Imago strijdkrachten / Een beheerst beroepsleger

De na ’Srebrenica’ verguisde Nederlandse krijgsmacht is bezig met een opmerkelijke comeback. Militairen mogen van de samenleving weer trots zijn op hun werk.

door George Marlet

Op 4 december vorig jaar moest de Koninklijke landmacht nog één keer door de zure appel heen bijten. Tijdens de ceremonie voor Dutchbat-III op de Johan Willem Friso-kazerne in Assen kon de massamoord in Srebrenica niet ongenoemd blijven. Minister Henk Kamp (Defensie) had het over ’een zwarte bladzijde’ in de naoorloge geschiedenis; voormalig Dutchbat-commandant Thom Karremans betuigde zijn medeleven met de nabestaanden van de zeven- tot achtduizend vermoorde moslimmannen en –jongens. De ceremonie bleef in het buitenland niet onopgemerkt en rakelde nog eens – compleet met de dramatische beelden uit juni 1995 - het pijnlijke onvermogen op van de Nederlandse krijgsmacht om de moslim-enclave te verdedigen.

Maar het jaar eindigde voor Defensie in majeur. De militairen in Uruzgan werden flink in het zonnetje gezet. Elsevier riep ze uit tot ’Nederlander van het jaar’ en het NOS Journaal tot ’Nieuwspersoon 2006’. Telegraaf-lezers reageerden massaal op de oproep om een kerstgroet naar ’onze jongens’ in Uruzgan te sturen – met als dank een advertentie van minister Kamp en commandant der strijdkrachten Berlijn.

De waardering voor de Nederlandse krijgsmacht stijgt naarmate de krijgsmacht aan meer – en gevaarlijker - buitenlandse missies deelneemt. De missie in Uruzgan mag op zichzelf omstreden zijn, maar dat heeft geen invloed op de waardering voor de uitgezonden militairen. Volgens onderzoek van het Veteraneninstituut heeft driekwart van de bevolking veel waardering voor de militairen, terwijl de missie maar van 56 procent steun krijgt. Militair historicus Herman Amersfoort: „De krijgsmacht is de afgelopen vijftien jaar door deelname aan crisisbeheersingsoperaties veel zichtbaarder geworden. Dat heeft duidelijk invloed op de waardering. De samenleving is vertrouwder geraakt met de krijgsmacht en de vraag van het nut is beantwoord door deelname aan missies.”

Die waardering heeft iets paradoxaals. Vóór de val van de Berlijnse Muur in 1989 stond de noodzaak van de krijgsmacht op zichzelf niet ter discussie vanwege de dreiging uit het Oostblok. Prof. Amersfoort: „Maar tijdens de Koude Oorlog, toen we de krijgsmacht het hardst nodig hadden, maakte Defensie zich echt zorgen over het imago en het maatschappelijk draagvlak voor de krijgsmacht. Het enige wat mensen van het leger zagen, was humanitaire hulpverlening, zoals aardappels rooien of pompen slaan.”

Een gevleugelde uitspraak (van de befaamde historicus Johan Huizinga) is dat Nederlanders ’geen krijgsvolk’ zijn. Zeker aan militair vertoon hebben veel Nederlanders van oudsher een hekel. De dienstplicht droeg ook niet bepaald bij aan een gunstig beeld van de krijgsmacht. Iedereen kende wel verhalen over nutteloos en stompzinnig werk, verveling en veel bier drinken. „Een heel groot deel van de dienstplichtigen straalde dat ook uit, zo van: jongens, wat doe ik hier?”, zegt Gielt Algra, begin jaren negentig voorzitter van de soldatenvakbond VVDM. Algra: „Ze hadden soms onzinnige functies op de postkamer of als kaartjesverkoper in een militair museum. Dat had natuurlijk niets met de verdediging van het land te maken. De onzinfuncties uit de dienstplichttijd zijn verdwenen of door burgers overgenomen. De beroepsmilitairen bepaalde tijd (bbt’ers) worden nu veel gerichter ingezet. Personeel is duur, dus dat zet je alleen in waar het nodig is.”

Nederland heeft zich met de militaire missies in Irak en Afghanistan internationaal in de kijker gespeeld. ’Srebrenica’ was een dure les om voortaan alleen nog maar troepen te sturen als die een duidelijk mandaat hebben en goed opgeleid en bewapend zijn. In Irak (2003-2005) speelde Nederland al in de eredivisie, zoals een van de Sfir-commandanten het omschreef. Afghanistan (2006-2008) moet de overtreffende trap worden.

Brigadegeneraal b.d. Peter van Even van de Koninklijke Nederlandse vereniging Ons Leger: „Nederland staat met zijn professionele leger aan de top in de wereld, zelfs als we het vergelijken met het Amerikaanse en Britse leger. De manier waarop in Uruzgan wordt opgetreden, is fantastisch: professioneel en beheerst.”

Jan van der Meulen, docent krijgsmacht en omgeving aan de Nederlandse Defensie-academie: „Het klinkt bijna als een reclamespot, maar Nederland heeft gewoon een goed leger.”

De missie in Uruzgan draait nu een halfjaar zonder dat er aan Nederlandse kant doden zijn gevallen. Dat trekt ook de aandacht van Groot-Brittannië en Canada, die in de aangrenzende provincies Helmand en Kandahar al tientallen militairen hebben verloren. Britse en Canadese militairen hebben het over de lucky Dutch (fortuinlijke Nederlanders), maar zien ook dat Nederland in Uruzgan een andere strategie volgt.

Voorop staat een respectvolle omgang met de bevolking om vertrouwen te winnen. De Britse krant The Times stelt met een mengeling van bewondering en afgunst vast dat „Nederlandse commandanten een begrip voor de Afghaanse cultuur tonen dat bij andere Navo-partners zeldzaam is”. De Nederlandse troepen nodigen de taliban liever op de thee dan op ze te schieten.

’Robuust’ optreden tegen taliban-strijders kunnen de Nederlandse militairen zonodig ook, maar –zo luidt de instructie – alleen als ze zelf worden aangevallen of als de opbouw van Uruzgan in gevaar komt. Het is niet bekend hoeveel taliban-strijders door kogels uit Nederlandse geweren zijn gedood, maar het moeten er inmiddels vele tientallen zijn.

Toch staan Nederlandse militairen niet te boek als ’ schietgrage Rambo’s ’, zoals tegenstanders van een beroepsleger vreesden. Tien jaar geleden werd de dienstplicht opgeschort, maar dat heeft er volgens kenners van de krijgsmacht niet toe geleid dat Nederland een onbeheerst en losgeslagen leger heeft gekregen. „Militairen zijn heel erg professioneel met hun vak bezig en willen vooral Nederlander blijven”, zegt voorzitter Roland Boom van de BBTV, de vakbond voor beroepsmilitairen bepaalde tijd. „Hun insteek is niet ’we gaan eens lekker oorlog voeren’, maar een verstandige aanpak om met zo min mogelijk slachtoffers terug te keren. Als een Amerikaans konvooi wordt beschoten, schieten die militairen terug met alles wat ze hebben. Een Nederlandse eenheid kijkt eerst waar de schoten vandaan komen en schiet dan pas gericht terug.”

Boom had aanvankelijk zelf ook bedenkingen bij het invoeren van de bbt’er, begin jaren negentig. Vanwege een dreigend tekort werden de leeftijds- en opleidingseisen verlaagd. Dat gaf de nieuwe categorie militairen direct het stigma van laagontwikkeld kanonnenvlees. Ten onrechte, concludeert Boom nu. Bbt’ers zitten wel anders in elkaar dan de vroegere dienstplichtigen. „Ze willen van hun meerdere gerichte opdrachten krijgen. Voor heel veel kaderleden was dat een grote omschakeling. En bbt’ers beschouwen zichzelf als echte professionals en kijken heel anders tegen hun vak aan dan dienstplichtigen. Het beste voorbeeld vind ik wel dat de eerste lichting voor Uruzgan tijdens de discussie over de uitzending zei: ’Wij willen weg; dit is waarvoor we opgeleid zijn en waar we voor getraind hebben’.”

De luchtmobiele brigade deelt ook in de omslag van hoon naar lof en waardering. Veel bbt’ers kwamen terecht bij deze in 1991 opgerichte brigade van de landmacht. De infanterie-eenheid die zich met helikopters en vliegtuigen naar het front kan verplaatsen, kreeg vanwege de bbt’ers al snel de scheldnaam ’licht debiele brigade’.

Uit de brigade kwam Dutchbat-III voort. Alles wat er mis kon gaan, trof dit ongeluksbataljon. Slecht getraind, minimaal bewapend en beschermd, met een overspannen commandant slaagde Dutchbat-III er niet in de moslim-enclave te beschermen tegen het Bosnisch-Servische leger.

De smaad van Srebrenica is niet uit te wissen, maar de brigade kreeg wel de kans om zich te revancheren en – in de woorden van brigadecommandant Marc van Uhm - „echt volwassen te worden”. De brigade heeft een belangrijke rol gespeeld in missies na ’Srebrenica’. Compagniescommandanten van Dutchbat-III vervulden in Zuid-Irak en nu in Afghanistan sleutelfuncties.

De soldaten en korporaals die naar Afghanistan gaan, zijn 18 of 19 jaar en dus te jong om Srebrenica meegemaakt te hebben. Hun wereldbeeld is letterlijk en figuurlijk beperkt als ze in dienst komen. Gielt Algra geeft culturele les aan militairen die voor uitzending naar Uruzgan zijn aangewezen. „Als ik uitleg dat ze in Afghanistan respect voor de bevolking moeten tonen, zeggen zij dat ze dan ook met respect behandeld willen worden. Op zo’n moment merk je dat ze privé misschien niet verder zijn geweest dan Torremolinos. Maar Defensie spijkert daar heel veel aan bij. Vergeleken met dienstplichtigen worden de huidige militairen heel goed voorbereid. Militair gezien sla ik ze ook veel hoger aan.”

Is Nederland nu definitief ’om’ en kunnen militairen op steun van de bevolking blijven rekenen? NLDA-docent Jan van der Meulen: „Ik heb niet het idee dat die waardering modieus en van korte duur is. De waardering is vrij stabiel. Incidenten met drank of seksuele intimidatie hebben weinig invloed op het imago van de krijgsmacht. Zulke dingen moeten niet wekelijks gebeuren, maar het imago kan wel tegen een stootje.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden