In academische sferen (2)

Daar zat ik dus, met tollend hoofd, op een Berlijns symposium gewijd aan kunst en nationaal-socialisme. Een rij van sprekers, Duitse historici, passeerde, ieder met zijn eigen specialisme. Het ging over de vorm waarin Albert Speer werkte (diens imperiale Rijkskanselarij werd in slechts twaalf maanden tijd gebouwd) en het ontstane primaat van de bouwkunst waaraan de andere kunsten ondergeschikt waren, over het functioneren van de 'Reichskammer der bildenden Künste', over het beleid van de Kunstacademie in Düsseldorf tussen 1924 en 1937. Het ging ook over kunstenaars, en de schemerzones waarin zij werkten, over Käthe Kollwitz, over Felix Nussbaum, over Charlotte Salomon, over Emil Nolde, over Fritz Cremer, Arno Breker en Joseph Torak.

De sprekers waren echter vooral voorlezers ¿ en heel snelle ¿ van wetenschappelijke artikelen; ongetwijfeld zeer doorwrocht, maar ook door hun vele adjectieven en passief-constructies zwaar verteerbaar. Ik zag een vrouw uit het publiek aan het eind van zo'n lezing haastig met een bloedneus de zaal verlaten.

Een poging mijnerzijds hun teksten te mogen inzien, strandde; ze waren, zei men, nog niet helemaal rijp voor publicatie. Ik kan u dus alleen maar een schetsmatig verslag aanbieden.

Hitlers machtsovername in 1933 had grote gevolgen voor de kunstbeoefening, maar, zo begreep ik uit de inleiding van prof. dr. Wolfgang Ruppert, het werkelijke jaar van de radicalisering lag niet in 1933, maar in 1937.

Ruppert die het symposium organiseerde, is hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universität der Künste in Berlijn, een instituut dat zelf, destijds nog als Akademie der Künste, de nazidictatuur onderging, met ontslagen hoogleraren en vervolgde studenten, om daarna in de voorgeschreven pas te lopen.

Het was, zei Ruppert, in 1933 nog open of niet ook een gematigde vorm van modernisme mogelijk zou zijn. Bij Goebbels thuis hingen tot 1937 werken van de expressionist Emil Nolde aan de muur.

Nog in de winter van 1932-1933 kon het voorkomen dat de beeldhouwer Arno Breker en de Duits-Joodse schilder Felix Nussbaum beiden met een stipendium in de Villa Massimo in Rome verbleven, in aangrenzende ateliers. Na de machtsovername van de nazi's werd Brekers verblijf in de villa verlengd, dat van Nussbaum niet. Breker zou opklimmen tot hofbeeldhouwer van het Derde Rijk, terwijl Nussbaum niet naar Duitsland terugkeerde, maar na omzwervingen uiteindelijk in 1944 in Brussel werd gearresteerd, en in Auschwitz vermoord.

De werkelijke radicalisering vond dus in het jaar 1937 plaats, bij de opening van het Haus der Deutschen Kunst in München, het eerste nazigebouw, waar alleen 'Grote Duitse Kunst' werd vertoond, terwijl men zich iets verderop bij de tentoonstelling 'Entartete Kunst' kon vergapen aan de gedegenereerde kunst van expressionistische, kubistische en abstracte werken. Daar kon men de 'kunst' van 'deze niksnutten met hun zieke geest' uitlachen. Goebbels had zijn Noldes van de muur gehaald.

Maar wat werd er eigenlijk precies vertoond daar bij die Grote Duitse Kunst? Was dat alleen maar nazipropaganda?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden