Ik weet de weg in een huis dat er niet meer is

Acht auteurs schrijven deze zomer een verhaal of betoog, satire of schotschrift naar aanleiding van een van de volgende zinnen: 'De verkwikkende werking van een onmogelijke vriendschap' - 'Voorlopig, zegt de arts, is het niets ernstigs. Kleed u weer aan, rust uit, ga op reis' - 'Pompom die dadieda, doooom, pierompie, talaaaa, hoeihoei' - 'Zaterdag is me liever dan de oneindigheid'. Vandaag Carl Friedman: 'Het is een huis dat niet meer bestaat, sinds zij eruit werd weggedragen naar haar graf. Maar het blijft altijd het huis nabij het hart. Ik ken er de weg als nergens anders ter wereld en ik draag het als een slak met me mee.'

Moeder

Zijn overhemden waren haar te wijd.

De stugge linnen boord liet zich niet knopen

en stond naar weerskanten grootmoedig open:

daartussen was het altijd vredestijd.

Wie kwam er in haar huisje? Honderd keer

wierp ik mij kraaiend aan die kalme gevel.

De liefelijkste van uw tempels, Heer,

geplunderd maar van buiten heel gebleven.

Carl Friedman

Het allereerste huis van een mens is zijn moeder. Haar bewoont hij, nog eer zijn naam en adres in de boeken van de burgerlijke stand worden bijgeschreven. In haar binnenste begint zijn bestaan, zelfs voordat hij het levenslicht ziet. Wordt hij door haar verwacht? Hij weet het niet en hij vraagt het zich niet af. Zij heeft in ieder geval de poort voor hem geopend, de geheimzinnige poort tussen haar dijen waardoor slechts een enkeling toegang krijgt. Vanaf het vroegste moment verkeert hij dan ook met haar op voet van de intiemst denkbare vertrouwelijkheid. Is hij eenmaal over de drempel, dan maakt hij het zich geriefelijk. Langzaam maar zeker neemt hij de ruimte in bezit. Al groeiende slaat hij om zich heen, bonzend tegen de zoldering en de wanden. Steeds dwingender eist hij het lichaam van zijn moeder voor zich op, tot hij ten slotte drukt tegen de kamers van haar hart.

Mijn eerste huis was een vrouw die Elizabeth heette. Ze had al twee kinderen gebaard, ik werd het derde en laatste. Mijn verwekking moet hebben plaatsgevonden op de avond van haar zevenentwintigste verjaardag. Dat kan niet anders, want ter gelegenheid van die verjaardag had mijn vader verlof gekregen. Mijn vader was in de zomer van 1945 als een geraamte uit Duitse gevangenschap teruggekeerd, zo wankel op de benen dat hij achterover tegen de keien sloeg toen mijn moeder hem op straat omhelsde. Lang heb ik me dat weerzien voorgesteld als een scène uit een romantische speelfilm. Daar lagen ze, zij met haar zwarte vlecht bovenop hem, hij in zijn veel te wijde kleren onder haar, buiten zinnen van geluk dat ze voor elkaar gespaard waren gebleven.

De werkelijkheid moet een heel andere aanblik hebben geboden. Hij joeg haar angst aan, omdat zijn lichaamsgewicht was afgenomen tot om en nabij dertig kilo. Ze keek naar zijn nek die zo mager was als de hals van een fles en naar zijn botten die hoekig door zijn huid staken. Toen begon ze van ontzetting te schreeuwen. 'Wat hebben ze met je gedaan?', schreeuwde ze. 'Wat hebben ze met je gedaan?' Ze brulde het door de stille straat en ze hield er niet mee op. Ze kon niet geloven wat ze zag, omdat ze niet begreep wat ze zag. Was dit de man op wiens behouden weerkeer ze jarenlang had gehoopt? Niets aan hem was behouden gebleven. Hoe had deze schim de bewoonde wereld bereikt? Hoe had deze dwaalgeest de weg naar haar gevonden?

Zo onromantisch was de werkelijkheid. Hij ging duizelig van uitputting tegen de vlakte en zij schreeuwde: 'Wat hebben ze met je gedaan?' Het was geen vraag maar een verwijt, een verwijt aan een wereld waarin het kennelijk tot de mogelijkheden behoorde een man zoveel geweld aan te doen dat die zelfs door zijn geliefde niet meer werd herkend. In de verschijning van mijn vader weerspiegelde zich de toestand van Europa: hij was verwoest. Eenmaal van hongeroedeem en buikloop genezen, kreeg hij weer vlees aan zijn botten. Maar toen openbaarde zich een andere ziekte. Ook hierin leek hij op Europa zelf: hij spuugde bloed. Minder dan een jaar na zijn bevrijding uit het kamp moest hij met tuberculose in een sanatorium worden opgenomen. Hij verruilde als het ware de barak voor de ziekenzaal. Dit weerhield Elizabeth er niet van om met hem in het huwelijk te treden. In 1947 beloofde ze bij hem te zullen blijven in vóór- en tegenspoed. Ze kon toen bij lange na niet vermoeden hoeveel tegenspoed het lot voor haar en haar bruidegom in voorraad had. Telkens werd mijn vader genezen verklaard en telkens vatte hij moed. Maar elke keer brak zijn ziekte weer uit. Almaar verder raakten zijn longen aangetast. En almaar meer beschadigd weefsel werd door de artsen uit zijn borstkas weggesneden. Gedurende jaren ging hij van ziekenhuis naar ziekenhuis en van sanatorium naar sanatorium.

'Weest vruchtbaar en vermeerdert u.' Dat was in het geval van mijn ouders gemakkelijker gezegd dan gedaan. Moest mijn moeder tijdens het bezoekuur in het sanatorium soms haar kleren afwerpen en bij haar zieke man tussen de lakens duiken? Het verwekken van een nageslacht kon uitsluitend plaatsvinden wanneer mijn vader met verlof naar huis kwam. Van die zeldzame gelegenheden maakten mijn ouders volop gebruik. Driemaal werd mijn moeder zwanger. Dat gebeurde steeds wanneer de toestand van mijn vader verbeterd leek en optimisme de overhand kreeg.

Maar tegen het einde van de derde zwangerschap was er zwaar weer op komst. Even voor mijn geboorte ging mijn vader voor de zoveelste keer onder het mes. Deze ingreep dreigde hem fataal te worden. Terwijl hij met wondkoorts lag te ijlen, werd mijn moeder bij de arts geroepen die de operatie had uitgevoerd. Hij wees naar haar gezwollen buik. 'Heeft u zwarte positiekleding?', wilde hij weten. Ze schudde ontkennend haar hoofd. 'Dan wordt het hoog tijd dat u die ergens vandaan haalt,' zei hij, terwijl hij haar doordringend aankeek', want u gaat zéér binnenkort naar een begrafenis'.

Het scheelde dus niet veel, of ik was vaderloos ter wereld gekomen. Dit lot bleef mij bespaard, doordat mijn vader zich op de rand van de dood schijnt te hebben gewend tot God. Aangezien hij een diep wantrouwen koesterde jegens instanties van welke aard dan ook, heeft hij met genoemde God nooit op goede voet gestaan. Slechts bij twee gelegenheden heeft hij zich tot God gericht, wrevelig en tamelijk hooghartig. De eerste keer gebeurde dat in het kamp waar hij gevangen was. Hij lag met vlektyfus in een stinkende barak, waar iedereen ten dode was opgeschreven. Voedsel werd niet verstrekt. Alleen wie werkte had recht op het dagelijkse broodrantsoen. De SS verspilde geen kostbare calorieën aan zieken. Toen mijn vader, die in geen dagen had gegeten of gedronken, voelde dat zijn kracht hem verliet, zei hij tegen God: 'Ik heb je nooit iets gevraagd en ik zou het liever ook nu niet doen. Maar je ziet hoe ik eraan toe ben. Ik heb van niemand meer iets te verwachten, niet eens van mezelf. Als er nog enige hulp mogelijk is, kan die alleen maar komen van jou.'

Niet lang daarna draafde een gevangene die in de keuken werkte de barak binnen met een ketel be-dorven koolsoep. Hij verkondigde dat er onder een aantal zieken soep zou worden verdeeld. De nummers van de uitverkorenen stonden op een lijst, die hij met luide stem begon af te roepen. Het nummer van mijn vader was er niet bij, maar wel dat van een Rus die met hem op dezelfde brits lag. De distributie van soep in de tyfusbarak was een zeldzaam verschijnsel, maar wat erna gebeurde was nog buitensporiger. Toen de Rus de hem toebedeelde portie in ontvangst had genomen, zei die tegen mijn vader: 'Neem jij mijn soep. Voor mij komt hij te laat, ik ben binnen het uur dood. Jij maakt misschien met soep een kans.' Zijn daad was van een grootmoedigheid die in het kamp niet werd vertoond. Had een gevangene door middel van ruil of diefstal extra voedsel bemachtigd, dan wilde hij zijn buit nog wel eens delen met een ander. Maar zoiets als belangeloos afstand doen van het eigen rantsoen was ongekend. Mijn vader beschouwde de bedorven soep dan ook als een verlossend gebaar van de Allerhoogste: de enige leider die op dat moment de Führer in macht overtrof.

Jaren nadien wendde hij zich opnieuw tot God, ook deze keer klappertandend van koorts. 'Weet je nog wie ik ben?', zei hij bitter. 'Ik ben die gevangene met het verkeerde nummer, die door een wonder soep kreeg. Als je me dood wilt hebben, waarom heb je me dan niet laten kreperen in de tyfusbarak? Want kijk eens wat je met dat vervloekte wonder hebt aangericht! Ik ben vader van twee kinderen en mijn vrouw is hoogzwanger. Sterf ik nu, dan laat ik een weduwe en drie wezen achter. Moeten zij betalen voor mijn soep? Mag ik je eraan herinneren dat de soep in kwestie bedorven was? Die soep had net als ik de tyfus! Die soep was zo rot als een beerput!'

In de volgende nacht, zo heet het, nam zijn koorts gestadig af. Veel later heeft hijzelf mij de geschiedenis verteld. Daarbij toonde hij geen spoor van sympathie voor de God waarvan hij kennelijk in alle ernst meende dat die hem tot tweemaal toe had gered. Zo hij al enige dankbaarheid voelde, heb ik er niets van gemerkt. Uit zijn toon sprak veel meer verontwaardiging, het soort verontwaardiging dat te vinden is in het boek Job. Ook Job, in ellende gedompeld op de mestvaalt gezeten, wilde zijn zaak bij God aanhangig maken.

O, als ik Hem wist te vinden, ik zou naderen tot Zijn troon, recht voor Zijn aangezicht. Dan zou ik mijn zaak bij Hem bepleiten en Hij zou acht op mij slaan.

Heeft God op mijn vader acht geslagen? Hoe zou ik dat moeten weten, ik die nooit in de omstandigheden ben geweest waarin mijn vader verkeerde toen hij God ter verantwoording riep? Ik weet niet méér dan dat ik werd geboren in dezelfde nacht waarin mijn vader aan de dood ontsnapte. Hij en ik begonnen ongeveer gelijktijdig aan een nieuw leven. Terwijl hij rilde van koorts en terwijl ik beefde van buitenbaarmoederlijke koude, raapte de hand van het noodlot ons in één beweging samen.

Maar het zou nog jaren duren, eer hij genezen werd verklaard. Intussen droeg mijn moeder de zorg voor twee zoons en een dochter. Zij is het geweest die mij heeft grootgebracht. De dingen die een kind behoort te weten, leerde ik van haar. Ze strooide met suiker en noemde het: zoet. Ze droogde mijn tranen en alles werd goed. Elke ochtend tilde ze de zon in de hemel. Dat noemde ze: de dag breekt aan. Iedere avond hing ze de maan voor de vensters: tijd om weer naar bed te gaan.

Ze was niet alleen mijn eerste huis, het donkere huis van haar schoot. Ze was ook mijn tweede, het lichte huis van mijn jeugd. Het is een huis dat niet meer bestaat, sinds zij eruit werd weggedragen naar haar graf. Maar het blijft altijd het huis nabij het hart. Ik ken er de weg als nergens anders ter wereld en ik draag het als een slak met me mee.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden