'Ik wil een echt mens op toneel, niet een aangeklede acteur'

“Ik heb dat nooit eerder meegemaakt, dat een rol je zo beheerst dat je je handen eraan vol hebt. Ik heb geen idee hoe de voorstelling wordt. Ik kan bijna niks zien, ben steeds bezig. Van Thomas Bernhard heb ik ook twee grote rollen gespeeld, 'Minetti' en 'De President', maar daar kun je meer afstand van nemen. Bernhard zou je retorische kunst kunnen noemen, terwijl Tennessee Williams eerder psychologisch realisme is. Zijn stukken zijn treurige verhalen met een plot en echte dialogen.” 'Tramlijn Begeerte' gaat vanavond in première in de Toneelschuur in Haarlem.

HANNY ALKEMA

Regisseuse Matin van Veldhuizen was meteen enthousiast over Cas Enklaars Blanche-droom en was het met hem eens, dat het stuk dan alleen door mannen bezet moest worden, anders zouden er rare verhoudingen ontstaan. Naast Enklaar speelt Laus Steenbeeke de rol van Blanche's zusje Stella, bij wie Blanche intrekt om het rumoer omtrent scandaleuze uitspattingen in haar geboorteplaats te ontvluchten. Marcel Faber is Stella's echtgenoot Stanley Kowalski, die het angstvallig geheimgehouden verleden van zijn damesachtige schoonzuster onthult en haar daarmee de kans ontneemt op een nieuw begin met zijn vriend Mitch, gespeeld door Tjeerd Bisschof.

“In wezen maakt het niet uit, een man of een vrouw”, zegt Cas Enklaar, “je kunt alles spelen, maar voor de anderen was het gekker. Het is tenslotte mijn keuze en niet de hunne. Zij zijn erin gestapt, omdat ze het leuk vonden, al hadden ze er in het begin van de repetities wel even moeite mee. Laus zei: ik weet helemaal niet waarom ik dit doe. En Marcel vroeg: wat moet ik; ben ik nou homo of val ik op Blanche? Eigenlijk is 'Tramlijnbegeerte' een soort dierenimprovisatie. Een krachtmeting tussen twee wezens die niets met elkaar hebben, maar die zich op elkaars territorium bevinden. De ruwe macho Stanley tegenover die vrouw Blanche, die intelligent is en kapsones heeft. Ik denk dat er vanaf het begin een onverzoenlijke haat, een diepe afkeer tussen die twee bestaat.”

“In 'Tramlijn Begeerte' gaat het over cultuur tegenover natuur, over het recht van de sterkste tegenover de nuance. In Blanche's monoloog herken ik het verdedigen van de eigen cultuur, het gevoel dat stijl en smaak door omgang met waardevolle dingen gecultiveerd zijn. Ik had als kind al het gevoel: ik ben misschien niet mooi, maar wel bijzonder, om mijn geestesleven. Ik ken het leven uit boeken en films. Ik ben gevormd door wat ik gelezen en gezien heb. Op de toneelschool zei iemand: hij is niet zo goed, maar hij heeft wel iets intrigerends.”

Dat het een acteur is die Blanche speelt wordt in Carrousels interpretatie, zo is tijdens een doorloop te zien, verdoezeld noch benadrukt. Cas Enklaar heeft van huis uit een hoogst elegante manier van bewegen. Hij draagt een kostuum gecombineerd met een dun hemdjurkje, waar het borsthaar onbekommerd bovenuit piept. Als hij zijn colbertje uittrekt dwarrelen zijn lange, slanke armen met een delicate bevalligheid door de lucht. Enkel een iets te gejaagd zinnetje of een even te snel heen en weer schietende blik doen een zweem van nervositeit vermoeden onder het zorgvuldig gekoesterde masker van fijnbesnaarde koketterie. Enklaars Blanche is fier en kwetsbaar.

“In de figuur van Blanche”, zegt hij, “zit veel wat je als nicht herkent. Het promiscue en ook het queen's gedrag. Er zijn absoluut parallellen met de travestietenwereld. De angst voor de onbarmhartigheid van daglicht, het nachtvlinderachtige dat alleen gedijt bij kunstlicht. Een heel theatrale wereld. Het idealiseren van de zuiverheid van liefde past daarin - dat haar eerste man dood is, maakt dat voor Blanche gemakkelijk - naast de praktijk van het bevredigen van haar seksuele behoeftes via de losse contacten in Hotel Flamingo. Prachtig en vreselijk.”

“Dat ik graag vrouwenrollen speel, me met vrouwen identificeer, zal wel met mijn moeder te maken hebben, maar is vooral aantrekkelijk door de ingebouwde afstand. Je speelt iets wat je zelf niet bent. Daardoor kun je met enige afstand naar mannen- en vrouwengedrag kijken. Het dondert je uit het cliché. Net zoals ik vroeger bij Werkteater vaak oudere, ordinaire mannen en vrouwen speelde. Als het maar niet te maken had met mijn eigen leeftijd en persoon; was natuurlijk ook een vorm van onzekerheid. Maar vrouwenrollen heb ik altijd gedaan zonder mezelf te veranderen. Nooit een pruik, nooit de haren van mijn benen geschoren. Tegen Joop (Admiraal), die daar anders mee omgaat, zei ik: je wordt toch nooit een vrouw. Ergens ben ik natuurlijk wel een travestiet, die het heerlijk vindt op toneel op hakjes te lopen, maar daarmee zit je snel vast in een patroon. Het is een bevrijding om dit nu zonder hakjes en pakjes te doen. En pruiken is eigenlijk altijd net te veel, letterlijk: meer haren dan je zelf hebt.”

“Je kunt het realisme noemen. Ik wil een ècht mens zien en niet een aangeklede acteur. Daarom houd ik niet van door een kostuumontwerper gemaakte fantasiekleren. Ik draag het liefst kleren uit mijn eigen kast. Blanche's pak is hetzelfde pak dat ik in 'Het Portret van Dorian Gray' heb gedragen. Ik wilde geen nieuw kostuum. Voor een deel is het zuinigheid, maar voor mij is het prettige juist dat het gedragen is. Het heeft met dat echt te maken. Ik bewaar en gebruik alles. Zoals in het geval van het pakketje brieven van Blanche. Daarvoor heb ik eigen 'uitmaakbrieven' gebruikt. Nadeel is dat je spullen na afloop beduimeld terugkomen, maar niks is echter dan brieven die je ook echt over de post hebt gekregen.”

“Het moment dat ik speel, ervaar ik als echt. Dus mag niemand die illusie doorbreken. Mensen die aanwijzingen fluisteren op het toneel kan ik wel vermoorden. Het zal wel een soort inleving zijn, al heb ik altijd beweerd dat ik daar niet aan doe. Ik sta daar niet als werktuig, dienstbaar aan de auteur. Ik laat Cas Enklaar zien, die de ene of andere rol speelt. Noem het maar performance-art.”

“Ik wou van jongsaf graag naar toneel. Als klein kind ging ik de straat op in vrouwenkleren en werd uitgejouwd. Dat zou ik maar niet meer doen, zei mijn vader toen ik geschokt thuiskwam. Daar ligt, denk ik, de basis voor mijn verwantschap met de verguisde Blanche. Op school speelde ik veel. In de krant - we hadden thuis de Telegraaf - las ik alle recensies. Mijn moeder had dat ook, een soort culturele instelling. Zij nam mij op mijn veertiende voor het eerst mee naar een voorstelling. Van Centrum, dat toen nog Puck heette. Ik hield ook veel van literatuur. Van mijn opa had ik de werken van Vondel geërfd. Die las ik mezelf hardop voor. Op de toneelschool werd ik de eerste keer afgewezen. We vonden dat je absoluut geen talent had, zei directeur Willy Pos.”

“Ank van der Moer hield niet van mij: ik was niet exuberant genoeg. Ik had het gevoel dat je er gevormd werd naar het beeld van de acteurs van de Nederlandse Comedie. Dat je je eigen persoonlijkheid en ideeën in een rol kon leggen, bestond nog niet. Hoe Russischer je kon worden bij Tsjechov, hoe beter. Erik Vos werd toen een openbaring. Improvisaties bestonden nog niet, maar hij had daar een systeem met praktisch toepasbare oefeningen in ontwikkeld. Hij liet je bijvoorbeeld iemand op de rug nemen die jou steeds stompen moest geven. Zo leerde je, los van tekst, pijn te spelen. Het was toverachtig. Met niets, met een enkel rekwisiet en je fantasie kon je hele werelden oproepen. Bij die man ben ik voor het eerst gaan bloeien. Bij Werkteater heb ik dat later verder kunnen ontwikkelen.”

“Het leukste vind ik om dingen zelf te maken en me overal mee te bemoeien. Daarom was Werkteater zo geweldig, omdat we daar alles zelf deden. Zelfgemaakte projecten hebben, ook daarna, het meeste succes gehad: 'Een avond met Joan', over Joan Crawford, 'Dorian Gray', 'Bas en Elze kijken terug' met mijn vriendin Elsje Ingeborg Smits, het Kafkaproject 'Brief aan vader', wat een idee was van regisseur Ernst Braches.” Voor die (solo)rol kreeg Cas Enklaar in 1994 de Albert van Dalsumprijs.

“Ik bemoei me nog altijd met alles. Bij Toneelgroep Amsterdam zeiden ze: waarom ga je niet regisseren. Bij Werkteater heb ik het een paar keer gedaan, al noemde ik dat op papier 'ingestudeerd onder leiding van' en zat ik op de tribune alleen maar te lijden. Spelen vind ik toch het heerlijkste. Regisseren is niet mijn ambitie. Ik ben te veel een twijfelaar, neem nauwelijks besluiten, ben meer iemand van 'ook' en 'ofschoon'. Niet als ik speel, dan neem ik razendsnel besluiten en kom met ideeën waar een ander iets mee kan. Dat geeft me bij het lesgeven op de toneelschool ook een vanzelfsprekende autoriteit. Van spelen weet ik gewoon iets af.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden