Impressies uit de losse pols

In de serie over iconische beelden uit de Nederlandse fotografie vandaag de invloed van het nieuwe medium op de schilderkunst. Schilders lieten hun kijk en stijl door de camera beïnvloeden.

George Hendrik Breitner vereeuwigde de stad met de nonchalance van de straat. Rommeligheid was geen bezwaar. Al die gewichtigdoenerij over compositie, licht en uitsnede. Zo bestudeerd kijken zat het spontane maar in de weg.

Breitner wilde kunst naar het leven maken. En wie om zich heen keek, zag echt niet alleen ordening en esthetiek. Waar anderen een verstilde versie van een ogenblik nastreefden, vond Breitner een bewogen beeld wel mooi. Dat suggereerde dynamiek.

Het woord 'snapshot' bestond nog niet in Breitners dagen, maar is toch perfect toepasbaar op zijn foto's en schilderijen. De kunstenaar had een eigen term voor zijn gemaakte momentopnames. "Instanteneetjes", noemde hij ze.

Tot diep in de negentiende eeuw stelden beeldend kunstenaars zaken graag een beetje mooier voor dan ze werkelijk waren. Ze schotelden een ideale wereld voor vol schoonheid, huiselijke harmonie en patriottisme. Ook symboliek was nooit ver.

Met de nieuwe tijd kwam een nieuwe generatie kunstenaars die de alledaagsheid in al zijn eenvoud toonden. Denk aan de vroege Vincent van Gogh en zijn voorkeur voor grauwe gewoonheid, aan Isaac Israëls, en, inderdaad, ook aan Breitner. Willem Witsen, een tijdgenoot en ook een fotograaf/schilder, schreef: 'Kunst moet zijn: 't weergeven van een stuk leven, reëel, maar rijker en intenser door het gevoel van de kunstenaar.'

Breitner liet zich behalve door collega-schilders ook inspireren door de sociale romans van de schrijver Émile Zola. De schrijvende gebroeders Edmond en Jules de Goncourt, vandaag de dag vooral nog bekend door de naar hen genoemde Franse literatuurprijs, waren eveneens op hem van invloed. Die twee waren echte waarnemers en wars van de lang zo dominante Romantiek. De nieuwe tijd vroeg om naturalisme.

In zijn geboorteplaats Rotterdam vond Breitner onvoldoende van zijn gading. Alleen de havenbuurten voldeden wat hem betreft. Die waren "altijd woelig, smerig en schilderachtig", precies zoals de kunstenaar het wilde hebben. In Amsterdam waren veel meer van dit soort plekken te vinden. Daarom vertrok hij in 1886 naar de hoofdstad om daar zijn kijk op het straatleven vast te leggen. De Duitse impressionist Max Liebermann zag in Breitners werk zoveel van diens Parijse voorbeelden terug, dat hij zei dat zijn Nederlandse collega Amsterdam had 'gepariseerd'.

Fotografie en schilderkunst waren voor Breitner geen strikt gescheiden werelden. Hij had een schilderachtige manier van fotograferen en een fotografische manier van schilderen. De camera deed ook het voorwerk voor het penseel. Bij leven maakte hij daar geen geheim van. Toen na zijn dood echter afdrukken werden gevonden die in vierkanten waren verdeeld om ze heel precies te kunnen natekenen en zelfs transparanten om over te trekken, schaadde dat zijn artistieke reputatie. Was dit kunst of een kunstje?

Breitner was geen uitzondering. Van mannen met nog veel meer naam, Manet, Munch, Degas, is bekend dat ze de fotografie dienstbaar maakten aan hun schilderijen. In de loop van de negentiende eeuw werden bovendien behoorlijk wat kunstenaars noodgedwongen dubbeltalent. Wie voordien een boterham had kunnen verdienen met het schilderen van portretten, raakte na de opkomst van de camera een deel van zijn inkomsten kwijt. Een antwoord op die concurrentie was om dan ook maar in deeltijd fotograaf worden: if you can't beat them, join them.

Erg eervol was zo'n keuze niet. De Franse schrijver en kunstcriticus Charles Baudelaire sprak in 1859 smalend over de fotografie als "het toevluchtsoord voor elke zogenaamde schilder, elke schilder die te weinig talent heeft of te lui is om zijn studie af te maken".

Het moge duidelijk zijn: artistiek werd fotografie in de negentiende eeuw niet erg hoog aangeslagen. Het werd gezien als een trucje, hooguit als ambacht, niet als een volwaardige kunstvorm.

'Een schilder is geen kopieermachine, aan de daguerreotypie is de ondichterlijke, slaafsche navolging geoorloofd', schreef Joseph Alberdingk Thijm al begin jaren veertig. De fotografie was nog piepjong. Toch gebruikte hij het nieuwe medium als beeld in zijn tirade tegen te ver doorgeschoten realisme bij literatoren en beeldend kunstenaars. 'Wij moeten meer dan uiterst gebrekkige diagrafen en daguerreotypen zijn; wij moeten een nieuwe, eene vergeestelijkte Natuur voortbrengen.' Somberheid alom bij de auteur: 'Als we de fotografie laten oprukken naar het domein van het ongrijpbare en de fantasie, naar alles waarvan de waarde alleen afhangt van het toevoegen van iets uit je eigen ziel, dan ziet het er slecht voor ons uit.'

Baudelaires cultuurpessimisme strekte zich ook uit richting kunstconsumenten. Die gingen meer en meer de resultaten van wat hij toch vooral zag als een soort procestechnologie verwarren met producten van echte schoonheid. Moest dat niet betekenen dat ze 'in de loop van de tijd hun vermogen kwijtraken om de meest hemelse en onaantastbare aspecten van creëren te beoordelen en te voelen?'

Vincent van Gogh was een stuk optimistischer. "Geschilderde portretten hebben een eigen leven dat radicaal uit de ziel van den schilder komt en waar de machine niet aan kan", schreef hij in 1885 aan zijn broer en mecenas Theo. "Hoe meer photos men bekijkt hoe meer men dit voelt dunkt mij." De passage uit een van de vele brieven geeft niet alleen de persoonlijke mening van de schilder over een ander medium weer. Het is ook een sleutelfragment als het gaat over het zoeken van een generatie kunstenaars naar andere, nieuwe wegen. Van Gogh raakte hier aan het wezen van het impressionisme. Waarom zouden schilders het werk van fotografen dunnetjes overdoen? Zij moesten hun eigen indruk van een onderwerp geven.

Maar bij al dat jezelf onderscheiden van fotografen, ontleenden schilders bewust of onbewust ook een heleboel aan die beroepsgroep. De camera won het qua snelheid altijd van het penseel. Toch sijpelde veel van de vaart van de techniek door in de schilderijen. De kunstenaar ging intuïtiever, minder bestudeerd te werk. Poses en kadering werden minder plechtstatig. Alledaagse onderwerpen en figuren kregen aandacht. En niet alles hoefde even scherp in beeld te komen. Het impressionisme was geboren.

In latere jaren zou fotografie ook meer en meer worden erkend als zelfstandige kunstvorm. Wel worden tot op de dag van vandaag hogere bedragen neergeteld voor schilderijen dan voor foto's.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden