In academische sferen (1)

Meer dan 600.000 dollar leverde uiteindelijk het schilderij op dat in New York in een kringloopwinkel hing en waarover ik vorige week hier schreef. Een traditioneel berglandschapje waar een hippe straatkunstenaar een mijmerende SS-officier in geschilderd had. Altijd nog goed voor ophef, die nazikunst, zelfs als ze, zoals in dit geval, geïroniseerd wordt.

En dit weekend werd bekend dat in een vervuilde woning in München nog een schat aan kunstwerken was aangetroffen, verloren gewaande Picasso's, Chagalls en Liebermanns, die door de nazi's als gedegenereerd waren bestempeld en verboden. Het is alsof die zwarte periode in de kunst maar niet afgesloten raakt.

Ik was vrijdag op weg gegaan naar Berlijn voor een driedaags symposium over 'Kunstenaars en nationaal-socialisme'. Aan de Hardenbergstrasse bevindt zich, niet ver van Bahnhof Zoo, de Universiteit van de Kunsten. Een instituut met een honderden jaren oude traditie en geschiedenis.

Het heette in de Pruisische tijd 'Akademie der Künste' en na de oorlog 'Hochschule', en sinds 2001 'Universität'. De veranderde benaming zal wel iets te maken hebben met samenvoegingen en hervormingen, maar hoe dan ook, de universiteit vermeldt trots met 4600 studenten de grootste kunstopleiding ter wereld te zijn. Hij is gevestigd in een kloek gebouw uit de keizertijd, dat zwaar beschadigd uit de oorlog kwam en grondig werd gerestaureerd.

Ik wandelde door de monumentale, door zuilen gedragen hal, en beklom een brede, marmeren trap. Daar, in zaal 110, vond het symposium plaats, waarvoor ik was gekomen. Cru samengevat wist ik over het thema niet heel veel meer dan dat de nazikunst fout was, en dat destijds de goede kunst, de moderne, zoals gezegd gedegenereerd ¿ 'entartet' ¿ was verklaard.

De zaal was een hoge ruimte, met ramen aan weerszijden. Er stonden enige rijen met stoelen opgesteld, voor misschien honderdtwintig belangstellenden. Links vooraan bevond zich een katheder en microfoon voor de spreker; op de wand erachter de projectie van een lichtbeeld.

Bij binnenkomst zag ik op een tafel, koffie, thee, water en koekjes. Achterin nog een tafel met wetenschappelijke publicaties. Toen ik, argeloos nog, binnentrad was de zaal al aardig gevuld. Het gezelschap was in leeftijd gemengd, maar in voorkomen weinig uitgesproken; het was alsof menigeen met verward haar en verfomfaaide kleding direct uit de werkkamer was weggelopen, het hoofd nog vol voetnoten en addenda.

Het had een waarschuwing kunnen zijn. Ik was, zo bleek al snel, zo ongeveer de enige leek in dit academische universum dat zich zo wijd opende dat ik er, als de astronaut in de film Gravity, in dreigde weg te tollen.

En toch zou het symposium een bijzondere ervaring worden, indrukwekkend door de eruditie, de ernst en de toewijding van de deelnemers, maar ook, en dat trof me, op bepaalde momenten aangrijpend, en uitmondend in een verzuchting van een historicus die ik niet zag aankomen. Ik zal u er graag morgen verder over berichten.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden