Ik wist niet wat ik hoorde

We leven in een onverdraaglijk schizofrene wereld, vindt filosoof Karin Melis. Onverdraaglijk, omdat we kennelijk koste wat kost de zaak kloppend willen maken. En dus ook de kloof tussen geloof en wetenschap willen overbruggen. Maar waarom zou je dat eigenlijk willen?

’Bere’sjit bara elohiem et hasjamajim we et ha’aretz.’ Een mooier lied kan de aarde niet zingen. Je moet het horen om te ervaren dat hier iets gebeurt.

De eerste keer voor mij was toen ik bijbels Hebreeuws kreeg onderwezen door Piet van Midden aan de toenmalige Katholieke Theologische Universiteit te Utrecht. Die eerste verzen van Genesis, want verzen zijn het, schiepen een wereld. Van Midden vertelde van een rabbijn die nooit verder kon reciteren dan vers twee. In vers drie komt God voor de allereerste keer te spreken. Bij het naderen van de directe, goddelijke rede stroomden de rabbijn de tranen over de wangen.

Meer dan eens zei de docent: de Bijbel moet je, bij voorkeur samen, hardop lezen. Het liefst in de oorspronkelijke taal natuurlijk. Dan merk je hoe er gespeeld wordt met de klanken. En inderdaad: al verstond ik er geen jota van, ik kon letterlijk horen hoe verweven betekenis is met de klank van woorden. Tohu wabohu – de woestheid komt tot leven in een schamel collegelokaal.

Met veel misbaar toonde Van Midden zijn publiek hoe God het water scheidde, daarmee ruimte scheppend. Het water, dat is het ongeschapene: de chaos. Dat wisten de Israëlieten ook, toen ze de Egyptische slavernij verlieten en met angst en beven halt hielden aan de Rietzee. Mozes scheidde het water teneinde hen uitgeleide te doen. Vandaar ook dat Jezus over het water van het meer van Galilea liep: hij hield de chaos, de dood, eronder. Jezus maakte ruimte voor het leven, zoals God dat doet.

Het luisteren naar die raspende keelklanken en het lezen van die onbegrijpelijke tekens brachten een vreemde wereld voort die tegelijkertijd vertrouwd was. Het was een wereld van herstel. Het was heilzaam. Alles klopte weer.

Vele malen heb ik die allereerste verzen van Genesis moeten vertalen. Ik wist wat er stond, maar toch moest ik elk teken binnenste buiten keren om dieper en dieper die wonderbaarlijke wereld binnen te kunnen dringen. Het is zuivere poëzie. Een wereld geschapen door het woord. God zei: „Er moet licht komen.” En er was licht.

Parallel aan Hebreeuws volgde ik een college bijbelwetenschappen waarin al het schriftuurlijk geschapene met archeologische precisie teniet werd gedaan. Docent Panc Beentjes hield ons troostend voor: „Wat waar is, hoeft niet echt gebeurd te zijn.” Met aandoenlijke ernst werd het bestaan van talloze bijbelse personages naar de andere wereld geholpen.

Het schriftuurlijke reisverslag van aartsvader Abraham werd in de fysische werkelijkheid op de voet gevolgd. Nee, de archeologen hebben geen enkel spoor van zijn bestaan kunnen terugvinden. De aartsvader heeft nooit op die of die plaats kunnen zijn. Er werd over Abraham gesproken alsof hij in levenden lijve in ons midden was.

Ik werd er een beetje schizofreen van. Hoe kun je iets ontkrachten waarmee het spreken zo doorspekt is?

We leven sowieso in een onverdraaglijk schizofrene wereld. Onverdraaglijk, omdat we kennelijk koste wat kost de zaak kloppend willen maken. Anders kan ik niet verklaren waarom het debat tussen geloof en wetenschap zo’n ophef veroorzaakt.

Ik vind het een non-issue. Hier binden twee onvergelijkbare grootheden de strijd aan met elkaar. Een gelovige haalt hoe dan ook bakzeil, want het natuurwetenschappelijke denken is anno 2009 dominant. Dat betekent onder veel meer dat bewijsvoering een belangrijk agendapunt is. Dat lukt niet.

Je kunt het bestaan van God niet empirisch verifiëren als ware het een experiment dat je kunt herhalen. Ik heb de godsbewijzen die vooral in de Middeleeuwen in zwang waren altijd een kwestie van slechte smaak gevonden: een gelovige moet niet in het gevlij willen komen bij afgodendienaren. En ook niet bij de geleerden, noch bij hun institutionele opponenten die evenzeer goede sier willen maken. Dit ligt allemaal nogal voor de hand.

Wat mij treft, is dat dit calculerende, wetenschappelijke en analytische denken zo maatgevend is in wat ik gemakshalve het publieke debat noem. En wel zodanig dat je voordat je het weet in het natuurwetenschappelijke taaldomein zit. Alleen binnen die termen word je gehoord – terwijl het geloof zich per definitie daarin niet kan uitdrukken.

Een mooi voorbeeld van deze Babylonische spraakverwarring is een ’zingevingtraject’ dat kennelijk in het financieel kloppende hart van de Amsterdamse Zuidas gaande is. Op een zondagochtend hoorde ik via mijn radiowekker dat zodra betekenisgeving meetbaar is – en zo ver zijn we daar niet van verwijderd, verzekerde een enthousiaste stem – we met de financiële wereld aan de slag kunnen. Want zolang betekenis niet meetbaar is, bestaat het niet.

Ik wist niet wat ik hoorde. Als betekenis ergens niet gedijt dan is het wel binnen het natuurwetenschappelijke kader. Hoe mechanischer de bril waarmee ik de wereld bezie, hoe minder betekenis een kans krijgt.

Maar op het moment dat ik mijn hoofd boog tijdens de boeteviering, een paar dagen geleden, en de handen mij werden opgelegd, doortrok de paradox van het bestaan door mijn lijf en leden. „God maakt een nieuw begin van vrede voor jou.” Die woorden woelden berouw naar boven, om tekortschieten en verkeerd doen. Ze brachten me in één enkele beweging tot mezelf. Er is geen oorzakelijk verband tussen berouw en bevrijding.

Als ik wittgensteiniaan was dan zou ik zeggen dat de gelovige en de natuurwetenschappelijke ’taalspelen’ elkaar uitsluiten waardoor een discussie tussen beide onzin is. Je moet geen appelen met peren vergelijken. Want wat zie je dan? Het eigen gelijk wordt verbeten ingezet. De ander moet hoe dan ook worden overgehaald.

Het aardige is dat zelfs de Verlichting niets aan deze menselijke geneigdheid heeft kunnen doen. Kennelijk schiet de ratio tekort als het gaat om overtuigingen. Daarom moet de dialoog, welke dialoog dan ook, wel spaak lopen. Atheïsten vliegen Urks geteerde gelovigen in de haren en vice versa. Dat is van alle tijden en dat zal altijd zo zijn.

Althans? Waartoe zou je eigenlijk wie dan ook willen overtuigen? Waarheden van het hart kun je immers niet vernietigen.

God zei: „Er moet licht komen.” En er was licht. Het zijn onnavolgbare oude woorden, die onze aarde dragen. Geen nieuw ritueel – op zichzelf al een contradictio in terminis – kan die woorden vervangen. Zo’n ritueel is wankel en vluchtig, niet verankerd in een tijd waarin jij er nog niet was.

De eerste zinsnede van het Credo daarentegen (’Ik geloof in God, Schepper van hemel en aarde’) bestaat uit taal die ontrukt is aan het tijdelijke. Zoals de zoon die aan zijn kwijnende vader vroeg: „Is je huis bereid?” De zoon leende die woorden van de Schrift. Alleen daar kon hij zijn vader bereiken. Alleen daar worden hemel en aarde geschapen. Dan worden armen wijdgespreid om het ongeschapene even buiten de deur te houden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden