'Ik zou wel voor eeuwig willen verdwijnen'

Onder het thema Inkeer tonen ruim veertig kunstenaars tot 1 november hun werk in bijna even zovele oude kerkjes in heel Nederland. Schilder en beeldend kunstenaar Otto Egberts, een van de deelnemers, komt als laatste in een serie van vier aan het woord.

De loopbaan van Otto Egberts (1949) als kunstenaar begon met een ongeluk. ,,Na zes jaar economie aan de universiteit kreeg ik een hersenschudding. Daarna had ik steeds veel hoofdpijn, dus toen ben ik maar naar de academie gegaan'', vertelt hij droog.

,,Als kind wilde ik al kunstenaar worden of minister. Mijn vader noemde me destijds 'de commentator'. Misschien omdat ik overal commentaar op leverde en me een tussenfiguur voelde. Dat was zowel het geval in ons redelijk kerkse, gereformeerde gezin met zeven kinderen, als daarbuiten. Ik voelde me ongemakkelijk in het leven. En dat is eigenlijk nog steeds zo.''

Na de kunstacademie volgde in 1982 meteen een tentoonstelling in museum Fodor in Amsterdam die hem bekendheid gaf. Zijn tekeningen en schilderijen sloegen tot zijn verbazing aan. ,,Ze vonden het wel eigenzinnig'', zegt hij, ,,terwijl ik zelf dacht: ach die schilderijtjes van mij''. Inmiddels tekent en schildert hij nog steeds, maar maakt hij ook beelden en installaties.

De omschrijving die de dichter C.O. Jellema van inkeer geeft, spreekt Egberts wel aan. 'Jezelf bijeen rapen uit je vaak tegenstrijdige gedachten, gevoelens en indrukken om tot een kern van eenheid in jezelf te komen en daarin rust te vinden.'

Hij exposeert tijdens de Inkeertentoonstelling zowel in het Zeeuwse Dreischor als in Middelburg. ,,Dat is weer het tegenstrijdige in mij, zegt hij. ,,Ik kan of wil niet kiezen en neem die kerken dan maar allebei. Eigenlijk wil ik overal tegelijk zijn. En dus kan ik ook niet inkeren. Ik weet niet wat mijn 'kern', is, de kern waarover Jellema het heeft. Als iemand mij vraagt 'wie ben jij?', zou ik het niet kunnen zeggen. Dat is mijn probleem. Een van mijn aforismen luidt: 'Ik ben voortdurend bezig mijzelf uit te drukken, maar ik kan het origineel niet vinden.'''

Momenten van inkeer zegt Egberts nauwelijks te kennen. ,,Hoogstens als ik werk, en soms even in de liefde. Dan vergeet ik mezelf, ga ik op in iets anders en verdwijn ik. Dat is heel prettig. Ik zou wel voor eeuwig willen verdwijnen.''

Soms vraagt hij zich af of de onrust die hem kenmerkt een van de bronnen is waaruit zijn werk ontstaat. ,,Door het maken van beelden probeer je misschien je innerlijke onrust te bezweren. De werkelijkheid is daar, ik ben hier. Ik ben me altijd sterk bewust geweest van het verschil tussen hier en daar, tussen ik en de ander. Door plaatjes te maken, probeer ik dingen mijn omgeving binnen te trekken en de afstand te verkleinen. Tegelijk cultiveer ik die afstand en die onrust om te kunnen werken.''

Twee gipsen vingers liggen op de werktafel in zijn atelier. ,,Eerst wilde ik een lijn van wijzende vingers in de kerk spannen'', zegt hij. ,,Ze zitten aan elkaar vast en wijzen een tegengestelde richting uit.'' Het idee was mooi, maar toen hij het uitwerkte bleek het 'een foefje'. ,,Door de vorm van een kunstwerk wil je iets vertellen. Het mooiste is als je bij het kijken naar kunst vergeet dat iets bedacht is. Net zoals je op kunt gaan in een mooie film. Het bekende krijgt iets onbekends. Maar soms blijft verf verf, en een bezem een bezem.''

In de kerkbanken van de Sint Adriaan in Dreischor zit een man tussen bundels kleren. Een 'ongemakkelijke nietigheid', een vacuüm moet hij uitstralen. Het is 'een mens zonder bakens'. Egberts maakte hem samen met Let Spek, een kunstenares en ontwerpster met wie hij al eerder samenwerkte.

De figuur is gemaakt van tempex en bedekt met een egale laag huisstof.

,,Het stof komt uit de stofzuiger. Er zit ook honderdjarig stof uit een oud klooster bij'', zegt Egberts. ,,Als protestant word je in je opvoeding doordrongen van je eigen nietigheid. 'Tot stof zul je wederkeren. Naakt zult gij terugkeren tot God.' Maar tegelijk moet je je talenten gebruiken en een harde werker zijn. Dat onopgeloste dualisme kleeft het gereformeerde geloof aan en ik herken het ook in mijzelf.''

In Middelburg zet hij het beeld van een staande man neer op wiens hoofd een ander hoofd balanceert.

,,Dat kan zijn eigen hoofd zijn, maar ook dat van een denkbeeldige ander. Je kunt het zien als een kei aan je hoofd: inkeer is niet gemakkelijk. Of als een uitstulping: wat binnen is, komt naar buiten. Die kop is misschien de ander, het geweten of een last.''

Het beeld staat in een cirkel van houtskoolpoeder. Daarmee werkt Egberts graag. ,,Stof of houtskoolpoeder is helemaal niets. Toch heb je er maar weinig van nodig en breidt het zich gemakkelijk uit. Dat raakt aan het besef dat je nietig bent en dat je tegelijk met iets kleins veel hebt.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden