In bad bij de Inca's

Het noorden van Peru is veel minder drukbezocht dan het zuiden. Onterecht, zo blijkt. Ook in het noorden stuit je overal op sporen van de Inca's.

Het is feest op het Plaza de Armas, het plein van Cajamarca. Vanuit het vliegtuig uit Lima kun je het al zien liggen: een vierkante groene vlek tussen het grijze blokkenpatroon van straten. Eenmaal op de grond blijkt alles in de stad samen te komen op het plein. Auto's en taxi's draaien eromheen, zelfs voetgangers: in een bonte optocht vieren verklede kinderen met lampionnen het jubileum van hun school. De meeste volwassenen zien er westers uit, sommigen kleden zich traditioneel: mannen met poncho en sombrero, vrouwen met de gitzwarte haren in een lange vlecht, plooirokken tot de knie en daaronder, duidelijk zichtbaar, een felgekleurde onderrok.

Mensen komen deze vrijdagavond naar het midden van het plein, rond de fontein op het kruispunt van acht paden. Ik zie ze vanuit het restaurant van ons hotel, direct naast de zeventiende-eeuwse kathedraal. In het midden speelt een fanfare - geen panfluit te bekennen - een opzwepend deuntje, een steeds groter publiek schaart zich rondom. Dan nog meer beweging: er wordt gedanst, gejoeld, en ik loop nieuwsgierig naar buiten.

Het is september, de laatste 'droge' maand hier op 2700 meter hoogte, de temperatuur is vrijwel altijd rond de 20 graden. Feestvieren, dat kunnen ze in Cajamarca, naast het maken van yoghurt en kaas. Op YouTube vind ik later filmpjes waarin dezelfde band (ze heten Banda de Musicos de la Municipalidad Provincial de Cajamarca, kan niet missen) in de bergen optreedt, in trainingspak, afgewisseld met optredens in sprookjesachtige kostuums. Vanavond hebben alleen de dansers zich verkleed. De meisjes in knalrode plooirokken, met een glimmende lichtblauwe of roze blouse, de jongens in zwarte broek, wit overhemd en sombrero. Ze zien er bijna Spaans uit, op hun gezichten na.

Toch, zo staat op een plaquette bij de fontein, begon juist hier in 1532 de kolonisatie van Peru en de andere huidige Spaanstalige landen van het continent. De Spanjaard Francisco Pizarro nam Inca-koning Atahualpa in november 1532 gevangen. De Inca probeerde zichzelf nog vrij te kopen door zijn cel en twee andere kamers, gevuld met goud en zilver, als losgeld te beloven - de cel is inmiddels gerenoveerd en staat open voor bezoekers. Atahualpa kreeg de kostbaarheden bij elkaar, maar op 29 augustus 1533 werd hij toch ter dood gebracht. Op het plein dat al eeuwen het centrum van de stad was geweest, en tegenwoordig, zoals bijna ieder ander centraal plein in Zuid-Amerika, het Plaza de Armas heet.

Het publiek is muisstil, de aandacht gaat naar de dansers. Als bij een van de laatste dansen mensen uit het publiek worden uitgenodigd, duik ik, lange Nederlandse, weg - ik probeer het net te filmen met m'n telefoon. En dat doen meer mensen om me heen . Zelfs bij de traditioneel geklede Peruanen klinkt zo af en toe een ringtone van onder de poncho: op de meest afgelegen plekken wordt beltegoed te koop aangeboden, zie ik als we de volgende dag de bergen in rijden.

We, dat zijn drie Nederlandse journalisten, uitgenodigd door het Peruaanse verkeersbureau om kennis te maken met het noorden van Peru. Nederlanders weten het land wel te vinden, maar ze trekken meestal vanuit Lima naar het zuiden, naar Cusco, de 'Inca-hoofdstad' in de Andes, en bekijken de Nazcalijnen, de eeuwenoude tekeningen in het woestijnzand van de zuidkust. Het noorden heeft soortgelijke attracties, alleen staan die nog nauwelijks op de kaart - pas in 2006 'ontdekte' een Duitse ontwikkelingswerker de 700 meter hoge Gocta-waterval, iets meer dan 300 kilometer, of negen uur rijden, ten noordoosten van Cajamarca. Sinds begin 2000 de terreur van Lichtend Pad en Tupac Amaru door het regeringsleger met harde hand is gestopt, is het er veel veiliger geworden. Toch komt het toerisme maar moeizaam op gang.

Met het grootste obstakel, de bereikbaarheid, hebben wij ook te maken: tussen de meeste bestemmingen liggen kilometers slingerweggetjes langs duizelingwekkende afgronden. Bij Kuelap, het 'Machu Picchu van het noorden', zoals de reisgidsen het graag noemen, moet een kabelbaan de reistijd terugbrengen van vier uur tot ongeveer drie kwartier. De weg van Cajamarca naar Leymebamba, richting het oosten, is berucht vanwege de haarspeldbochten. Tegelijkertijd is er onderweg ook veel te zien: mensen werkend op het land, lopend langs de weg met

varkens (aan en riem) of ezeltjes, veel loslopende honden, handgeschilderde verkiezingsleuzen en natuurlijk het landschap. In de buurt van Cajamarca is dat na de lange droge tijd behoorlijk grauw. Verder naar het oosten, na de pas over de Andes, verandert het langzaam in een groene jungle. We zijn nu op weg naar Cumbe Mayo, omschreven als een archeologische opgraving waar op 3500 meter hoogte bouwwerken en kaarsrechte aquaducten zijn ontdekt uit 1500 voor Christus, van ver vóór de Inca's en andere bekende volken.

Over de functie en achtergrond zijn de wetenschappers het nog niet eens, maar het vermoeden is dat het water hier aanbeden werd.

De natuur is er in elk geval overweldigend: een voetpad leidt langs enorme rotspartijen, uitgesleten door erosie, en biedt adembenemende vergezichten. Af en toe duiken uit het niets vrouwen en meisjes op die gekookte zoete aardappels, cocasnoepjes (tegen de hoogteziekte), handwerk en kleden verkopen, hun felgekleurde kleding steekt af tegen de vale bergen. Vanwege de hoogte ben je na tien meter klimmen al buiten adem, gelukkig gaat het grootste deel van het pad gestaag naar beneden. Onze chauffeur wacht ons op.

Terug in Cajamarca stoppen we zo'n vijf kilometer van het centrum, in Baños del Inca - de Incabaden. Deze buitenwijk wordt bepaald door een openluchtzwembad-achtig complex. Het blijkt een populaire bestemming voor de lokale bevolking, geen

toerist te zien. Als in een karperkwekerij liggen er meerdere baden naast elkaar, gescheiden door voetpaden. 'Peligro!' staat erbij, gevaarlijk! Het water is 70 graden, er zitten geen hekjes rond de baden en de fundering van de paden is niet overal even stevig.

Naast het nemen van een sauna of duik in het (iets koelere) zwembad zijn de baños ook een gezinsuitje, dé plek voor het maken van foto's. Op hun paasbest - weer met de gekleurde onderrokken, maar nu met zwarte pumps eronder - poseren families in het groen tussen de dampende Incabaden (ook koning Atahualpa genoot hier van het warme water).

De Inca's , begrijp ik later, zijn eigenlijk maar honderd jaar aan de macht geweest, en dan nog vooral als administratieve en militaire overheersing op de lokale beschavingen. Toch kom je hun naam overal tegen: de apotheek heet Incapharma, het lokale knalgele drankje Incakola, en er zijn zelfs perziken in blik die 'Inca' heten. 'Inca' staat symbool voor alles van vóór de komst van de Spanjaarden. Een naam die de bevolking nog steeds, net als de plooirok en de sombrero, zorgvuldig koestert.

Naar Cajamarca

Cajamarca ligt op 2700 meter hoogte, het is er het hele jaar overdag tussen 15 en 25 graden. In onze winter, en vooral in oktober en maart, valt er veel regen en kunnen de wegen onbegaanbaar raken. Van mei tot september is de beste tijd om erheen te reizen. Er gaat dagelijks een directe vlucht van Schiphol naar Lima, vanaf daar gaan er meerdere keren per dag vluchten naar Cajamarca (1,5 uur).

Over de weg kan ook: de bus (comfortabele opties zijn mogelijk) rijdt vanaf Lima in 15 uur naar Cajamarca. Vanwege de hoogte zijn er geen muggen, dus voorzorgsmaatregelen tegen malaria of dengue zijn niet nodig, een hepatitus-A-inenting wordt wel aangeraden. Aan het Plaza de Armas in Cajamarca zitten meerdere touroperators die excursies organiseren naar de Cumbe Mayo-opgravingen.

Meer info op www.peru.travel

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden