Ik weet de weg in een huis dat er niet meer is

Acht auteurs schrijven deze zomer een verhaal of betoog naar aanleiding van een van de volgende zinnen: 'Het is een groot geluk om niet precies te weten op wat voor wereld we leven' - 'Zal ik een cello kopen of een motor met zijspan?' - 'De verkwikkende werking van een onmogelijke vriendschap' - 'Ik weet de weg in een huis dat er niet meer is'. Vandaag Willem G. van Maanen: 'In de mezzanine ligt ze half geleund op een laag bed met een oosters kleed, ik zit aan haar voeten en speel met een slip van haar wit linnen reformjurk die tot op de grond hangt. Jok je wel eens?, vraagt ze me onverwacht, en in verwarring schud ik van nee. Dan doe je het nu, zegt ze, en ze lacht met open mond, waarin een gouden tand glanst.'

door Willem G. van Maanen

Geen mens die niet beter de weg zou kunnen vinden in een huis dat niet meer bestaat dan in een huis dat nog wel bestaat. Het eerste immers is er een van de verbeelding, het andere een van de werkelijkheid. Of de schrijver van die opgegeven regel, in wie ik de Frans klinkende Rudy Maillot herken, de kwaliteit van zijn geheugen of oriëntatievermogen als een triomf beschouwt dan wel als een vanzelfsprekendheid is mij niet duidelijk, maar laat ik, om hem terwille te zijn, het laatste aannemen. Het is toch ook waarachtig geen verdienste de weg in zo'n door de tand des tijds of de gesel van de oorlog verwoest pand terug te vinden. Tenminste, en dat doe ik, als we ervan uitgaan dat de schrijver er eens heeft gewoond, er misschien is verwekt en geboren, zijn goed en kwaad heeft bedreven, het hem toegedachte bitter en zoet heeft gesmaakt, er, kortom, zijn sporen heeft achtergelaten.

De weg weten zegt men als men die al eens is gegaan; in het andere geval pocht en jokt men, in de hoop te worden geloofd en niet in het geheim vast te lopen of te verdwalen. Er zijn er die menen zelf de weg te zijn, de goede uiteraard, de weg terug naar en door het paradijs bijvoorbeeld, maar dat lijkt me blasfemie, en ik weet niet of ik daarop zou vertrouwen.

Lang geleden, toen de vredesbeweging nog actief was en de weg naar vrede onderwerp van discussie was die verschillende richtingen uitging, las ik op de muren van een populaire Amsterdamse kerk het opschrift: vrede is de weg. Discussie gesloten, dacht ik toen, maar of het iets betekende?

Intussen ben ik afgedwaald van de weg die ik wilde gaan. In mijn leven is het huis dat niet meer bestaat en waarin ik blindelings de weg kan vinden het huis aan de IJssel waar ik ben opgegroeid. Het is met zoveel woorden, niet te veel hoop ik, in enkele van mijn romans en verhalen beschreven. Als ik in mijn geboortestad ben zoek ik het weer op, en het kost me geen moeite om achter de ramen en muren van het Ichthus-college, dat nu op die plek is gevestigd, mijn oude huis terug te vinden.

De grond is daar eindelijk gekerstend, schreef ik vijftig jaar geleden al, en de neerlandicus Hans Werkman antwoordde later dat hij daar lesgaf, tot zijn en hopelijk ook tot mijn volle tevredenheid. Ik ben een slechte verliezer, maar die nederlaag accepteerde ik. Wat hij zijn leerlingen ook heeft bijgebracht, hoe diep hij ze in de schone letteren heeft ondergedompeld, de bloeiende bomen en planten in de bloemisterij achter het verdwenen huis, de geheimzinnige opstaande zerken op de Joodse begraafplaats ernaast heeft hij hun moeten onthouden, om niet te spreken van de geuren van het oude huis, het kraken van de zoldertrap, het suizen van het gaslicht, de bewegende schaduwen in de hoeken en nissen als de lampen, door geesten aangeraakt, begonnen te schommelen.

Op zolder ligt het slaapkamertje van Dina, de dienstbode. Daar verwisselt ze van onderjurk. Ze draagt er dagelijks drie, en zo zwaar zijn ze dat ze een onderbroek overbodig maken. Ze lacht me uit en noemt me dom als ik de som niet begrijp: eens per week gaat de onderste in de was en komt de schone boven op de bovenste. Nummer twee is dan de onderste geworden, begriep ie dat dan niet, Willem de Zwijger? Zo noemt ze me als ik met stomheid ben geslagen.

Ik mag een appeltje uitzoeken uit de voorraad die op zolder wordt gedroogd, gerimpelde goudreinetten, en daarna ga ik alleen verder, op weg naar de afgesloten ruimte waar de vormmachine is verborgen. De deur is op slot, maar Dina heeft me verklapt waar de sleutel is verstopt en ik ga, bang en belust, naar binnen. De vormmachine is een levensgrote ketel of kachel waaruit gebogen pijpen steken die zich door het dak boren. Als ik elf of twaalf ben en van de lagere school kom moet ik daarin, om te worden gevormd voor het leven dat me te wachten staat. Een vorm van ontgroening, een inwijdingsritueel dat al generaties in onze familie bestaat. Mijn vader is er zelf ook in geweest, en kijk eens hoe 'n ferme kerel hij is geworden. Dina heeft er een scheef lachje voor over als ik vraag of het pijn zal doen, branden misschien, maar met me naar binnen wil ze niet. Je vader is een zoetekauw, antwoordt ze, dat komt ervan.

De zoldertrap af, een deur door die toegang geeft tot een breed portaal waarop de slaapkamers uitkomen, die van mij en mijn jongere broer, die van mijn ouders, een afgesloten logeerkamer met een dubbelbed voor gasten die niet komen, de badkamer met een blauwgeverfde kuip op kromme poten en, twee treetjes hoger, voor niemand anders toegankelijk, de studeerkamer van mijn vader. Hij is leraar aan het stedelijk gymnasium en zegt er wel voor te zullen zorgen dat hij mij niet in de klas krijgt als het zover is. Is hij bang dat ik niet mee kan komen en dat hij mij onvoldoendes moet geven? Hij wil je niet prijzen en niet straffen waar anderen bij zijn, zegt mijn moeder, en dan is er nog de vraag of je hem vader of meneer moet noemen. Vroeger, in mijn tijd, zeiden de kinderen meneer mijn vader. Ze lacht en trekt me naar zich toe. Ik vind haar mooier dan ooit, en ik durf het haar te zeggen. We zijn tijdens zulke gesprekken met elkaar in het kamertje dat halverweg de trap naar de begane grond ligt, en dat door een raam met geplooide vitrage uitziet op de bloemisterij. Mijn vader noemt het de insteek, het bevindt zich onder zijn studeervertrek dat daarom hoger ligt. Als hij er heen en weer loopt, dreunen zijn stappen door tot wie onder hem is, in wat mijn moeder, die een hekel heeft aan zulke harde woorden als insteek, tussenverdieping noemt of, als ze loom is en vredig gestemd, mezzanine. Ze spreekt het woord uit als een zucht, tussen twee trekken aan haar sigaret door, een lange met een gouden mondstuk uit een doosje met het portret van een oosterling die Khedive heet. Haar haren zijn modieus geknipt, in een vorm die Bubikopf heet, pagekopje in onze taal of misschien wel jongenskop, ze heeft zoiets eens gezien in een blad voor vrouwen en aapt het nu na, ze speelt filmster en wil bewonderd worden. In de mezzanine ligt ze half geleund op een laag bed met een oosters kleed, ik zit aan haar voeten en speel met een slip van haar wit linnen reformjurk die tot op de grond hangt. Jok je wel eens?, vraagt ze me onverwacht, en in verwarring schud ik van nee. Dan doe je het nu, zegt ze, en ze lacht met open mond, waarin een gouden tand glanst. Ze strijkt me over mijn haar en beveelt me altijd eerlijk te zijn, het te proberen althans, liever te zwijgen dan te liegen, nu ja, een menistenleugentje kan ermee door, dat kan zelfs wel eens wijs zijn. Ze legt me het woord uit, leugentje om bestwil of zoiets, om de vrede te bewaren. Dat hoeft geen zonde te zijn, het kan erger voorkomen.

Ik vertel haar veel, maar niet alles, misschien vertrouw ik haar niet helemaal, dat maakt het samenzijn spannend. De mezzanine is, leeg, geen verboden terrein, maar als ik er in een verloren ogenblik binnenga verbeeld ik me iets te doen wat niet mag. Het ruikt er anders dan in de andere kamers, naar onbekende bloemen, naar warmte, mijn moeders parfum, naar de kwekerij misschien, het raam staat meestal op een kier, de witte vitrage waait zachtjes op. Op het bed heb ik eens de blote cello van meneer Mees zien liggen, ik schrok omdat ik die even voor een mens aanzag. Meneer Mees is een vriend des huizes, hij musiceert met mijn vader aan de piano, ik mag opblijven om samen met mijn moeder te luisteren. Hij heet Willem, net als bij mij afgekort tot Pim, daarom noemt hij zich, om mij aan het lachen te maken, Pimpelmees. Meestal brengt hij cadeautjes mee, een bal voor mij, een beschilderde tol, een trommel met stokken, en voor mijn moeder bloemen of bonbons. Mijn vader krijgt niets, die moet maar tevreden zijn met de muziek die ze maken. Op haar verjaardag heeft hij mijn moeder een langwerpig boek gegeven met mooie en ook griezelige prenten, op steen getekend, zoals het er staat, door Th. van Hoytema. Het zijn illustraties bij een sprookje van Andersen dat ik al ken, 'Twee hanen' heet het, een echte en een torenhaan die allebei even verwaand zijn, maar de torenhaan breekt in een storm af en verliest. Mijn moeder omhelsde hem toen ze het had uitgepakt. Ik ben eens tijdens de muziek achter de cello op de grond gaan zitten, omdat ik dacht daar beter te kunnen horen. Om het instrument heen zag ik hoe mijn moeder Pimpelmees na een vurige passage een kushandje toewierp: hij trappelde even met zijn pootjes, de enige manier om haar te bedanken zonder al te zeer van streek te raken.

De trap naar de begane grond splitst zich op de tussenverdieping in twee tegenovergestelde richtingen, leidend van of naar een portaaltje voor de deur van de mezzanine. Beneden liggen de kamers aan een lange marmeren gang die van de voordeur tot achterin het huis loopt, met naast elkaar de keuken en de plee, van ouderwetse snit. Het is een houten kist waarin onder een ronde deksel een in blauw en wit geëmailleerde trechter uitmondt in de ton, die tweemaal in de week wordt opgehaald door een man die ik bewonder. Hij is groter en sterker dan wie ook, sleurt de ton fluitend door het luik naar voren, slingert hem met gemak op zijn schouder waar zijn overall met een leren lap is verstevigd en geeft me een knipoog als ik hem naar buiten volg om te zien hoe hij onze ton bij alle andere al verzamelde op zijn kar zet. In de keuken heerst Dina, duldt niemand bij zich als ze aan het fornuis staat, duwt me met mijn hoofd onder de lopende kraan wanneer ze het nodig acht me tot bedaren te brengen, zingt gewijde liederen voor me bij het schillen van de aardappelen, omhelst me als ik van tafel ben gestuurd en voor straf in de keuken moet eten. Luilekkerland, het paradijs veroverd. Mijn moeder belt uit de eetkamer voor het volgende gerecht, we zweren samen en laten haar wachten. Daar, ver weg in het huis, zetelen de dames en heren, hier heersen de meiden en knechten, en het gelijk en de macht zijn aan onze kant.

Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij. De personages dood en begraven of verbrand, de bloemisterij en de Joodse begraafplaats omgewoeld en bebouwd, het huis gesloopt en door een schoolgebouw vervangen. Wat nu, denk ik, als Maillot zijn zin overdrachtelijk zou hebben bedoeld, als toch voor de hand liggende metafoor van het verleden, de herinnering. Een huis, en het hoeft niet eens zoveel kamers te hebben als het hier beschrevene, als levensgrote reliekdrager van wat wij in ons leven aan kostbaarheden hebben verzameld, de schatten van ons geheugen. Het geheugen is selectief, het roept op wat wij nog willen weten, het drukt weg wat wij willen vergeten. Soms probeert het ons te bedriegen, tevergeefs, wij kennen er de weg, en dat wij soms stilstaan is niet omdat wij de richting kwijt zijn maar omdat wij geen afscheid willen nemen. Nee, of ja, laten we het thema van onze variatie toch maar letterlijk nemen: Ik weet de weg in een huis dat er niet meer is.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden