Ik zal nooit die tanden en kraaloogjes vergeten

De vorige aflevering verscheen op 17 augustus.

Niue, waar Pahé woont, ligt duizend kilometer verderop. Het is een puist in de Pacific, een koraaleiland van 60 kilometer in omtrek en de buren op vijfhonderd zeemijl. Stranden zijn er niet, alle steen is koraal, dat steil naar beneden loopt. Verder geldt op de meeste Pacific eilanden een wet die het de bewoners verbiedt hun grond of hun huis te verkopen aan buiteneilanders; de voorouders liggen in de voortuin begraven. Gevolgen: geen toerisme, geen manier om geld te verdienen, leegstand. Er wonen zes maal meer Niuans in Nieuw-Zeeland dan op het eiland zelf, dat 2000 inwoners telt, verdeeld over twaalf dorpjes.

Dan overkomt me wat me al zo vaak onderweg overkomen is: toeval. Een reisbureau op een achterafweggetje adverteert met een speciale aanbieding: Niue voor de helft van de prijs. Ik boek, betaal, bel, en ben gelukkig. Pahé trouwens ook: met schelpenkettingen in zijn handen valt hij me om de hals. De laatste keer dat we elkaar zagen was toen we studeerden bij de Wereldraad van kerken in Zwitserland. Veertien jaar niet gezien!

Zelfs Boudewijn Büch en Paul Theroux hebben dit eiland nooit aangedaan. Er komt nooit iemand op deze plaats, dat het grootste koraaleiland van de aarde, maar ook het kleinste staatje ter wereld is. Niue ligt letterlijk in the middle of nowhere.

“Gelukkig dat je op dit uur gekomen bent, anders moest ik naar de kerk . . .” grapt Pahé. Wat krijgen we nou? Hij was toch dominee? “Allemaal verleden tijd” zegt-ie, “ze hebben me er uit gezet. Maar ik kan er zelf niet om treuren. Ik kwam uit Zwitserland terug als Mozes van de berg, met een hoofd vol grootse plannen en een stralend gezicht en bleek hier dus een vreemdeling geworden.” Pahés dochter is nu dertien. Zeheet Eca, afkorting van Ecumene Céligny, de plek bij bij Genève waar we gestudeerd hebben.

De eilanden in de Stille Oceaan zijn behoorlijk vroom: de zondagsrust is heilig. Twee of drie keer per zondag gaan ze hier ter kerke. Ik wil er toch ten minste één van meemaken dus neemt Pahé me mee. De vrouwen dragen wit met hoedjes, de mannen een net pak. Door de week is de kleding aanmerkelijk losser. Pahé gaat op zijn vaste plek zitten, twee rijen van achter. Zodoende verstaan we geen moer van wat voorin gepreekt wordt. Ik vermoed dat Pahé deze plek niet toevallig uitgekozen heeft. Hij grinnikt: “Dan kan ik eerder weg”.

Op Niue verloopt het leven langzamer; iedereen heeft tijd in overvloed. Mensen staan overal op straat de nieuwtjes uit te wisselen. Niuans zijn geboren vertellers, ze houden van plagerijtjes en sport.

“De naam van ons eiland, Niue? Daarover doen verschillende verhalen de ronde. Captain Cook noemde ons 'Savage Island', wildemanseiland, omdat we hem niet binnen wilden halen. Dat was in het midden van de vorige eeuw. Op de andere eilanden waren vreselijke ziekten uitgebroken na de aankomst van de blanken. Dus stonden we hem en zijn mannen op te wachten met onze door bananebloesem roodgeverfde gezichten. Trouwens, de ouderen noemden Cook en de zijnen 'alangi': dat wil zoveel zeggen als bleekgezicht. Cook droeg namelijk een hoed met zo'n brede rand tegen de zon, waardoor zijn gezicht veilig in de schaduw bleef. Datzelfde doen wij met onze bananen om te voorkomen dat ze bruin worden: we hangen er een doek, een palangi, overheen. Wij zijn dus bruin zoals God het bedoeld heeft; jullie heeft-ie te vroeg uit de oven gehaald, de negers heeft ie laten aanbranden. Maar die dag van Cook zagen we er bloedrood uit. Wij hebben hier nooit mensen gegeten, op dit eiland is dat nooit gebeurd - maar dat wist die palangi natuurlijk niet! Jij bent ook een palangi. Kun je niks aan doen. Moet je mee leren leven.

Enfin, Niue betekent: 'Kijk, kokosnoot!' We dreven handel met Samoa, en eens wat er een jongen van hier verliefd op een meisje van daar, maar haar pa was tegen omdat we hier nog geen kokosnoten hadden. Hij gaf hem er één mee als troostprijs, met de belofte dat als hij terug zou keren met twee, hij zijn dochter krijgen zou. Na zeven jaar komt de jongen terug met de roep: 'Niue! Niue!' Vandaar, Niue. Trouwens een andere keer hebben we die Samoans mooi te pakken gehad. Zij wilden onze kippen, wij hun kokosnoten. Die dagen ging je met je kano tot halverwege. Maar Samoans zijn niet te vertrouwen, dus hadden we in plaats van kippen uiltjes meegenomen: behalve bedriegers zijn die lui ook een beetje kippig. Enfin, gelijk oversteken, en ja hoor: we waren nog niet buiten gehoorsafstand toen ze 'Niueniue pulu, niue niue pulu' begonnen te roepen, wat betekende dat alle kokosnoten leeg waren: we kwamen er later achter dat ze leeggegeten en dichtgenaaid waren. Nou en toen wij: 'Moa moa lulu, moa moa lulu': Samoans zijn uilen. Als we bij elkaar zitten pesten we elkaar er nog mee. Mooi is dat.''

“Behalve voetkbal en rugby spelen we hier ook kili-kiki, en dat is een eeuwenoude sport met veel trekken, schoppen en een bal. Alle twaalf dorpen doen er aan mee met teams van minstens veertig mannen. Nou kan niemand hier echt tegen z'n verlies, dus staat er veel op 't spel. Ik kom van het ruigste dorp op Niue, en we moesten tegen Alofi, dat zijn de besten.”

“Pahé mag van mij niet meer meedoen”, onderbreekt Sita, zijn vrouw. “Elke keer dat ze ergens spelen is dat dorp verantwoordelijk voor eten en drinken, en ook dat gaat er ruig aan toe. Komen zij daarop hier, dan moeten wij hen natuurlijk in gastvrijheid nog eens overtreffen . . . niets voor mij, ik heb 't hem verboden . . .”

Pahé grinnikt. “Je hebt gezien dat ieder dorp een kerk heeft met een pastorie. Voor elke kerk is een grasveld. Daar gebeurt alles; vergaderingen, feesten, maar ook de sport. Elk team levert een scheidsrechter en van tevoren bespreek je de regels. Nou is er zo'n regel dat je vier punten krijgt als je de bal op de kerk trapt, en zes als je hem zo'n schop verkoopt dat ie over de kerk heen vliegt. Wij stonden achter en voelden de bui al hangen . . . dan geeft één van ons de bal zo'n hengst dat ie op het dak van de kerk belandt en eroverheen stuitert . . . 'Tien punten!' schreeuwt onze scheidsrechter. Wij juichen; we hadden gewonnen. 'Vier!' protesteert Alofi. Er kwam zo'n fantastische vechtpartij dat we er daarna tien naar het ziekenhuis moesten brengen. Maar de uitslag werd ongeldig verklaard en wij waren de helden.

De nacht voor de wedstrijd komt het team bij elkaar in een grot waar de trainer vertelt hoe we het gaan aanpakken. We slapen daar, het is lekker geheimzinnig. Je mag bij voorbeeld de hele week voor de wedstrijd niet met je vrouw vrijen of de hand aan jezelf slaan; de trainer vraagt er naar. En heb je 't toch gedaan, dan hang je.''

“Dan jok je toch een beetje” opper ik.

Pahé veert op: “Dat had je gedacht! Mooi dat je dan de dag van de wedstrijd zo'n bal in je kruis krijgt!”

U geschiede naar uw geloof . . .

Het water rond Niue is glashelder omdat er geen zand is, deze dagen nauwelijks wind waait en er geen water van het eiland af stroomt. Overdag snorkel ik. Vandaag hang ik als een vlieg aan het plafond en kan zo 120 meter naar beneden zien. Hele scholen van fantastische vissen cirkelen om mij heen. Dan gebeurt er iets ongelooflijks. Ik bevries. Mijn instinct reageert voordat ik besef wat er aan de hand is. Vlak bij mij duikt een haai op. Drie meter lang is ie. Ik zal nooit die tanden en kraaloogjes vergeten. Het is of ik de schaduw van de dood zag. Hij nadert me tot tien meter; dan draait hij zich om en slingert zich buiten beeld. Ik spartel naar de kust en laat me door een vloedgolf op het koraal spoelen. De echo is harder dan de klap. Ik ril over mijn hele lichaam.

Er komt een visser aangepeddeld. In zijn katamaran, die gemaakt is van uitgeholde boomstammen, liggen de geelstaartvisjes die ik daarnet nog heb zitten bewonderen. Tsja: toeristen genieten van de kleur, inboorlingen van de smaak. Kokosnoten aan de bomen, taro knollen in de tuin, vis in het water . . . Wat wil je nog meer? Hij biedt me een rauw visje aan. “D'r zitten hier haaien” mompel ik tussen neus en lippen door. Hij haalt de schouders op. “These creatures are harmles”, dat soort is ongevaarlijk; “Ze doen alleen wat als je er bovenop gaat staan.”

Ik ben een dikke week op Niue gebleven. Het was een hoogtepunt van mijn wereldreis. Het is het paradijs niet, ook hier gaan de bloemen nog dood, ook hier ligt de kerk ver achter. En ook hiervandaan vertrekken de mensen naar vreemde grond waar ze beter verdienen.

Maar ik heb een vriend op een plek aan de achterkant van de wereld. Dominee is hij niet meer, veel bezit hij niet, maar van wat hij heeft, heeft hij me gegeven: tijd, twijfels, vriendschap en verhalen.

Dat gaat nooit meer naar de haaien.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden