Wessel te Gussinklo aan de keukentafel waar hij in een schriftje zijn verhalen schrijft, bij kaarslicht.

InterviewWessel te Gussinklo

‘Ik wil de mensen veroveren met wat ik schrijf, maar niet door te pleasen’

Wessel te Gussinklo aan de keukentafel waar hij in een schriftje zijn verhalen schrijft, bij kaarslicht.Beeld Arie Kievit

Na een moeizaam begin van zijn carrière wint schrijver Wessel te Gussinklo prijs na prijs. Een kijkje in de keuken bij de schepper van intense romans vol complexe emoties. ‘Zó moet ik schrijven, anders kan ik het wezenlijke niet omcirkelen.’

Drie uur ’s middags, de schrijver is net uit bed. Wessel te Gussinklo, 78, slaapt slecht. Hij hanteert een eigen dagritme. Na een rotnacht zit hij vermoeid aan de keukentafel in zijn afgelegen villa in Kamperland, middenin de Zeeuwse polder. Echtgenote Odilia schenkt koffie. Hond Lilibeth boort haar natte snuit gretig in het kruis van de journalist. “Welkom”, bromt Te Gussinklo met zijn rokerige basstem.

“Aan deze keukentafel zit ik altijd te schrijven”, vervolgt hij nippend aan zijn koffie. “Vandaar de slijtplekken op de rand.” Hij steekt een peuk op en wijst op zes blauwe schoolschriftjes. Ze liggen tussen een aantal sloffen sigaretten op tafel en blijken volgekalkt met een regelmatig maar lastig leesbaar handschrift in balpeninkt, nagenoeg zonder doorhalingen. Het is Te Gussinklo’s nieuwe roman in wording: het vierde en laatste deel van zijn veelgeprezen cyclus rond hoofdpersoon Ewout Meyster.

Wessel te Gussinklo (1941) studeerde psychologie in Utrecht en in Zürich. Rond zijn twintigste begon hij met schrijven. In november ontving hij de Bookspotprijs.

Voor deel drie, ‘De hoogstapelaar’, ontving de schrijver afgelopen maand de Bookspotprijs van 50.000 euro. Het titelwoord ontleende hij aan Thomas Manns roman ‘Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull’ (‘Felix Krull: ontboezemingen van een oplichter’). “De term betekent zoveel als leugenachtige opschepper. Ewout is een opschepper, een overbluffer, een bedrieger. Het klopt helemaal.”

Ewout groeit in de romanreeks gekweld op. Een kunstenaar in de dop, zonder dat hij het beseft. In deel 1, ‘De verboden tuin’, begint hij als kereltje van negen: eenzaam, gevoelig en vluchtend in sadistische fantasieën. In deel 2, ‘De opdracht’, gaat hij als veertienjarige op een zomerkamp voor kinderen die door de oorlog zijn getraumatiseerd. Hij probeert aanzien te verwerven, maar oogst vernedering. In ‘De hoogstapelaar’, eind jaren vijftig gesitueerd, doet de inmiddels zeventienjarige Ewout ­opnieuw alles om bewondering af te dwingen. Hij bluft, dweept met Sartre’s existentialisme en berispt zijn vrienden om hun sukkelige of nichterige gedrag. Zo verwerft hij enig gezag, maar dat blijkt van korte duur.

Te Gussinklo’s werk wordt door vakgenoten en recensenten hogelijk geprezen om de originaliteit en intensiteit. Niet het verhaal of de handeling staat centraal, maar de emotie. De lezer stroomt mee op een monologue intérieur, die gekleurd wordt door allesoverheersende gevoelens: wanhoop, angst, vertwijfeling, woede, minachting, walging… En soms vertedering, rust of zelfs vrede.

De schrijver moest lang op erkenning wachten. Op zijn 22ste schreef hij zijn eerste roman, maar die werd nooit uit­gegeven. Er volgde een periode van desillusie, drank en kroegbezoek. “Mijn 33ste was mijn year of crucifixion. Nu moet ik kiezen, dacht ik: of ik verloeder verder, of ik houd nu op met drank en drugs – alleen met roken ben ik doorgegaan, anders redde ik het niet – en ik probeer een leven op te bouwen.”

Hij begon te schrijven aan ‘De ver­boden tuin’. Als een bezetene ging hij door, twee jaar achtereen. In 1978 was het boek klaar, maar geen uitgever wilde het publiceren. Een ramp. “Ik kon niet verder schrijven toen het beste wat ik te bieden had werd geweigerd”, vertelt Te Gussinklo. “Zit ik dan zo fout, vroeg ik me af. Moet het helemaal anders? Hoe dan? Als ik boeken van andere schrijvers inkijk, vind ik die niet beter, eerder minder. Hoe kan dat nou? Relaties, vriendjes: daar draait het om, ontdek je later. Ik verkoop mezelf niet genoeg. Ik aai niet voortdurend mensen en deel geen kopjes uit.”

Te Gussinklo moest tien jaar wachten tot uitgeverij Meulenhoff het boek na een eerdere weigering alsnog uitbracht. De kentering was te danken aan journalist en schrijver K. L. Poll. “Ik had hem mijn boek opgestuurd. Hij antwoordde in een brief dat hij er buitengewoon enthousiast over was en zich ervoor ging inzetten. Hij vond de stijl mooi: Couperus-achtig. Toen publiceerde Meulenhoff het boek alsnog. Meteen kreeg ik de Anton Wachterprijs en een debutantenbeurs. Geweldig! Die brief van Poll was misschien het gelukkigste moment van mijn leven. Het voelde letterlijk als ‘Het zingend hart’, naar het dichtbundeltje van Gerard Reve. Eindelijk, op mijn 44ste!”

Beeld Arie Kievit

Deed de nieuwe erkenning van de ­Bookspotprijs u veel?

“Meer dan ik had verwacht. Altijd gedacht: het interesseert me niks, want ik heb al aardig wat prijzen gekregen. Publieksprijzen vind ik onzin: totale willekeur. Maar achter deze prijs zat een zware jury. Ze hebben niet gekeken wat goed verkocht of maatschappelijk relevant was, want dan had Manon Uphoff moeten winnen, vanwege #MeToo. Nee, ze gingen voor literaire kwaliteit. Daar was ik heel tevreden over. Dank u, jury!”

Ondanks alle prijzen bent u geen grote publieksschrijver. Droomt u nooit van een bestseller?

“Ik zou best een bestseller willen schrijven, maar ik heb geen zin om daar lawaai voor te maken. Jan Siebelink, een vriend, trad drie tot vier keer per dag op toen zijn ‘Knielen op een bed violen’ was verschenen. In vrouwenclubs, bij bibliotheken, weet ik wat. Een BMW met chauffeur had-ie. Ik zou het geweldig vinden om zo bewonderd te worden, maar heb ik het ervoor over? Er zijn schrijvers die de helft van hun tijd besteden aan zelfpromotie. Joost Zwagerman zat in alle tv-programma’s. Daar moet ik niet aan denken. Ik wil de mensen veroveren met wat ik schrijf, niet door te pleasen en naar hen toe te kruipen. Zij moeten naar mij toe komen.”

Kunnen we Ewout Meyster zien als uw alter ego?

“Toch wel, zeker in ‘De hoogstapelaar’. De eerste twee boeken zijn weliswaar met mijn temperament geschreven, maar daarin sta ik iets verder van de hoofdpersoon af. Het ventje uit ‘De hoogstapelaar’ is aardig aan mij verwant, al blijft het een roman. Ik had inderdaad dat soort vriendjes op wie ik commentaar leverde, ik hield op straat toespraken en ik liet mijn vrienden thuis op spreekuur komen om hen bij te sturen. Die vriendjes vonden mij een genie, daar gedroeg ik me ook naar.

“Bewondering, ja, ik wilde dolgraag bewonderd worden. Zeker toen mijn schoolcarrière mislukte. Geen school wilde mij langer dan een jaar hebben, ik werd overal afgetrapt. Ik was vrij vervelend.”

Ewout heeft ook onhebbelijke trekjes. Waarom wil hij zijn omgeving zo graag domineren?

“Ewout voelt de dwingende blik van de anderen, die hem proberen te vormen. Zijn voortdurende vraag is: hoe kan ik greep krijgen op de wereld die mij wil vermorzelen en uit mijn eigen spoor wil duwen? Hoe kan ik mijn omgeving zo veel mogelijk sturen, zodat ik geen stootkussen of speelbal word? Ewout gaat tegen de externe krachten in. Hij schept zichzelf met zijn daden. Dat maakt hem complex en interessant. Personages van andere schrijvers blijven vaak van papier-maché.”

Dit klinkt als de levensfilosofie van Sartre, naar wie de roman veel verwijst.

“Ja, het was alsof Sartre zijn werk voor mij had geschreven. Op school vertelde een leraar Frans ooit over de blik van de anderen, geschapen worden door je omgeving, iets waar je je aan moest ontworstelen. De schok der herkenning! Aha, dacht ik, ik ben niet alleen op de wereld. Er is nog iemand die zo denkt als ik.

“Ik las Sartre voor het eerst op mijn zestiende – daarna nooit meer, want ik vond het een akelige schele rat met z’n communisme. Ik probeerde ‘L’être et le néant’ te lezen, in het Frans, een halve zomervakantie lang. Op bladzijde 47 ben ik opgehouden, want ik begreep ik er niets meer van.”

Dankzij Sartre kon u zichzelf weer waarderen?

“Ik dacht als pubertje dat ik een soort paria was, een melaatse. Ik voelde me geniepig, alsof ik een rol speelde, terwijl al mijn leeftijdgenoten gewoon zichzelf leken. Zij hielden van hun ouders, broertjes en zusjes, en ik voelde zulke dingen niet. Mijn moeder was een echte zakenvrouw. Ze had de juwelierszaak overgenomen, nadat mijn vader in de oorlog was overleden. Ze was altijd aan het werk om haar verdriet te beteugelen. Ik zag haar alleen bij het ontbijt, en soms kwam ze me nog even welterusten zeggen. Een rommeltje waren mijn gevoelens voor haar, zoals voor iedereen; niet dat heldere dat anderen leken te hebben. Alleen door gewoontevorming en gewenning was er een band.

“Dat kwam allerminst doordat ik me tekortgedaan voelde. Voor mijn vrienden had ik ook geen heldere gevoelens. Je kon samen leuke dingen doen, dan vond ik ze aardig en bruikbaar, meer niet. Sartre beaamde in feite dat er geen eenduidige gevoelens bestonden, hooguit een chaotische mix van emoties waar een zekere richting in zat. Ik voelde me daardoor ineens verlost en gerechtvaardigd. Ik was dus niet gek!”

Ewout verliest als driejarige zijn vader, een verzetsstrijder. Hij ziet hem vluchten over de schutting, schetst u in ‘De verloren tuin’. Vlak daarna wordt zijn vader door de Duitsers doodgeschoten. Heeft u het net zo meegemaakt?

“Ja, die kinderherinneringen zijn honderd procent autobiografisch. Zoals mijn vader over de schutting klom, dat is het laatste dat ik van hem heb gezien. Hij is 7 oktober 1944 doodgeschoten, strandrechtelijk. Zijn lijk moest 24 uur op straat blijven liggen, ter afschrikking. Traumatisch? Nee, niet dat ik weet. Twee maanden later vierden we al weer Sinterklaas. Ik kreeg een houten treintje van papa uit de hemel. Ik was verbaasd. Waarom komt hij het zelf niet geven? Nou, nu papa in de hemel is, kan hij niet meer terugkomen, dat vindt de Here Jezus niet prettig. Ik vond dat raar, maar heb me er als geboren realist vrij snel bij neergelegd.

“Niet onmiddellijk trouwens. Ik heb nog een paar dagen gedacht aan de bijbeltekst over Jacob en de ladder die naar de hemel reikt. Ik ben als driejarige in de tuin aan de slag gegaan met een ladder, maar ik zag niks. De hemel was veel hoger dan de bomen en er was ook geen luik of iets dergelijks. Tja, het was dus toch onmogelijk.”

Heeft u als schrijver veel profijt van uw Zwitserse opleiding in de psycho-analyse?

“Nee, de psychologie heb ik juist moeten afleren. Psychologie is een rationalisering, een vervreemding in structuren van het ongrijpbare zijn. Het draait in mijn boeken om de emotie, om de ervaring van het wezenlijke. Als je dat rationaliseert, krijg je een veel te sterke vereenvoudiging. De sadistische fantasieën uit ‘De verboden tuin’ komen wel deels uit mijn opleiding, uit casussen van patiënten.”

U schrijft vaak met krachtige uitroepen en korte zinnen in staccato taal. Of juist met lange zinnen, waarin ­bepaalde ­passages tussen soms wel drie haakjes staan. Vanwaar deze aparte stijl?

“Ik schrijf muzikaal en vloeiend om de emotie vast te houden. Een gevoelskwestie, er zit geen beredenering achter. Mijn stijl is door noodzaak ontstaan. Zó moet ik schrijven, anders kan ik het wezenlijke niet omcirkelen. Wat is het bestaan? Wat is leven? Wat is de werkelijkheid? Je kunt dat raadsel nooit oplossen, alleen omcirkelen en benaderen vanuit diverse hoeken.

“Mulisch zei het mooi: Je moet náást de ster kijken, dan zie je hem het scherpst. Hopelijk krijg je als lezer het gevoel dat je dicht in de buurt komt van dat ongrijpbare bestaan, van dat moeras van aanwezigheid waarin je een klein slingerend paadje moet zien te vinden. Dat is de ervaring van leven die ik wil benaderen.”

Lees ook:

Recensie van Rob Schouten: ‘Ewout Meyster is nog steeds labiel en hooggestemd’

In 1995 kwam Wessel te Gussinklo met een roman die ik als een van de beste uit de naoorlogse Nederlandse literatuur beschouw: ‘De opdracht’, een jongensboek voor volwassenen. Zijn vervolg ‘De hoogstapelaar’ is een prachtige opvolger. Met zijn zuigende, repetitieve stijl schildert Te Gussinklo de innerlijke gesteldheid van zijn hoofdpersoon op weergaloze wijze.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden