IMPREGNEREN - EEN EENZAME KRUISTOCHT TEGEN HET GIF

De metaalindustrie en ertssmelterijen hebben een prachtige oplossing gevonden voor hun zwaar chemisch afval: impregneerbedrijven verduurzamen er hout mee. Ad van Rooij leek als enige in te zien dat daarmee het milieu toch weer met zwaar gif wordt bedreigd. Langzaam maar zeker krijgt hij het gelijk aan zijn kant.

Van Rooij ziet dat als een stap vooruit nadat de toenmalige minister Hans Alders in 1992 weigerde nog inhoudelijk in te gaan op zijn indringende brieven over de gevaren van onder meer arseen en chloor waarmee hout wordt verduurzaamd. Oorzaak van die weigering - onverkort voortgezet door minister De Boer - is nog niet eens de ernstige beschuldiging aan het adres van de politiek, van burgemeester Schriek tot minister Alders zelf. “Hiermee lever ik het bewijs dat minister Alders die brief heeft geschreven (...) met als doel de georganiseerde misdaad te helpen”, zo schrijft Van Rooij in een van zijn brieven. Nee, de weigering hield verband met het bombardement van brieven en rapporten, waarmee Van Rooij het ministerie overlaadde. Horendol werden de ambtenaren. De ambtelijke machinerie dreigde vast te lopen. Sinds maart 1992 krijgt Van Rooij daarom alleen nog maar een briefje dat zijn stukken zijn aangekomen, maar er wordt niet meer op de inhoud gereageerd. “Het was toch alleen maar steeds een herhaling van zetten”, zegt een woordvoerder.

Van Rooij, een veiligheidsdeskundige, is overtuigd dat de 'georganiseerde misdaad' er achter zit dat hout tegenwoordig wordt geïmpregneerd met superwolmanzout. Dat is afval van de metaalindustrie en ertssmelterijen (zoals Billiton). Die hoeven hun zwaar chemisch afval niet meer voor duizend gulden per ton af te voeren, maar raken het makkelijk kwijt aan de 35 impregneerbedrijven in Nederland. Die verduurzamen er hout mee. Er worden onder meer tuinhuisjes, kinderspeeltuigen, palen voor beschoeiïng en nog heel veel andere produkten met wolmanzouten doordrenkt, herkenbaar aan die typische licht groene kleur. Puur gif, zegt Van Rooij. Dat kankerverwekkende spul loogt deels al uit in het grondwater en als het hout in de afvalfase belandt, komt dat zwaar chemisch afval via een omweg alsnog terecht in het milieu. Waarschuwingen tegen besproeien van moestuinen omdat zware metalen in het grondwater zijn aangetroffen, ziet Van Rooij prompt als een bewijs van het uitlogen van gewolmaniseerde palen en beschoeiïngen.

De kruistocht van Van Rooij ging van start in 1988. Toen ging de klompenmaker en houtzagerij Van Aarle, op honderd meter afstand van zijn huis in het Dommeldal, over op houtveredeling met wolmanzouten. Dat kan nooit goed zijn, dacht van Rooij en vanaf dat moment zette hij de machinerie op gang die al lang niet alleen meer over Van Aarle gaat, maar inmiddels een nationale omvang heeft aangenomen. Volgens hem worden jaarlijks 450 000 kilo chroom en 200 000 kilo arseen via geïmpregneerd hout in het Nederlandse milieu gebracht. Kankerverwekkende stoffen.

Een hoogte-, of zo men wil dieptepunt, vormde het moment dat burgemeester Schriek, daartoe aangespoord door de inspecteur voor de Volksgezondheid De Vries, hem zonder overleg de vertrouwensarts H. Jans van de GGD-Breda op zijn dak wilde sturen. Van Rooij steigerde. “Dat was”, zegt hij nog steeds woedend, “een bewuste poging om mij af te schilderen als een querulant, zodat niemand mij serieus zouden nemen.” De burgemeester verklaarde alleen maar het welzijn van Van Rooij en zijn gezin op het oog te hebben. Er waren ook wat telefonische bedreigingen tegen het gezin geuit en uit angst waren toen de kinderen een week op vakantie gestuurd. De Rooij suggereert in een brief aan minister Dijkstal ook dat Schriek zich verrijkt door onder één hoedje te spelen met de betrokken industrie.

Van Rooij kwam er achter dat vertrouwensarts Jans tevens milieudeskundige is en samen met een belanghebbende onderneming (Hickson Garantor) een rapport had geschreven ten gunste van zijn buurman Van Aarle. De GGD liet weten niets te maken te hebben met het inzetten van Jans.

Van Rooij ging in de tegenaanval. Hij had justitie in Den Bosch al eens gevraagd in te grijpen en riep het oordeel in van het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtwetenschappen van de Universiteit Utrecht. De hieraan verbonden criminoloog prof. dr. F. Bovenkerk schreef aan mr. Ficq, hoofdofficier van justitie in Den Bosch, een brief waarin hij Van Rooij opvoert als een van die typische eenlingen die tegen de druk in milieuschandalen bloot leggen, zoals we die uit vooral Amerikaanse literatuur kennen. “Ze worden genegeerd, voor ondeskundig uitgemaakt, hun motieven worden verdacht gemaakt en ze worden geïntimideerd.” De hoogleraar gaat verder: “Bij georganiseerde misdaad denkt men vaak aan regelrechte omkoping of chantage van ambtenaren, maar dat hoeft geenszins het geval te zijn. Vaak komt het voor dat malafide bedrijven samengaan met de overheid omdat hun belangen parallel lopen en een probleem wordt opgelost. (...) Ik word in dit geloof gesterkt door de categorische afwijzing van minister Alders en nu minister Hirsch Ballin om op Van Rooijs brieven in te gaan en wel zonder argumenten. Begrijpen kan men het wel. Van Rooij is uiterst vasthoudend en komt steeds met nieuwe correspondentie. Naar de mate waarin hij meer gelijk heeft, is dat voor degenen die zijn correspondentie beantwoorden des te vervelender.”

Tot justitieel ingrijpen komt het overigens niet. Dit soort milieuzaken is landelijk geconcentreerd bij het parket in Amsterdam. En Van Rooij krijgt van officier van justitie mr. A. M. Fransen aldaar te horen dat die niets kan doen zolang de politiek de wetgeving niet verandert. Voor Van Rooij is het kringetje weer rond. De echte kwaaie genius is de politiek. Als hij premier Wim Kok in een briefje persoonlijk (mede-)verantwoordelijk stelt, krijgt hij in een vriendelijk briefje als antwoord dat dit niet kan.

Voordat hij de autoriteiten ging bewerken, had Van Rooij eerst nog wat zendingswerk in eigen kring te vervullen. De milieubeweging bleek een onverwachte tegenstander, omdat men geïmpregneerd hout als een welkom alternatief zag voor hardhout en dus als een goed middel in de strijd tegen de ontbossing van tropische regenwouden. Een eerste triomf voor Van Rooij was dat de milieubeweging na zijn verhaal compleet om ging. Anton Nigten, tot voor kort verbonden aan het Landelijk Milieu-overleg, zegt tot het inzicht te zijn gekomen dat het chemisch afval dat in feite tijdelijk in hout wordt gedumpt, op termijn gevaarlijk is, als het alsnog in het milieu komt. De milieu- en consumentenorganisaties hebben staatssecretaris Terpstra opgeroepen speeltoestellen van geïmpregneerd hout te verbieden. Spelende kinderen zouden via hun handen en het aflikken van hun vingers chroom, koper of arseen in hun mond kunnen krijgen. Gezondheidsrisico is er volgens het rijksinstituut RIVM ook bij huidcontact.

Nog een succes voor Van Rooij is dat hij ook een lid uit het kamp van de 'vijand' aan zijn kant heeft gekregen. Carl Tissen, zelf eigenaar-directeur van een impregneerbedrijf te Luyksgestel, plakt tegenwoordig een sticker op zijn produkten met de waarschuwing: “Afvalhout verwijderen als chemisch afval.” Hij stelt pogingen in het werk over te gaan op een alternatieve methode, een Amerikaans produktieproces waarbij alleen koper in het hout wordt gebracht. Dat kan in de afvalfase worden verbrand. Koper brandt niet en kan dan worden gerecycled.

De Vereniging van houtimpregneerinrichtingen (VHN) vindt echter dat het allemaal wel meevalt. Ing. C. Boon van de VHN zegt dat de moderne procesbeheersing door automatisering en een speciale nabehandeling zo 'fijngeregeld' is, dat de stoffen in het hout goed worden gefixeerd (chemisch gebonden) en niet meer uitlogen (wegsijpelen) in het milieu. “Althans niet meer dan de toegestane norm. Dat er helemaal niets meer vrijkomt, bestaat niet. Maar dat is ook zo met auto's. Die vervuilen ook, maar moeten binnen vastgestelde normen blijven.”

Werknemers en mensen in de omgeving van impregneerbedrijven hebben volgens Boon niets te vrezen. Het proces speelt zich af in een gesloten circuit. De wolmanzouten worden in een tankauto aangevoerd en in een luchtledig gezogen tank met hout geperst. Door dit 'vacuum trekken' kunnen de metaalzouten diep in het hout doordringen. Overigens blijft een kern altijd onbewerkt. Die kern is daardoor niet verduurzaamd en je moet geïmpregneerd hout daarom niet doorzagen. Dan kunnen de verwoestende bacteriën hun werk toch nog doen, zegt Boon.

Naderhand komt er wel stoom vrij in de lucht en volgens Boon “zal daar best nog eens verdwaalde molecuul in zitten, maar ook dat blijft beneden de toegestane norm. Omwonenden hoeven zich dus geen zorgen te maken.”

Over de nogal boude beschuldigingen van ing. Ad van Rooij, die in feite impliceren dat de 'georganiseerde misdaad' achter het instandhouden van de impregneerpraktijken zit, zegt Boon: “Ach, in een democratie moet dat kunnen. Iedere burger mag zeggen wat hij wil. En de heer Van Rooij beschuldigt niemand rechtstreeks.”

Overigens is iedereen het er eigenlijk wel over eens dat met name arseen en chroom VI wel zo ongeveer de laatste stoffen zijn die in het milieu thuishoren. In een brief aan het SP-kamerlid Poppe schreef minister Alders zelf dat de norm voor arseen in geïmpregneerd hout met een factor tien werd overschreden. Het College toelating bestrijdingsmiddelen (CTB) wijst ook op de gevaren. Het spul komt voor op diverse zwarte lijsten. Op de nationale MAC-lijst van het ministerie van Sociale Zaken en werkgelegenheid wordt gewaarschuwd voor opname via de huid en in de lijst wordt arseen in één adem genoemd met asbest. Sommige heem-, zuivering- en waterschappen verbieden het geïmpregneerd hout als beschoeiïng, uit angst voor uitloging in het water.

De milieubeweging heeft bovendien de vinger gelegd op een merkwaardige gang van zaken bij een van de talloze processen van Van Rooij. “De Raad van State baseerde zich namelijk op een advies van de Adviseur Beroepen Milieubeheer, die zich op zijn beurt weer beriep op het RIVM, die zich tenslotte beriep op (...) het Hickson-rapport om Van Rooij in het ongelijk te stellen”, schreef Milieudefensie. Merkwaardig omdat Hickson Garantor zelf een belanghebbende onderneming is in de impregneer-cyclus.

Het onderliggende probleem is in feite: wat gebeurt er uiteindelijk met de afvalstoffen van de metaalindustrie die in het hout zijn geperst? In hoeverre komen die in het grondwater (uitlogen) of in de lucht (verbranden) of misschien zelfs via de huid in de mens? Het ziet er naar uit dat iedereen bang is ooit verantwoordelijk te worden gesteld en daarom de boot afhoudt. Zo schrijft het College voor Toelating van Bestrijdingsmiddelen op 10 april van dit jaar aan Van Rooij: “Het College is niet verantwoordelijk voor wet- en regelgeving en het toelatingsbeleid inzake bestrijdingsmiddelen.” Om vervolgens de vinger uit te steken naar een serie departementen, waaronder het ministerie van Vrom en dat van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Staatssecretaris Erica Terpstra van dit laatste ministerie draait de zaak echter in een brief van een dag later om: “Zoals U bekend is, is het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen verantwoordelijk (...)”

Sinds kort wordt er weer een nieuw hoofdstuk toegevoegd, omdat de elektriciteitscentrale Nepon in Arnhem/Nijmegen toestemming heeft gekregen hout te stoken. Geïmpregneerd hout mag echter niet. “Maar”, zegt Van Rooij, “wat een onzin. Er is geen gescheiden inzameling van houtsoorten. Er is toch geen mens die kan controleren of er tussen die berg hout - vaak verouderd en niet makkelijk te herkennen - geen verkeerd hout zit.” En een actiegroep in Arnhem-Nijmegen gelooft het al evenmin.

Dat nu juist gelooft het CDA-kamerlid A. H. Esselink wel. “Ik heb zelf een bezoek gebracht aan de centrale en gezien dat inspectie wel degelijk mogelijk is en ook strikt wordt uitgevoerd.” Esselink heeft het allemaal vanaf het begin kunnen volgen. Een motie van het toenmalige Kamerlid Willems (GroenLinks) om met spoed een eind te maken aan de toepassing van arseenhoudende wolmanzouten, werd door een grote Kamermeerderheid aangenomen. Minister Alders vroeg en kreeg een periode van twee tot drie jaar om de motie uit te voeren. Bij een onderzoek bleek vervolgens echter dat een 'onaanvaardbare nevenwerking' niet kon worden aangetoond. Een woordvoerder van Vrom verduidelijkt: “Dit is het criterium dat de bestrijdingsmiddelenwet hanteert en daarmee verviel de mogelijkheid om het te verbieden.” Het is allemaal wat gecompliceerd omdat er meerdere typen arseenhoudende wolmanzout zijn en alleen type C - de minst kwaadaardige - is toegestaan. In 1993 accepteerde de Kamer de uitleg van de minister. Het College voor Toelating van Bestrijdingsmiddelen heeft echter wel een einddatum voor de toepassing vastgesteld: 1 juni 1998. Momenteel staat 1998 dus als het cruciale jaar op de agenda. Het gewraakte hout moet dan verantwoord gerecycled worden. Van Rooij heeft daar echter weinig vertrouwen in. Esselink wel. De industrie heeft al veel gedaan om het produktieproces en het risico van uitlogen te verbeteren. Dat is tot een fractie teruggebracht. Je moet ze ook de kans geven om het hout in de afvalfase te recyclen. Er zijn tenslotte grote economische belangen mee gemoeid. Het is nog niet wat het moet zijn. Maar er is al veel gewonnen.”

Het Kamerlid geeft Van Rooij een pluim. Diens vasthoudendheid heeft een belangrijke rol gespeeld in het terugdringen van de wolmanzouten. “Zulke mensen houden je onophoudelijk bij de les. Dat leidt er soms toe dat je weer vragen stelt aan de minister. Vaak is dat op aansturing van Van Rooij geweest.”

Intussen zijn er opnieuw vragen gesteld. Deze keer afkomstig van de eenmansfractie van het zuiderlijke Kamerlid Hendriks. Hij wil onder meer weten of het waar kan zijn dat de overheid door malafide bedrijven is misleid. Ook wil hij weten of de minister de producenten van wolmanzouten aansprakkelijk wil stellen voor eventuele schade aan mens of milieu. De ministeries van Vrom, justitie en volksgezondheid werken aan het antwoord op die vragen.

Onschuldige impregneerstoffen bestaan niet Ouders die hun kinderen met een schommel van geïmpregneerd hout hebben verblijd, hoeven niet bang te zijn dat hun nakroost meteen ziek wordt. “Toch raden we aan, speeltuigen over te schilderen”, zegt Dorien van Lochem van de Milieutelefoon. Ook op allerlei speelplaatsjes staan dit soort toestellen.

Giftige stoffen als arseen en chroom kun je ook op andere manieren binnen krijgen en die stoffen kunnen zich opstapelen in het menselijk lichaam. Onschuldige impregneerstoffen bestaan niet, zegt Van Lochem. “Het móeten juist giftige stoffen zijn, om de schimmels in het hout te doden.” Arseen en chroom zijn verdacht als kankerverwekkende stoffen. Maar mensen die er gevoelig voor zijn, kunnen er ook eczeem van krijgen. Door overschilderen met buitenbijts of verf op waterbasis kan rechtstreeks contact worden vermeden. Geïmpregneerd hout van al wat oudere datum levert het meeste risico op, omdat de persmethode toen nog minder geavanceerd was. Daar staat volgens drs. H. Blaauwgeers van de Consumentenbond overigens tegenover dat de stoffen uit oud hout de meeste kans hebben al te zijn weggespoeld.

Wie nog een tuinhuisje, grondpalen of speeltuig wil aanschaffen, kan een alternatief kiezen. Voor hout dat de grond ingaat kan hardhout worden gebruikt. Uitgezonderd dan tropisch hardhout, want de milieubeweging wil de regenwouden sparen. Er zijn echter ook inheemse soorten hardhout: kastanje, eik en robinia bijvoorbeeld. Verder zijn er speciale metalen houders in de handel. Palen van beton of van gerecycled plastic worden veel door gemeenten gebruikt, voor bermpaaltjes of picknickbanken. De Milieutelefoon (020-6262620) geeft inlichtingen over de verkrijgbaarheid van alternatieven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden