Immer wiederPfannkuchen

OFFICIEEL ORGAAN VAN HET NEDERLANDS GENOOTSCHAP TER BEVORDERING EN VERBREIDING VAN NUTTELOZE KENNIS. OPGERICHT 14 JULI 1989 TE AMSTERDAM. VOORZITTER:JAN KUIJK, SECRETARIS/PENNINGMEESTER: RUUD VERDONCK, LID: ROB SCHOUTEN. 4e JAARGANG NUMMER 30 VAN HET BESTUUR

"Ik heb iets zeer voor de hand liggends gedaan, namelijk in een woordenboek kijken. Het ging om het Van Dale Groot woordenboek Duits-Nederlands (Utrecht/Antwerpen, tweede oplage 1985, van de eerste druk, 1983). Ik geloof, dat het in de wandeling aangeduid wordt als het vertaalwoordenboek, zulks ter onderscheiding van het later verschenen handwoordenboek van Van Dale. Het lemma Pfannkuchen verschaft de gebruiker enigszins verwarrende informatie. Als betekenissen worden gegeven pannekoek en omelet. De betekenis oliebol ontbreekt.

Het is mij niet helemaal duidelijk, hoe de opstellers vervolgens kunnen denken, dat de lezer wel zal willen geloven, dat de uitdrukking 'aufgehen wie ein Pfannkuchen' 'dik worden' betekent. De heer Worgt gaf dit voorbeeld ook in zijn verhandeling. Maar ook het volgende voorbeeld kennen we uit zijn tekst. De opstellers van het Van Dale-woordenboek maken ons diets, dat het zinnetje 'sie ist flach wie Pfannkuchen' in het Nederlands overgezet dient te worden als 'zij is zo plat als een pannekoek'. Me dunkt, een wonderlijke mededeling.

Plat of bol?

De heer Worgt zal zich waarschijnlijk beter kunnen vinden in het volgende voorbeeld: 'ein Gesicht wie ein Pfannkuchen haben' zou betekenen 'een bol, rond gezicht hebben'. Maar een onschuldige gebruiker van het woordenboek zal dit voorbeeld op grond van de gegeven betekenissen, dunkt me, niet gemakkelijk begrijpen. En hoe de laatste twee voorbeelden met elkaar te rijmen zijn, is helemaal onduidelijk.

Ik denk overigens, dat, als ik in een roman zou lezen, dat een persoon een gezicht 'wie ein Pfannkuchen' heeft, ik onmiddellijk zou aannemen, dat de betreffende persoon kennelijk een nogal plat konterfeitsel heeft; ik zou waarschijnlijk geen enkele neiging voelen een woordenboek ter hand te nemen. Alleen de eerstkomende maand zal ik nog weten, dat hij of zij juist gezegend is met een bol gelaat.

Ik meen overigens gezien te hebben, dat er van het gezaghebbende vertaalwoordenboek van Van Dale een herziene versie op de markt is. Misschien dat daarin het lemma Pfannkuchen aan een nadere bewerking is onderworpen.

Toevallig bracht ik de dagen rond de laatste jaarwisseling door in Hamburg met enkele uit Baden-Wurttemberg afkomstige vrienden. Op een gegeven moment zocht ik naar het Duitse equivalent voor oliebol. Ik had het gevoel, dat ik er beter aan deed niet de woorden olie en bol letterlijk te vertalen; dus omschreef ik een oliebol en vroeg, hoe ze zo'n ding in het Duits noemden. Tot mijn verbazing kreeg ik inderdaad te horen, dat dat een Pfannkuchen was.

Hamburger

Ik heb wel gevraagd, hoe ze een pannekoek dan aanduidden, maar het antwoord ben ik helaas vergeten. Mijn vrienden, die een tijd in Berlijn gewoond hebben, vertelden overigens, dat je in Hamburg wel een hamburger kunt bestellen, maar dat men het in Berlijn heel vreemd vindt om een Berliner (bol) bij die naam te noemen.

Ik geloof overigens, dat mijn vrienden het niet heel erg gek vinden om (ook) een pannekoek Pfannkuchen te noemen. Een paar jaar geleden heb ik tenminste wel eens een pannekoek met hen gegeten op een werf aan de Oudegracht in Utrecht en ik kan me niet herinneren, dat ze me toen geprobeerd hebben duidelijk te maken, dat je zo'n platte ronde schijf geen Pfannkuchen zou moeten noemen.

Gek

Wel vonden ze het heel vreemd, dat ik op een spekpannekoek onmiddellijk stroop deed. Volgens hen kon dat echt niet: zoet op bitter. Ik meende toch te weten, dat het heel normaal is in Nederland stroop op een spekpannekoek te gieten. Waarom zouden ze anders zo'n fles stroop voor je neerzetten? Ik heb het nog eens bij Nederlandse kennissen nagevraagd en iedereen verzekerde me, dat het om een algemeen ingeburgerde gewoonte ging, al meende menigeen, dat er bij nader inzien inderdaad iets vreemds in de kombinatie zat. Mijn Duitse kennissen hebben mijn spekpannekoeken-met-stroop later nog wel eens aangehaald als een voorbeeld van buitenissige Nederlandse eetgewoonten.

Overigens zorgde ik op die avond van de eerste januari bij mijn Duitse vrienden voor een hilariteit, die waarschijnlijk vergelijkbaar is met die van de studenten, die tot hun verbazing hoorden, dat Nederland zo 'flach wie Pfannkuchen' is.

Aan het eind van een maaltijd in een Italiaans restaurant zei ik tegen de man die ons bediende: 'Wir mochten abrechnen'. Hij vertrok geen spier, mogelijk omdat hij als Italiaan (net als ik) niet merkte, dat ik iets raars zei -mogelijk ook omdat dat soort mensen eraan gewend is in alle omstandigheden beleefd te blijven, maar mijn vrienden vonden mijn vraag buitengewoon vermakelijk. Ze legden me uit, dat abrechnen alleen maar in figuurlijke zin gebruikt pleegt te worden en dus zoveel betekent als een rekening vereffenen met iemand. Ze konden nog wel een geval bedenken, waarin het inderdaad min of meer letterlijk abrechnen betekende, maar dat was niet als je om een rekening vroeg.

Het gekke was, dat ik eigenlijk wel wist, dat Duitsers in een restaurant altijd zeggen, dat ze graag willen betalen, of om de rekening vragen, maar ik dacht bij mezelf: laat ik eens een keer varieren. Ik vermoed, dat je alleen in gezelschap van goede vrienden merkt, dat je dit soort blunders begaat. Mensen, met wie je meer zakelijk in aanraking komt, zoals winkeliers, loketbedienden en obers, zullen je niet zo gauw uitlachen, als je iets belachelijks zegt.

Deftig

Ik meen wel eens gelezen te hebben, dat, toen Kathinka Dittrich net directeur van het Goethe-instituut in Amsterdam was geworden, ze er zich over verbaasde, dat diverse bezoekers verklaarden, dat ze in zo'n deftiges Zimmer zat; ze had toch echt het idee, dat haar werkkamer heel vornehm was. Het Duitse deftig gaat meer in de richting van het tegendeel.

Jaren geleden aan een maaltijd in Israel gezeten naast een Duitse judaicus, Michael Krupp - inderdaad, uit de beroemde familie -, verklaarde ik op een gegeven moment iets in de trant van: dat is een lacune in mijn kennis. Maar ik gebruikte dat woord natuurlijk op z'n Duits: Lakune. Hij vroeg mij onmiddellijk, of ik soms een leerling was van zijn Nederlandse collega Yehoeda Aschkenasy - quod non -, want die gebruikte ook van die grappige uitdrukkingen.

Het woordenboek geeft niet aan, dat er een verschil in gebruik is. Dat kan ook nauwelijks. Letterlijk betekent het woord in beide talen hetzelfde, maar in het Duits kan men het alleen in betrekking tot teksten gebruiken, terwijl men het in het Nederlands ook in een wat ruimere context kan benutten.

Im Frage

Het stukje van de heer Worgt gaat over de misverstanden die veroorzaakt worden door bepaalde Nederlandse woorden en uitdrukkingen te vertalen met Duitse woorden, die vrijwel hetzelfde uiterlijk hebben, maar waarvan de betekenis een andere is. Ik zou u op een enigszins hieraan verwant verschijnsel willen wijzen.

Er bestaan ook Duitse woorden en uitdrukkingen, die uitsluitend in het Nederlands voorkomen. Zo hoort men Nederlanders nog wel eens verklaren, dat ze iets im Frage stellen. Een Duitser doet dat niet. Die stelt etwas in Frage. Frage is vrouwelijk. Men zou zich kunnen afvragen, of men daarom in het Nederlands niet beter iem frage stellen, of zelfs iem frake stellen zou kunnen schrijven.

Een ander typisch Nederlands Duits woord is unheimisch. Als een Duitser zich ergens niet op zijn gemak voelt, zal hij zeggen, dat hij zich nicht heimisch voelt. Ik heb de uitdrukking wel eens aan mijn reeds meermalen genoemde vrienden voorgelegd. Het zou gekund hebben, meenden ze, maar het woord bestond nu eenmaal niet. In het Nederlands kun je ook niet overal het prefix onvoor zetten, ook al zou er logisch niets tegen zijn. Ik voel me hier onthuis, kan niet; wel: ik voel me hier niet thuis.

Ik vermoed overigens, dat Nederlanders unheimisch gebruiken, omdat ze denken aan het wel bestaande unheimlich; soms heb ik zelfs het idee, dat ze dat ook bedoelen. Misschien kunnen uw afnemers nog wel meer buitenlandse woorden vinden, die alleen in het Nederlands bestaan?"

Mutzenmandeln

Het bestuur, na opgezocht te hebben dat het Groot woordenboek der Nederlandse Taal van Van Dale het woord unheimisch niet kent, deelt deze nieuwsgierigheid van afnemer Snel naar een volledige opgave van buitenlandse woorden die alleen in het Nederlands bestaan.

Wel, en dit vooral aan het adres van de vriendenkring van afnemer Snel, dient opgemerkt, dat de sectie 'culinair genot - afdeling Imbiss' van het NGTBEVVNK bekend is met een veelheid van recepten die aan Duitsland worden toegeschreven (zie ons O. O. vierde jaargang nr 29) en waarin de combinatie van zoet en bitter voorkomt. Zo is een Sauerkrautsalat natuurlijk niet compleet zonder een eetlepel honing. En behalve doorregen rookspek kunnen rozijnen zeer wel toegepast worden in Rotkrautsalat. Ook mag de appel niet over het hoofd worden gezien bij de bereiding van Saksischer Ente en in de Kolner Mutzenmandeln hoort een geweldige hoeveelheid zoetwaren verstoord te worden door enkele nadrukkelijk bittere amandelen.

Een smakelijke voortzetting.

VAN HET BESTUUR: Uiteraard: ook eieren

"Als we de statistiek inderdaad mogen beschouwen als l'Art de grouper les chiffres kunnen we uw aannemer Guus van Duin beschouwen als artiest" , zo meldt ons afnemer H. Bos te Dronten naar aanleiding van Van Duins studie 'Op vrijdag is het slecht eerste kievitseieren vinden in ons land', gepubliceerd in ons O. O. vierde jaargang nr 28 in Trouw van 29 maart '93.

"Van Duin stelt onder meer dat het zoeken van kievitseieren sinds 1900 verschoven is naar het weekend. Hij maakt deze stelling aannemelijk door het presenteren van tabellen met vinddagen van het eerste kievitsei in deze eeuw.

Om de verhouding van in het weekeinde gevonden eieren met eieren gevonden in de rest van de week weer te geven, kunnen we zijn tabellen als volgt samenvatten:

Tabel 1: Vinddagen van eerste kievitseieren in drie periodes van ongeveer 31 jaar, sinds 1900:

1900-'31 '32-'62' 63-'93

ma t/m vr 31 23 19

za + zo9 8 13

Hieruit valt inderdaad een toename van vinddagen in het weekeinde waar te nemen. Deze toename is echter toevallig, zoals blijkt bij statistische toetsing van deze gegevens. De kans, dat we ten onrechte de stelling van Guus van Duin overnemen, is zoals toepassing van de x2-toets ons leert ruim 20 procent! (P=0,21)

Ook wanneer we in het totale materiaal de verdeling van de vinddagen over de weekdagen toetsen, vinden we geen verschillen van betekenis (P=0,79). Dit moet leiden tot de conclusie, dat ook de stelling dat het op vrijdag slecht kievitseieren vinden is, statistisch niet onderbouwd kan worden.

Het artikel van Guus van Duin roept herinnering op aan een artikel, getiteld 'Weekeindweer', dat op 29 augustus 1984 in Trouw werd gepubliceerd. Hierin probeerde de weerkundig medewerker Peter van Lakerveld aan te tonen, dat over een reeks van jaren in het weekeinde relatief minder zomerse dagen voorkwamen dan in de rest van de week. Ook toen was met behulp van de statistiek deze stelling niet te onderbouwen. (De waarneming werd door Van Lakerveld overigens ook in die zin gerelativeerd).

Welke medewerker waagt zich in het jaar 2002 aan een volgende analyse?"

Het bestuur tekent hierbij aan: een buitengewoon interessante en overtuigende bijdrage van afnemer Bos. (Maar wat is in vredesnaam een x2-toets, iets nuttigs zeker?)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden