'In de bio-industrie doen we dieren ethisch geweld aan'

Vorige week haalde antropologe Barbara Noske op deze pagina fel uit tegen de systematische wijze waarop wij dieren vernietigen, hetzij voor de slacht, hetzij als 'oplossing' voor dreigende epidemieën. Slager Janson herkent het probleem, maar verdedigt zijn vak.

Janson (53, gereformeerd) meent dat christenen bij het bidden voor het eten hun excuses zouden moeten aanbieden aan het dier wiens dood ten grondslag ligt aan het stuk vlees op hun bord. Een in zijn ogen zinnige symboliek die je aantreft bij natuurvolken. Daar verontschuldigt men zich na de jacht tegenover de ziel van het dier dat men gedood heeft. “Terecht, want het doden van dieren, ook al gebeurt dat puur voor consumptie, is niet iets waar je schouderophalend aan voorbij mag gaan. Zeker een christen niet. Die weet dat ook dieren schepselen Gods zijn.”

“Ik heb een goede kennis, geen boer, die als hobby schapen en kippen houdt. Sinds hij ze thuis laat slachten is hij zuinig geworden op vlees. Er mag nooit meer een stukje zonder reden worden weggegooid, want hij heeft met eigen ogen gezien hoe daar een levend wezen voor is gestorven.

Dat ben ik helemaal met hem eens. Verspilling van vlees is een zonde met een grote z. Dat geldt ook voor het slachten van dieren zonder dat daar een consumptieve noodzaak voor is. Bijvoorbeeld om, zoals bij BSE, de koper gerust te stellen. Dat vind ik verwerpelijk. Hier worden dieren opgeofferd aan de irrationele angst van de consument.''

Zelf slachtte Janson zijn eerste varken toen hij vijftien was, in een periode dat de bio-industrie nog niet bestond. Toen zag men het slachten van dieren bijna als een sacraal gebeuren. “Slachtdag was voor de meeste boerengezinnen een gewichtig moment, een soort feestdag. Het varken waarvoor men goed had gezorgd, werd dan voorzichtig naar de plek op het erf gedreven waar al generaties lang dieren werden geslacht. Vervolgens keken pa, ma en de oudste kinderen zwijgend toe hoe ik met mijn schietmasker aan de slag ging.

Die jaarlijkse slacht vormde een hoogtepunt in het pre-industriële boerenleven. Ik vind de kleinschalige manier waarop men dat toen deed de meest natuurlijke wijze om aan vlees te komen. Vroeger was men zich nog vagelijk bewust dat slachten een noodzakelijk kwaad is. Men doodde niet meer dieren dan voor de directe consumptie nodig was. Tegenwoordig wordt er achteloos, anoniem en mechanisch geslacht. Als onderdeel van een mondiaal productie-proces waarbij vraag en aanbod kunstmatig worden opgeschroefd.''

Onlangs liet een arbeider in een Frans abattoir weten: 'Ik kan het geestelijk niet meer aan om elke dag aan de lopende band levende wezens te moeten doodmaken.' Janson, die ook zo'n acht jaar keurmeester was bij slachthuizen in Breda en op Voorne Putten, kan zich voorstellen dat werken in een abattoir tot psychische trauma's kan leiden, maar zelf heeft hij het tijdens zijn controle-arbeid nooit gezien.

Dat, zoals dierantropologe Barbara Noske onlangs in Trouw beweerde, werkers in abattoirs verworden tot 'afgestompte killers' die met afgehakte koppen smijten, ontkent hij. “Ik ben ze in elk geval niet tegengekomen. Integendeel. De mensen met wie ik te maken had letten er juist scherp op dat de slachtdieren geen onnodig leed werd aangedaan.”

Noske's bewering dat de dieren bij aankomst hun naderend einde voorvoelen - ondermeer omdat zij het bloed van hun gedode voorgangers ruiken - verwijst Janson naar het rijk der fabelen. “Natuurlijk kent het dier angst, maar niet voor de naderende dood. In tegenstelling tot u en ik beleeft het zichzelf niet, heeft het geen notie van eindigheid. Om, zoals Noske doet, vergelijkingen te trekken met de Endlösung vind ik daarom niet opgaan.

En wat dat bloed betreft: dieren hebben voor hun aankomst bij het slachthuis nog nooit de geur van bloed geroken. En ook al zouden ze dat wel hebben, dan weten ze niet dat het afkomstig is van geslachte soortgenoten. Ik heb ze zelfs rustig het bloed van gedode voorgangers zien oplikken.''

Kees Janson, eigenaar van een bijna tweehonderd jaar oude vakslagerij in het centrum van het Noord-Brabantse stadje Heusden, heeft weinig op met de bio-industrie, die hij liever industriële veehouderij noemt. “Bio (leven) heeft met natuur te maken en echt natuurlijk is de bio-industrie niet. Daar is alles gestandaardiseerd en grootschalig. Het verschilt nogal of er op een erf twintig varkens rondlopen of dat er tweeduizend in afgepaalde stallen zitten.

Al zult u mij nooit het soort gruwelverhalen horen vertellen die in sommige kringen de ronde doet. Het overgrote deel van de veehouders in de industriële sector gaat ondanks alle grootschaligheid goed en zorgzaam met zijn beesten om. Heel wat bezitters van huisdieren kunnen daar een voorbeeld aan nemen. Wie dat ontkent weet niet waarover hij het heeft. Zo klagen veel mensen nog altijd over het staartbijten bij varkens, terwijl dat probleem dankzij de dierenbescherming allang is verholpen.''

Wat niet wegneemt dat Janson meent dat het dier recht heeft op een natuurlijk leven. “Varkens moeten in kleine groepen kunnen rondwroeten, koeien moeten kunnen grazen en kippen moeten vrijelijk naar wormen kunnen zoeken. Als dat niet mag, zie de bio-industrie, doen we dieren ethisch geweld aan. Ja, dat durf ik best zo te zeggen.”

Janson vindt dat zelfs 'scharrelkip' en 'scharrelvarken' opgroeien onder onnatuurlijke omstandigheden. “Binnen het grootschalige gebeuren is 'scharrel' uiteraard beter dan de bio-industrie en daarom een stap in de goede richting, maar toch gaat het nog steeds om grootschalige veeteelt. Dat vergeet de doorsnee consument. Beïnvloed door actiegroepen en handige, op trends inspelende grootwinkelbedrijven koopt hij/zij scharreleieren en dito vlees en denkt zelfvoldaan dat hiermee het probleem uit de wereld is.”

Of dit ooit het geval zal zijn betwijfelt Janson sterk: “De verwachtingen die de consument van een natuurproduct heeft - zo moet in de ogen van de meeste Nederlanders het vlees mager en licht van kleur zijn - valt door de natuur niet te leveren. Onze smaak en consumptie bepalen in hoge mate de onnatuurlijke manier waarop de veeteelt met dieren omgaat. De morele verantwoordelijkheid hiervoor afwentelen op de varkensboer of de rundveehouder is hypocriet. We zouden ons veeleer dienen af te vragen waarom wij willoos de gestandaardiseerde eetinstructies opvolgen die de reclamebureaus ons dagelijks via radio, tv en krant geven.

De bio-industrie vormt een afspiegeling van de moderne samenleving waarin mensen hun hele leven doorbrengen in flats die er uitzien als legbatterijen: even gestandaardiseerd en even neurose verwekkend.''

Zelf betrekt de energieke, goed formulerende Brabander zijn rund-, varkens- en kippenvlees “zoveel mogelijk” van boeren die nog op natuurlijke wijze fokken en die de dieren eigenhandig, per twee of drie, naar een slachter in de buurt brengen. “Zo voorkom je dat ze door langdurig vervoer in overvolle veewagens gestresst of gewond raken.”

Janson vindt ook dat het vlees van de bio-industrie door het snelle, afgewogen fokken minder lekker is. “Boeren waarvan ik mijn vlees betrek, laten slachtdieren langer doorgroeien, zodat ze meer, voller en malser vlees aan de botten krijgen. Dat komt de smaak ten goede.”

De klandizie die de kraakheldere, geheel gerenoveerde, uit 1820 daterende slagerij aan de historische Vismarkt trekt, let meer op de kwaliteit van de uitgestalde waar dan op de prijs. Men komt uit de wijde omtrek. Voor Janson een bewijs dat principes goede handel niet in de weg hoeven te staan. Hij zag zo'n vijftien jaar geleden vrijwillig af van een grootschalig slagersbestaan - “ik was toen begonnen met vestigingen in supermarkten” - omdat hij liever vakman dan rijk wilde zijn. “Ik ga nu elke dag zingend aan de slag.”

In de woonkamer boven de winkel zegt hij: “Ik heb me wel eens afgevraagd of ik, als ik geen slager was, vegetariër zou zijn. Wat ik in vegetariërs bewonder is niet alleen hun principiële houding tegenover vlees, maar vooral de bewuste manier waarmee ze in het leven staan, waarop ze met voedsel omgaan. Dat spreekt me aan.”

En met een snelle grijns: “Maar als iedereen vegetariër zou worden, dan zou niemand meer weten wat het Lam Gods betekent. Heeft u daar al eens over nagedacht?!”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden