geen tien bladzijden aan zijn jaren in het ’verstikkende Hollandse moeras’. Nederland was voor hem ’burgerprut’: grijs, bekrompen en burgerlijk.

Bijna veertig jaar na zijn dood wijdt het Fotomuseum Den Haag nu een tentoonstelling aan Blumenfelds ’Hollandse jaren’, waaruit blijkt dat hij uitgerekend in die periode de basis heeft gelegd voor zijn latere roem. Alle elementen waardoor zijn foto’s later zo gewaardeerd werden, zijn al duidelijk in zijn Nederlandse werk aanwezig. Wat de fotograaf zelf van deze ode aan zijn Hollandse ’burgerprut’-jaren gevonden zou hebben, blijft gissen. Maar zijn drie kinderen, Lisette, Henry en Yorick, inmiddels dik in de zeventig en tachtig, zijn er blij mee. Zij waren aanwezig bij de opening van de tentoonstelling, waaraan ze een belangrijke bijdrage leverden uit de nalatenschap van hun vader, waaronder vele tientallen originele contactafdrukken die hij heeft gemaakt van zijn Hollandse negatieven die verloren zijn gegaan.

Erwin Blumenfeld (Berlijn, 1897 – Rome, 1969) groeide na de Tweede Wereldoorlog uit tot een van meest succesvolle (mode)fotografen van de wereld. In de Verenigde Staten, waar de joods-Duitse immigrant in 1941 met zijn gezin naar toe vluchtte voor de nazi’s en waar hij de rest van zijn leven zou wonen en werken, werd de naam Blumenfeld in de jaren veertig en vijftig in één adem genoemd met die van Cecil Beaton en Man Ray. Zijn reportages haalden moeiteloos tijdschriften als Vogue en Harpers’s Bazaar.

Blumenfeld was als kind al geïnteresseerd in fotografie en kunst, maar een opleiding in die richting zat er niet in. Zijn vader overleed toen Erwin zestien was en liet de familie zo goed als failliet achter. Hij ging werken bij een Berlijnse winkel in dameskleding, maar trok in zijn vrije tijd veel op met kunstenaars. Samen met zijn vriend Paul Citroen, de latere kunstenaar en fotograaf, die hij op het gymnasium had leren kennen, bezocht hij vaak het Café des Westens. Hij ontmoette er dichters en kunstenaars die hem inspireerden om ook zelf te gaan dichten en tekenen. In 1917 werd hij als ambulancechauffeur naar het Westelijk Front gestuurd. Pogingen om het jaar erop te deserteren, mislukten. Zijn moeder had hem aangegeven en daarmee zijn executie geriskeerd. „Liever dood in de loopgraven dan een verrader.” Terug aan het front hoorde hij dat zijn jongere broer Heinz bij Verdun was gesneuveld. Na de oorlog vluchtte Blumenfeld naar Nederland, waar hij in 1921 zou trouwen met Lena, het nichtje van Paul Citroen.

Zakelijk ging het hem niet goed in zijn Hollandse periode. Plannen om een kunsthandel met Citroen op te richten mislukten omdat er nauwelijks een markt bleek voor hedendaagse kunst. Wel bleef hij tekenen en maakte hij dadaïstische collages. Om zijn gezin te kunnen onderhouden begon hij in 1923 een winkel in leren damestassen aan de Kalverstraat 116. Dat Nederland een bekrompen landje was, werd hem in 1929 nog eens extra ingewreven, toen hij op het strand van Zandvoort werd gearresteerd omdat hij zijn badpak tot op zijn middel naar beneden had gerold. Hij kreeg een boete van vijftien gulden. De arrestatie had als consequentie dat hij nooit meer in aanmerking kwam voor het Nederlands staatsburgerschap. Op de expositie hangt de foto die in de lokale pers verscheen van zijn arrestatie.

Fotograferen deed Blumenfeld in die jaren vooral in de familiesfeer. Maar toen hij in 1932, na de verhuizing van zijn winkel naar Kalverstraat 151, achterin de zaak een donkere kamer ontdekte, begon hij ook vrouwelijke klanten te fotograferen, voornamelijk portretten maar ook enkele naakten, die hij in de etalage hing om nieuwe klanten te lokken.

In zijn doka speelde en experimenteerde hij vooral met het thema verborgen verleidelijkheid, waarmee hij later wereldberoemd zou worden. Een oog achter een gordijn van blonde haren, een gezicht achter een voile, een gezicht gereduceerd tot ogen en ragfijne wimpers, een vloeiende oksellijn. Vrouwelijke schoonheid en de vergankelijkheid ervan intrigeerden hem. Op de tentoonstelling wordt een reconstructie getoond van zijn collage van vijftig portretten van jonge vrouwen, afgewisseld met die van oude dames uit het bejaardenhuis. Maar ook hangen er portretten van bevriende schilders als Charley Toorop en Karin van Leyden en van de schrijfster Erika Mann. Natuurlijk ontbreekt ook Oty Reijne-Lebeau niet, zijn favoriete model. En daartussen hangen portretten van zijn kinderen en liggen er persoonlijke briefjes, die de Hollandse jaren van Blumenfeld verder inkleuren.

Toen zijn tassenwinkel failliet ging, opende Blumenfeld een portretstudio aan de Keizersgracht. „Zo werd ik, toen me werkelijk niets anders meer restte, fotograaf”, schreef hij naderhand in zijn autobiografie. Ook de studio werd geen succes, maar inmiddels was daar op een dag wel Tara Twain binnengewandeld, een mooie Amerikaanse toeriste. Blumenfeld portretteerde haar met neergeslagen ogen, waardoor haar volle glanzende lippen alle aandacht trekken. Het was het eerste portret waarover Blumenfeld tevreden was en hij liet het afdrukken op zijn visitekaartjes. Een jaar later stond het portret van Tara Twain in het Franse fotografietijdschrift Photografie en besloot Blumenfeld zijn jongensdroom waar te maken: In Parijs zou hij een carrière als fotograaf beginnen. In de jaren erna zou Erwin Blumenfeld heel veel prachtfoto’s maken, maar nooit meer in het Hollandse burgerprutmoeras.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden