Ik werd Christus

Het graf van Nikos Kazantzakis op de Venetiaanse vestingwerken van Iraklion. ( FOTO JOHAN SNEL)

Ooit was er een speciale band tussen Nederland en Nikos Kazantzakis, schrijft de historicus Johan Snel. In de jaren vijftig en zestig was de ’godslasterende’ Griekse auteur in Nederland zeer populair. „Zijn denkwijze sloot kennelijk wonderwel aan bij een tijdgeest die zich peinzend begon af te vragen wat de Christusfiguur voor die tijd te zeggen kon hebben.”

Toen Paul verhoeven dit najaar zijn Jezusbiografie presenteerde en er onmiddellijk bezwaren tegen zijn boek rezen, gingen de gedachten meteen terug naar die andere rel van precies twintig jaar geleden. De ophef rond ’The last temptation of Christ’ van regisseur Martin Scorcese duurde het hele najaar van 1988 en straalde ook af op de schrijver van het boek achter de film, al was hij toen allang overleden.

De Griekse schrijver Nikos Kazantzakis (1883-1957) had bij zijn leven te maken met beschuldigingen van godslastering. Als jonge, romantisch angehauchte kunstenaar liep hij rond met plannen om een nieuwe wereldgodsdienst te beginnen. En het Vaticaan hielp de mythe een handje door zijn roman over Christus’ laatste verzoeking op de befaamde index van verboden boeken te plaatsen.

Op Kreta, waar Kazantzakis werd geboren en begraven, is hij een grootheid. Het vliegveld van Iraklion draagt zijn naam. En zeker vier musea op het eiland houden zijn naam levend, van het Historisch Museum in de hoofdstad met een aan hem gewijde afdeling (dit najaar loopt er zelfs een extra tentoonstelling over zijn talloze reizen) tot het Kazantzakismuseum in Varvari. Dat laatste museum neemt een flink familiehuis in beslag aan het pleintje van het hooggelegen dorpje even ten zuiden van Iraklion. Varvari, ook wel Myrtia geheten, is het stamgebied van de Kazantzakissen. Er zijn verder geen toeristische attracties en wie er komt, komt voor de schrijver. Toch wordt in de filmzaal van het museum, na een snelle taxatie van de bezoekers, probleemloos overgeschakeld op een Nederlands ingesproken versie van de documentaire.

Eens, ooit, was er een speciale band, tussen Nederland en Nikos Kazantzakis. Een halve eeuw geleden, in de jaren vijftig en zestig, was Kazantzakis hier te lande een van de meest gelezen schrijvers. Een hele generatie moet gebiologeerd zijn geweest door zijn roman ’Christus wordt weer gekruisigd’, het boek ging bij honderdduizenden over de toonbank. Het waren de jaren vóór de culturele revolutie en de grote leegloop van de kerken. Kazantzakis denkwijze sloot kennelijk wonderwel aan bij een tijdgeest die zich peinzend begon af te vragen wat de ’Christusfiguur’ voor deze tijd te zeggen kon hebben.

Eind 1952 kwam de schrijver een paar weken voor een specialistische behandeling naar Nederland. Hij lag in Utrecht in het ziekenhuis. In oktober, net een maand voor zijn komst, was de Nederlandse vertaling van ’Christus wordt weer gekruisigd’ verschenen en ingeslagen als een bom. Nog tijdens Kazantzakis’ Utrechtse verblijf volgden de tweede en derde druk. De Nederlandse kranten stonden er vol mee, extra aangewakkerd door berichten over de plotselinge aanwezigheid van de schrijver in ons land.

Eind november schreef Kazantzakis vanuit een wit besneeuwd Utrecht aan een vriend over de spontane toeloop aan zijn bed. De gesprekken gingen vooral over zijn nieuwste roman: ’De laatste verzoeking (van Christus)’. De ontboezeming tekent de schrijver ten voeten uit: „Hier in Nederland heb ik boeiende discussies met predikanten gevoerd over de theologische kant van mijn werk. Sommigen waren geschokt bij het idee dat Christus verzoekingen had gekend. Maar terwijl ik het boek schreef, voelde ik wat Christus voelde. Ik werd Christus. En ik wist eens en voor al dat grote verzoekingen, uiterst aanlokkelijk en vaak ook legitiem, hem hadden gekweld op zijn weg naar Golgotha. Dat konden die theologen natuurlijk allemaal niet weten.”

Dat Kazantzakis zich letterlijk met Christus identificeerde, zegt veel over de stemming waarin hij zijn bekendste romans schreef. Zijn hele leven bewandelde hij al met voorliefde het ’pad naar boven’, zoals hij het zelf graag omschreef, en in zijn late jaren wekte hij soms de indruk de mensheid een eindje te zijn ontstegen. En inderdaad, inmiddels had behalve de Griekse ook de Noorse schrijversbond hem voorgedragen voor de Nobelprijs voor de literatuur. Want Kazantzakis bracht het grootste deel van zijn leven door buiten Griekenland en veel van zijn werk verscheen eerder in vertaling dan in Griekse edities. Juist in Griekenland waren zijn ’ketterse’ romans omstreden en bestond er zoveel weerstand dat de uitgave van zijn romans soms jarenlang werd tegengehouden.

Van 1948 tot zijn dood woonde hij in Antibes, tegenover Nice aan de Franse Côte d’Azur, voor Kazantzakis een plaats naar zijn hart omdat deze in de oudheid was gesticht als een Griekse kolonie. De kust en het landschap herinnerden hem aan zijn geliefde Kreta. Hier ontstonden zijn grote romans, waaronder ’Christus wordt weer gekruisigd’ en ’De laatste verzoeking (van Christus)’.

Beide verschenen al snel in Scandinavië – een niet onbelangrijke stap op weg naar de verhoopte Nobelprijs, die hij dan ook bijna had gekregen. Een week voor zijn dood, in oktober 1957, zou naar verluidt de Nobelprijs met één stem verschil naar Albert Camus zijn gegaan, die zo sportief was te verklaren dat Kazantzakis haar ’duizend maal meer’ had verdiend.

Een van de bezoekers die zich in 1952 in Utrecht bij het ziekbed van Kazantakis meldden, was de schrijver en Balkanreiziger A. den Doolaard. Een jaar eerder had Den Doolaard de Duitse drukproeven van ’Christus wordt weer gekruisigd’ onder ogen gekregen. Hij introduceerde de onbekende Griekse schrijver prompt bij zijn eigen Amerikaanse uitgever Schuster, die Kazantzakis al even voortvarend zelf in Frankrijk opzocht en besloot zijn boeken uit te geven.

Ondertussen had Den Doolaard het voorwoord geschreven bij de Nederlandse uitgave van ’Christus wordt weer gekruisigd’ om de onbekende Griekse schrijver, die hij zelf tot dan toe nooit persoonlijk had ontmoet, bij het Nederlandse publiek te introduceren.

Ook Den Doolaard, toch een onafhankelijke geest, verkeerde in een roes. Hij noemde de roman van Kazantzakis een ’groots mysteriespel’, een lichtend baken in de existentialistische duisternis van het juist aangebroken atoomtijdperk en het literaire equivalent van de Matthüuspassion.

Zijn voorwoord eindigt met de oneliner: „Het is het antwoord op de atoombom.”

’Christus wordt weer gekruisigd’ speelt zich af in een plattelandsdorp ergens in het huidige Turkije, aan de vooravond van de catastrofe van 1922; de verdrijving van alle Grieken van het Turkse vasteland. Maar niets in het verhaal verwijst naar het naderende einde en de inwoners van Lykovryssi (’Wolvenbron’) koesteren hun tijdloze rol in de marges van een tijdloze Ottomaanse wereld.

Leven in de brouwerij ontstaat alleen doordat er voorbereidingen worden getroffen voor de opvoering van het passiespel, dat eens in de zeven jaar het dorp op zijn kop zet. Vijf gewone dorpelingen bereiden zich voor op hun speciale rol van Jezus en zijn naaste omgeving. Vooral het leven van de eenvoudige schaapsherder Manolios, die Christus moet verbeelden, verandert radicaal. Hij gaat de Bergrede lezen en ontpopt zich gaandeweg tot een moderne Christusfiguur annex revolutionaire martelaar.

Omdat anderen hem ook zo gaan zien, roept Manolios de haat van de plaatselijke pope over zich af en uiteindelijk wordt hij tegen Kerst – Kazantzakis laat zijn verhaal als een omgekeerd evangelieverhaal lopen van Pasen tot Kerst – door een opgezweepte menige gelyncht.

De moraal van het verhaal wordt verwoord door een andere outcast: „Vergeefs, mijn Christus, vergeefs zijn tweeduizend jaren voorbijgegaan, want de mensen slaan U nog altijd aan het kruis. Wanneer zult Gij komen, Christus, om niet meer gekruisigd te worden, om in alle eeuwigheid met ons te leven?”

Het waren deze actuele toepassingen van het evangelie in zijn werk die aansloegen, in Nederland en ver daarbuiten. Een internationale doorbraak was een verfilming door de Franse regisseur Jules Dassin, opgenomen op Kreta. De première van ’Celui qui doit mourir’ vond plaats in mei 1957 in Cannes, praktisch bij Kazantzakis om de hoek. Hij woonde de vertoning bij en toonde zich, naar eigen zeggen, tot tranen toe geroerd.

De Grieks-orthodoxe kerk begon zich te roeren. Al was ’Christus wordt weer gekruisigd’ nog niet in Griekenland verkrijgbaar, het internationale succes van de ’heiligschennende titel’, de ’verdraaiing van de historische feiten van het evangelie’ en ’communistische ideeën’ in het boek waren de geestelijken niet ontgaan.

En dan was ’De laatste verzoeking’ nog niet eens verschenen. Kazantzakis had die roman kort voor zijn reis naar Utrecht voltooid. In het lijvige boek gaf hij een geromantiseerde schets van het leven van Jezus van Nazaret in 33 hoofdstukken. Het ademt een sfeer die herinnert aan de bijbelspektakelfilms van Hollywood uit dezelfde jaren, die een halve eeuw dezelfde gedateerde, melodramatische indruk maken.

Kazantzakis had de bibliotheek van Cannes leeg gelezen om zich in zijn onderwerp te verdiepen. De reis die hij al in 1926 door Palestina had gemaakt, kwam hem nu goed van pas voor de juiste couleur locale. Maar de voornaamste inspiratiebron voor Kazantzakis blijkt Ernest Renan te zijn geweest. Diens historisch-kritische biografie ’Vie de Jesus’ uit 1863 was ook al geïnspireerd door een reis door het Heilige Land. Toch is het, typerend genoeg, niet zozeer de ’historische Jezus’ die Kazantzakis bezighield als wel de religieuze en mythische kant van het verhaal. Als voormalig communist was Kazantzakis tot de overtuiging gekomen dat religie belangrijker was dan politiek. Op bezoek bij Britse communisten in 1946 riep Kazantzakis hen op afstand te nemen van het historisch materialisme en een ’Internationale van de geest’ op te richten.

In zijn laatste boek, het autobiografische ’Rekenschap aan El Greco’ (1957) deed de schrijver verslag van zijn eigen tocht omhoog door vier levensstadia. Hij verbond ze met de figuren van respectievelijk Christus, Boeddha, Lenin en Odysseus, om toch weer te eindigen bij een soort metareligieus standpunt. Hij was, om het in eigen termen te zeggen, gaan geloven in de overwinning van het Goede als begin en eind van alle religie.

In zijn Jezusroman ging het hem ook al om die tijdloze, religieuze betekenis. „Ik wilde de heilige mythe die ten grondslag ligt aan de grote christelijke westerse beschaving nieuw leven inblazen. Het is niet enkel een ’Leven van Christus’. Het is een intense, sacrale zoektocht naar de essentie van Christus. Alle verdraaiingen en kleinzieligheden waarmee de kerken en alle togadragers van het christendom zijn verschijning hebben belast, moeten worden opgeruimd.”

’De laatste verzoeking’ roept archaïsche beelden op, van woestijnen met kloosters en kluizenaars, handenwringende profeten, uitgemergelde heremieten, hoeren en helden. De klassieke legendevorming werkt door: een jonge Maria komt duidelijk tekort bij een stokoude Jozef, Jezus is haar enige zoon, maar mogelijk niet de zijne, en Maria Magdalena is een hoer die duchtig hof houdt.

De rest is vooral een fantasierijke parafrase op de evangelieverhalen. Historisch-kritisch à la Renan is hooguit de afwijzing van alle geboorteverhalen rond Betlehem en het ontbreken van de opstanding.

Alle ophef zit ’m dan ook in de slothoofdstukken, wanneer Kazantzakis’ verbeelding een aardige duikvlucht neemt. In een lange, surrealistische scène, die herinneringen oproept aan Boelgakovs ’De Meester en Margarita’, ondergaat Jezus op het moment van zijn kruisiging een laatste verzoeking in de vorm van een visioen. Daarin overleeft hij het kruis en gaat hij incognito verder als ’Meester Lazarus’. Hij trouwt, krijgt kinderen en wordt oud. De ultieme verzoeking, wil Kazantzakis maar zeggen, is de door Satan voorgespiegelde mogelijkheid voor het gewone leven te kiezen en niet tot het uiterste ’het pad naar boven’ te volgen.

Welnu. Dat is allemaal heel ascetisch en heel Grieks en zeker eigenaardig in de ogen van de gemiddelde westerse lezer. Spannend wordt het omdat Maria Magdalena eraan te pas komt en Jezus een relatie heeft met haar en later met Maria van Bethanië.

En het is die suggestie van erotiek die bij herhaling explosief is gebleken, zoals ook bij andere Jezus-en-seksschandalen als die rond ’Jesus Christ Superstar’ en ’Jerry Springer: the Opera’.

De berichten over de nieuwste roman brachten de Grieks-orthodoxe kerk ertoe bij de Griekse overheid aan te dringen op een verbod op Kazantzakis’ boeken. Het Vaticaan plaatst ’De laatste verzoeking’ op de index van verboden boeken.

Filmregisseur Martin Scorcese droeg ruim dertig jaar na het verschijnen van de roman onbedoeld bij aan de mythe met zijn verfilming van ’The Last Temptation of Christ’. Niet alleen stopt Scorcese een aardige portie erotiek in zijn film, de katholieke regisseur neemt tegelijk als vanzelfsprekend de suggestie van Kazantakis over dat seks voor Jezus zondig zou zijn geweest; een duivelse verzoeking. Sterker nog, bij nadere beschouwing neemt de film opvallend stelling: uiteindelijk is Jezus niet bezweken voor alle verleidingen, heeft hij geen seks gehad en heeft hij geen zonde begaan.

Daarmee streeft Scorcese Kazantzakis voorbij en is de film op de keper beschouwd ’christelijker’ dan het boek. Preciezer: hij sluit beter aan bij de klassieke moraal van bijvoorbeeld de katholieke kerk of Amerikaanse evangelicalen, zoals inmiddels ook openlijk beleden door een christelijke mannenbroederschap als de ’Promise Keepers’.

De paradox is dat Kazantzakis zelf al eerder door de tijd was ingehaald. Hij raakte een gevoelige snaar bij talloze spirituele gelukzoekers – zoals hij er zelf een was. In 1916 doolde hij veertig dagen van klooster naar klooster over de heilige berg Athos en raakte in religieuze vervoering.

Hij droomde toen, als jongeman, van een nieuwe wereldgodsdienst waarin Christus eindelijk thuiskomt. „Het is tijd om Christus te laten lachen! Geen lijden meer, geen kruisiging. De sterke, vrolijke goden van Griekenland moet hij in zich verenigen. Het is tijd dat de Joodse Christus een Griek wordt.”

Hij las Tolstoj en zijn ’Het koninkrijk Gods is in u’ en besloot diens levenwerk voort te zetten. In ’Rekenschap aan El Greco’ vertelt hij hoe alles op zijn plaats viel toen hij, net het terug van Athos, hartje winter een amandelboom zag bloeien. Het bijbelse beeld bracht hem tot een bijzonder besef, tot de overtuiging dat de natuur, het leven zelf, de manifestatie is van het goddelijke: „Werkelijk, dat moet God zijn, het gordijn waarop bloemen, vogels en mensen geborduurd zijn. Deze wereld is niet zijn kleed, zoals ik vroeger dacht, ze is God zelf. Vorm en inhoud zijn een. Ik was teruggekeerd van mijn pelgrimstocht door de Egeïsche Zee met als kostbare buit deze zekerheid over God. Zodra ik me deze waarheid realiseerde, trokken de nevels in mijn geest op en kon ik helder zien.”

Op een zonnige novemberdag in 1957 ging voor Kazantzakis nog één keer het pad omhoog. Dit keer wel erg letterlijk: zijn lange begrafenisstoet kronkelde van de Aia Minaskathedraal, in het centrum van Iraklion , omhoog naar het bastion op de zuidelijke punt van de Venetiaanse vestingwerken, dat sindsdien zijn sobere graf draagt. De foto’s van die gelegenheid tonen een heel ceremonieel, maar zonder priester, want die was vanwege Kazantzakis’ onorthodoxe status achtergebleven in de kerk en de laatste riten bleven dus achterwege.

Een halve eeuw later ligt het graf er nagenoeg onveranderd bij. Het bastion torent als vanouds boven Iraklion uit, met een panoramisch uitzicht over stad en baai aan de hier vaak onstuimige Middellandse Zee. Landinwaarts gloren de bergen van Kreta. Het is een zomerse zaterdagavond en de klokken van de kathedraal tinkelen over de stad.

Op de grafsteen staat amper leesbaar een epigram gegrift: „Ik hoop niet, ik vrees niet, ik ben vrij”. Uit een spleet in het ruwhouten kruis steekt een opgevouwen notitievelletje ten teken van zijn nog altijd onverminderde heiligenstatus. Voor veel bewonderaars moet de klim naar zijn laatste rustplaats nog steeds een ware pelgrimage zijn.

Het beeld dat blijft hangen is dat van de berg Jouchtas. Die tekent zich hier – wel erg toepasselijk en door Kazantzakis zelf ook zo bedacht – af als een eenzaam silhouet aan de horizon. Volgens de Kretenzer versie van de Griekse mythologie bevindt zich onder de berg het graf van Zeus, een voorstelling die in de oudheid in de ogen van andere Grieken gold als ketterij tegen de hoogste god. Het is het tijdloze, ketterse, Kretenzische monument dat Kazantzakis zich had gewenst.

(Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden