Ik zie sterven als een natuurramp

We mogen de dood best wat meer aandacht geven, vindt theatermaker en pastor Jos Brink. Hij schreef een boek over rouwverwerking. „Door te sterven worden we herschapen mensen. Dat vind ik troostrijk.”

’Ik heb een scheur in mijn kop”, zegt Jos Brink. „En een paar gekneusde ribben.” Hij dankt het aan een val (’een dóódsmak’) van de trap in zijn Amsterdamse grachtenpand. „Ik kom uit een familie van notoire vallers”, zegt hij. Buigt zijn hoofd: „Kijk, elf hechtingen. Ze hebben me op de eerste hulp gezwachteld als een paasei.” Knipoogt: „Dat was dus au op mijn dak.”

„Ik zie het maar als een waarschuwing”, zegt Brink. „Eens komt je tijd.”

Zijn nieuwe boek ’Rouw op je dak’ gaat daarover: hoe om te gaan met het verdriet na het overlijden van een dierbare. Het is een onderwerp waar hij al eerder over schreef, maar dit boek is ’niet zo evangelisch, want dat kan niet meer in deze tijd’, zegt Brink (64). „Ik noem het een praatboek. Ik spreek de lezers rechtstreeks aan, en als ze even genoeg van mijn gepraat hebben, mogen ze me gerust wegleggen.”

Je zou haast denken dat Brink iets hééft met het einde van het leven. Hij is al meer dan dertig jaar ’stervensbegeleider’, en, zegt hij: „Elke dag lees ik aandachtig de rouwadvertenties in de krant. Om te zien wie er nog over is.”

Brink is – naast theatermaker – pastor in de oecumenische basisgemeente De Duif in Amsterdam. Natuurlijk maakt hij in die gemeenschap sterfgevallen mee. Wat je dan als pastor voor nabestaanden kunt betekenen? „Het is een kwestie van er zijn”, zegt Brink. „Veel luisteren en heel voorzichtig aansturen.”

Iemand die rouwt, is Brinks ervaring, heeft vooral ruimte nodig, om op zijn eigen wijze uiting te geven aan zijn gevoelens. „Daarom geef ik in mijn boek ook geen stappenplannen, of allerlei taakjes voor verschillende fasen van het verdriet. Wat mij betreft is alles geoorloofd. Maar een rouwproces is hard werken, dat moet je niet onderschatten.”

Natuurlijk staan de nabestaanden er vaak niet alleen voor, maar aan het eind van het liedje is er wel een leeg huis. „Misschien vinden lezers mijn boek goedbedoeld maar zinloos”, zegt Brink. „Dan moeten ze vooral niet verder lezen. Maar de eerste reacties die ik kreeg, waren vooral: hier spreekt iemand die me begrijpt.”

Overigens, zegt Brink, maak je soms een rouwproces door zonder dat er iemand is gestorven. „Mijn Frank kreeg een paar jaar geleden een erg vervelende diagnose, hij zou nog maar kort te leven hebben. Heel Nederland wist dat, en op straat werden we veel aangesproken. We zijn een aardig volk wat dat betreft, maar soms had ik er wel eens moeite mee. Vooral als ik zelf net eventjes níet aan dacht.”

Of hij zich daardoor meer beseft dat ook zijn echtgenoot er eens niet meer zal zijn? „Natuurlijk. Ik denk er elke dag aan, en ik weet dat het kan gebeuren. Maar ik moet er niet aan denken dát het gebeurt.”

„We hebben de neiging de dood weg te duwen”, zegt Brink. „We zijn zo druk bezig met leven – we willen dit en dat, fitnessen, en alles moet vooral ’kwaliteit’ hebben, dat we van de dood iets klinisch gemaakt hebben. Voor rituelen nemen we heel weinig tijd, een uitvaart moet in drie kwartier toch wel bekeken zijn. Als er vroeger iemand overleed werd hij of zij thuis opgebaard, en stond iedereen eromheen. Nu is het een kwestie geworden van agenda’s trekken om te plannen wanneer je in het rouwcentrum terecht kunt.”

Brink wil maar zeggen: we mogen best wat meer aandacht schenken aan het sterven. Zijn eigen uitvaart staat hem al voor ogen. „Ik wil opgebaard worden in theater Carré in Amsterdam, dan een uitvaartdienst in De Duif en begraven worden op Westgaarde. Ja, dat wordt nog een hele tournee. Daarbij wil ik liederen van Huub (Oosterhuis, red.): ’Wek mijn zachtheid’, en als mijn kist de kerk uitgedragen wordt ’De steppe zal bloeien’.” En, voegt hij er haastig aan toe: géén koffie met een plakje cake. „Dat maakt de zaak alleen maar droeviger.”

Als Brink als pastor bij een sterfgeval wordt geroepen, maakt hij soms mee dat mensen behalve verdrietig ook boos zijn. Op God, bijvoorbeeld. „Maar je moet God er buiten laten”, zegt Brink. „Hij heeft er niets mee te maken. Door Hem de schuld te geven, dicht je Hem een almacht toe die Hij niet heeft. Je moet van God geen kwaadaardige toverkabouter maken, die vanachter een computer beslist: jij kanker, en jij voor een trein. Nee, ik zie de dood liever als een natuurramp. En bij ziekte kun je volgens mij beter bidden om kracht en bijstand dan om genezing.”

Hoewel, zegt Brink, dat voor hem misschien makkelijk gezegd is. „Ik ben niet opgegroeid met een God van vrees en wrake. En dat begrip ’God’ vind ik een nogal inperkende term. Ik spreek liever van Jahweh, ’ik zal er zijn’. Dat is voor mij een synoniem voor de liefde en genade zoals we die kennen van de man van Nazareth.”

Maar zou het ook niet troostrijk kunnen zijn, die gedachte dat God met dit sterfgeval ’een bedoeling’ heeft? Brink: „Toen ik op televisie nog ’Wedden dat...’ presenteerde, hadden we in een uitzending eens een jongen van twaalf die zijn weddenschap glansrijk won. Een dag na zijn televisieoptreden werd hij op zijn fiets aangereden door een vrachtwagen. Dood. Zijn ouders stuurden een kaart met de tekst: ’het heeft God behaagd zijn kind thuis te halen’. Ik stond perplex. Zoiets wil er bij mij niet in, dat God bepaalt: daags na je optreden in ’Wedden dat...’ ga je dood. Als iemand wel zo denkt zal ik dat niet afstrijden, maar ik ben het er hartgrondig mee oneens. Nog weer later stuurden die ouders een geboortekaartje, ze hadden een dochtertje gekregen, en ze suggereerden zo ongeveer dat God daarmee hun zoon vervangen had. Nou, sorry hoor.”

Brink zet nog een kop thee. Met zijn pijnlijke lijf schuifelt hij door het huis. De post heeft zojuist een kaartje bezorgd. ’Lieve Jos, wat heb je een mooi en persoonlijk boek geschreven’, schrijft een vrouw. „Ja”, zegt Brink. „Ik denk wel dat mijn boeken steeds dichter bij mezelf komen te staan.”

Het gesprek komt weer op ’troost’. Zijn oude moeder, zegt Brink, vroeg hem laatst: ’denk je dat ik papa weerzie als ik ook dood ben?’. „’Ja, mam’, zei ik. ’Maar niet in zijn driedelig grijs’. Ik denk namelijk dat we door te sterven herschapen mensen worden. Dat vind ik een troostrijke gedachte. Ik lees die gedachte bijvoorbeeld in het paasverhaal: Maria van Magdala komt bij Christus’ lege graf en vraagt de tuinman of hij weet wat er gebeurd is. Pas als hij haar naam noemt, ziet ze dat het Jezus zelf is. Of de Emmaüsgangers, die een hele tijd met Jezus oplopen en hem pas herkennen als hij het brood voor hen breekt. We zullen elkaar weerzien, daarvan ben ik overtuigd, maar in een andere gedaante dan in dit leven.”

De tekst die hij misschien wel het meest geschikt vindt voor een uitvaart komt uit het evangelie van Johannes: ’Als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht.’

Brink: „Als de graankorrel niet sterft, krijg je ook geen nieuwe aren, geen nieuw leven. Dat is voor veel mensen een troost, heb ik gemerkt. Ook voor wie niet gelovig is.”

Hij staart uit het raam. De zon schijnt op de gracht, de bomen beginnen uit te lopen. „Als ik er niet meer ben, komen er toch weer nieuwe bladeren aan de bomen. Mijn huis is een stuk ouder dan ik. Als ik er niet meer ben, zullen hier weer nieuwe mensen wonen, die vast ook een keer van de trap vallen. Wonderlijk, eigenlijk, dat de dingen gewoon door zullen gaan.”

Dát is wat hij met zijn boekje wil overbrengen: dat er een moment komt dat wij en onze dierbaren er niet meer zijn, en dat we ons daarvan best bewust mogen zijn. „Memento mori”, zegt Brink. „Gedenk te sterven, ja. Maar vergeet ook niet te leven. Je moet niet alvast gaan liggen.”

Jos Brink: Rouw op je dak. Verder leven na de dood van een dierbare. Lannoo, Tielt. Isbn 978-90-209-6986-3. 93 blz, euro 9,95.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden