Stevo Akkerman Beeld Trouw

column

Ik zie in Belgrado een stad met meer verleden dan toekomst, mijn dochter ziet juist kansen

Er moest een scriptie worden afgerond en het was ook weer hoog tijd voor een vader-dochterreisje, en zo zijn we in Belgrado terechtgekomen. 

Het is hier lelijk, stikheet en toch ook best aangenaam. Voor zover we niet aan het werk zijn, proberen we de stad een beetje te lezen, simpelweg door er te zijn, om ons heen te kijken en ons voor te stellen wat er gaande is in de levens van haar bewoners. Wat ­dragen ze met zich mee, de mensen die opgepropt met ons in de bus staan te zweten, en waar gaan ze naartoe, die nieuwe rijken die ons passeren in hun opzichtig dure auto’s?

Ik ben hier eerder geweest, alweer meer dan dertig jaar geleden, toen dit nog de hoofdstad was van een land dat Joegoslavië heette, socialistisch maar tegelijkertijd niet-gebonden, geen volbloeddemocratie, maar ook geen Oostblok-dictatuur. Nu is het Servië, een land dat oorlogen heeft gevoerd, in een isolement is geraakt en zijn voorsprong op de ooit communistische buren heeft verloren – en dat alles speelt natuurlijk door mijn hoofd als ik om mij heen kijk. En dan denk ik: dit is een stad met meer verleden dan toekomst. Maar mijn dochter ziet precies het omgekeerde: een plek vol kansen.

Wonden

Misschien is het gewoon het verschil tussen de generaties, wordt mijn blik te veel bepaald door de ballast van wat zich hier heeft afgespeeld en gijzel ik daarmee de toekomst. Of doen de Serviërs dat zelf? Ik zie grote spandoeken voor het parlement, vol met ­foto’s van doden uit de laatste oorlog, die met Kosovo. ‘Slachtoffers van UCK-terroristen en Navo-agressie’, staat erbij. Het boek is nog niet gesloten, de wonden nog niet geheeld, de rekeningen nog niet vereffend. 

Ik heb als reislectuur een artikel bij me uit De Groene ­Amsterdammer over de uitholling van de toch al wankele Servische democratie, over de corruptie en de armoede – en inderdaad, we hoeven de deur maar uit te stappen en daar is de markt waar mensen hun schamele waren uitstallen: een paar oude schoenen, een versleten rubberen kruik, een pakje kant-en-klare risotto.“Ooit, in de tijd van Joegoslavië, waren we welvarend”, zegt een wetenschapper in De Groene. “We keken neer op landen als Polen en Roemenië. En moet je nu eens kijken: ze zijn ons voorbijgestreefd.”

We gaan er met de bus naartoe, naar dat land van ooit. Lijn 40, halte ‘Museum van Joegoslavië’. Hier bevindt zich ook, in het ‘huis van bloemen’, het mausoleum van Tito, de man die levenslang president was, dat wil zeggen tot zijn dood in 1980. Er hangt een foto van zijn uitvaart, met leiders als Leonid Brezjnev, Erich Honecker, Saddam Hussein, Helmut Schmidt, Margaret Thatcher en Dries van Agt. Tito was niet alleen de man die zijn land bijeenhield, hij gaf het ook een voorname plaats in de wereld. 

Dat alles is weg. Dit museum is een huis van heimwee, waar mensen nog steeds boodschappen achterlaten voor hun vroegere leider. Hun dromen strekken zich uit naar het verleden, bedenk ik, en dat lijkt me niet gezond. En ik bedenk ook dat dat wel in meer landen het geval is.

Drie keer per week schrijft Stevo Akkerman een column waarin hij de ‘keiharde nuance’ en het ‘onverbiddelijke enerzijds-anderzijds’ preekt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden