'Ik was er zelf ook niet meer'

Ada de Jong was in een oogwenk haar gezin kwijt. Christa Anbeek weet ook wat verlies is. Ze schreven er samen een boek over. 'Het helpt als je ergens woorden aan kunt geven.'

Haar man, zoon en dochters zijn iets verder geklommen dan zij. Op de Mont Dolent in Italië, nu vijf zomers terug, wacht Ada de Jong haar gezin op. Ze zwaaien nog, op de weg terug van de piek. Tot er een struikelt. Het touw dat hen verbindt - eigenlijk bedoeld voor hun veiligheid - trekt de vier klimmers mee. Een voor een ziet De Jong hen voor haar ogen wegglijden.

Door het raam van de reddingshelikopter kan ze hen zien liggen, op de plek waar ze na hun val terechtkomen, vijfhonderd meter lager. De reddingswerker die gaat kijken schudt 'nee', en dan weet ze dat ze hen kwijt is.

Weer thuis in Almere heeft ze hen begraven. Op de rouwkaart laat ze naast de namen van haar overleden dierbaren ook haar eigen naam afdrukken: "Ik was er ook niet meer". Vanaf de dag dat haar leven ophoudt, gaat De Jong (1958) op zoek naar verhalen. "Ik raapte boeken bij elkaar: romans, filosofie, alles wat ik over rouw kon vinden."

Een van de verhalen waar De Jong op stuit is dat van Christa Anbeek. De remonstrantse theologe verliest haar vader, moeder en broer nog voor ze 25 is. Als later ook haar partner omkomt bij een ongeluk in een Spaans gebergte schrijft ze het boek 'Overlevingskunst'. Nu is er van de vrouwen samen 'De berg van de ziel', waarin ze grote denkers en diepe inzichten afgaan.

Aan de eetkamertafel bij De Jong thuis in Almere vertellen ze erover. Op een wand in de woonkamer prijkt een gigantische roze bloesemknop, de stoelen zijn in vrolijke kleuren geschilderd. Anbeek (1961) legt uit dat het boek een essay is. "We wilden nagaan: wat ik zelf voel, hebben anderen dat ook? Wat zeggen wijze mensen erover? En heb ik daar iets aan?"

De Jong knikt. "Het helpt als je ergens woorden aan kunt geven: dan kun je het delen, en kijkt er iemand met je mee. En ik hoop iets toe te voegen voor mensen die in een lastige situatie zitten."

Het ongeluk maakte van De Jongs eigen leven ook een verhaal. Dezelfde avond nog berichtten de journaals en kranten erover - iedereen wist ervan. "Veel mensen durfden niet met me te praten. En nog zie ik dat wel eens. Als ik met dit boek die verschrikte blik uit die ogen kan halen, is dat fijn. Want ik zie het wel, als ik op mijn werk door de gangen loop."

Nog in de reddingshelikopter wist De Jong dat ze haar man en kinderen moest zien. Eenmaal in het Italiaanse ziekenhuis was het lang soebatten voor men haar toestemming gaf om alleen met haar gezin in het mortuarium te zijn. Kalmerende middelen die de arts haar wilde toedienen, weigerde ze. "Ik wist: dit is waar ik het mee moet doen, dit moet ik goed tot me door laten dringen. Noem het een overlevingsmodus. Ik moest op de bodem van de put gaan zitten, en er precies zo verdrietig om zijn als ik was."

Zonder ervan uit te gaan dat er überhaupt antwoorden zijn, gaan Anbeek en De Jong in hun boek theologen en filosofen langs. Volgens Spinoza, die 'flinckheid' preekt, helpen droefheid en tranen je niet vooruit. De Jong ziet dat anders. "Uithuilen is voor mij een natuurwet; daarna vind ik ruimte in mijn hoofd. Soms lukt het me om verdriet weg te stoppen, maar dan komt het op een onverwacht moment weer opzetten. Je moet het verdriet aanzien. Daarom wilde ik geen medicijnen: ik moest scherp en helder blijven."

Afgrond
Het was voor Anbeek anders toen ze haar familie verloor. "Ik raakte juist in grote verwarring, kon er niet over praten. Het gebeurde toen ik rond de 24 was. Omdat in mijn geval twee familieleden zelf voor de dood kozen, was het enorm bedreigend. Ik hield me voor dat ik er niet te dicht in de buurt moest komen: voor ik het weet ga ik zelf die afgrond in. Waar ik heel bang voor ben is dat ik meer mensen kwijtraak die me lief zijn. Maar het leven zit toch echt zo in elkaar dat ik me daar niet van kan vrijwaren."

De Jong: "Of je moet stoïcijn worden".

Anbeek: "Ik heb dat geprobeerd toen ik me in het zenboeddhisme verdiepte. Maar onthechten voordat het nodig is, dat vond ik toch te kunstmatig - ik wil het leven omarmen. Wat Ada vertelt, over het onder ogen zien wat er is, en het erkennen dat het niet goedkomt, dat zijn dingen die je ook in boeddhistische cursussen leert. Ik zie het als een bevestiging van mijn theorie dat wijsheden uit het boeddhisme, christendom of om het even welke theologie of filosofie, stolsels zijn van wat mensen in het leven leren. Je merkt: Ada weet dit al uit eigen ervaring, dus heeft ze helemaal geen boeddhisme nodig."

De Jong lacht: "Nee, dat denk ik ook niet."

De tweede nacht na het ongeluk hoorde De Jong iets wat ze nog nooit eerder hoorde. Uit haar binnenste kwam 'een smartelijke kreet, die overgaat in gierend huilen', schrijft ze. Om de zoveel tijd keert dat geluid nog terug.

Naast deze passage in het boek zet Anbeek een gedachte van filosofe Martha Nussbaum neer. Aan emoties merk je volgens Nussbaum hoe kwetsbaar je bent voor gebeurtenissen waarover je geen macht hebt. Met andere woorden: ten diepste ben je behoeftig en afhankelijk.

"Dat geluid is niet tegen te houden", zegt De Jong. "Ik geloof niet dat het ongeluk dat mij is overkomen érgens goed voor is. Voor niemand. Ik word er niet beter van, alleen maar slechter, en niemand heeft er iets aan. Het devies 'What doesn't kill you makes you stronger' - daar ben ik het helemaal niet mee eens. Dit verzwakt mij heel erg." Het is even stil. "En toch, merk ik, kan ik een zinvol leven leiden."

Anbeek: "Als zoiets je treft, voel je hoe kwetsbaar je bent. Je zakt door de illusie heen dat je alles kunt hebben. Autonomie is in onze samenleving erg belangrijk, maar als je een groot verlies meemaakt, kom je erachter dat je het daar niet mee redt."

De Jong: "Daarom heb ik mezelf, zo zie ik het, ook begraven. Ik dacht altijd dat ik een sterke, onafhankelijke vrouw was, met een eigen identiteit. Maar na het ongeluk was ik mezelf kwijt. Ik bleek helemaal niet zo'n autonoom individu, ik was tot op het bot verweven met mijn gezin. Het zelf bestaat niet op zichzelf. Gaandeweg leer ik de waarde kennen van nieuwe verbintenissen, met vrienden en zussen, maar ik ken mezelf in veel dingen niet terug. Vroeger reisde ik niet, nu wel. Ik vind minder dingen eng. Het gekke is: ik doe nu alles in mijn eentje, maar voel me afhankelijker dan toen ik nog helemaal was ingebed in mijn gezin. Dus of ik sterker ben geworden? Nee, ik kan ook nog down en out zijn en wanhopig. Dat ondermijnt me. Want dat kan me elk moment overvallen. Dat is eng."

Anbeek: "Voel je je kwetsbaar, dan wordt het moeilijker om onderdeel te zijn van een gemeenschap, en tegelijkertijd ook belangrijker. Ik vind het de taak van theologen om vragen te stellen over dit soort kwesties. Wat betekent het een gemeenschap te zijn als we weten hoe door en door kwetsbaar we zijn? Gaan we dan anders met elkaar om? We verdringen dood, eindigheid en kwetsbaarheid in onze maatschappij. Verberg je dat zeer - omdat je denkt: de ander kan het niet verdragen, of ik kan het zelf eigenlijk helemaal niet aan - dan geloof ik dat we ons leven verzaken. Het begint met je eigen pijn onder ogen durven zien."

Sinds kort verzint De Jong een gezin om over te vertellen, voor de nieuwe mensen die ze ontmoet. Het echte verhaal houdt ze voor zich, omdat, merkte ze, mensen vaak niet weten wat ze ermee aanmoeten. Toch denkt ze zelf dat Anbeek het zwaarder heeft. "Ik ben dankbaar voor het leven dat ik met mijn gezin heb gehad. Heb meer geluk gekend, denk ik. Zij werd al zo jong geconfronteerd met grote verliezen."

Er is meer wat de levens van de schrijfsters anders maakt. Anbeek wilde een punt zetten achter de zelfmoordgeschiedenissen in haar familie. Niet voor niets was de slotsom van haar vorige boek 'De dood heeft geen zin, alleen het leven heeft zin'. Maar voor De Jong is het juist een geruststelling dat ze, als het haar te veel wordt, een einde aan haar leven kan maken. Niet dat ze daar nu over nadenkt. "Het gaat goed", zegt ze. "Niet altijd, maar als je in ogenschouw neemt wat er is gebeurd, had het ook heel anders kunnen lopen."

Krassen op je ziel
Let wel, zeggen dat het goed komt, wat mensen zo graag willen horen, dat is iets anders, waarschuwt De Jong. "Want hoe zou het goed kunnen komen? Als je je verplaatst in mij, denk ik dat je weet: als je je kinderen verliest, komt dat nooit meer goed. Voor mij is dat zo evident. Daar kan geen zinvol leven tegenop. Er zal altijd die onderstroom blijven, van iets groots dat niet in orde is. Soms op de voorgrond, soms op de achtergrond. Wie wil dat alles weer goedkomt, weigert te erkennen hoe kwetsbaar het leven is. En dat heb jij zelf ook een beetje hè, Christa?"

Anbeek: "Nee, tenminste, niet naar jou toe. Je kunt je dierbaren niet meer heel dromen, dat snap ik heel goed. Maar mijn leven is anders, ik moet vanwege de zelfdodingen zorgen dat het met mij min of meer goedkomt. Ik mag niet de smaak van het leven verliezen. Ik heb een dochter en inmiddels een kleinzoon. Dat niet-willen-leven moet stoppen. Dan is het goed voor mij."

De Jong: "Misschien moet ik jou er even buiten houden. Er zijn meer mensen die moeite hebben met de laatste zinnen in het boek, waarin ik vaststel dat het niet goedkomt. Maar hoe kan dat nou? Wil niemand het horen omdat men me een gelukkige toekomst gunt? Heus, ik doe genoeg leuke dingen, ik ken lieve mensen, maar er zullen altijd momenten zijn waarop ik onderuitga. Er zijn krassen op je ziel die niet meer genezen. Erken ik dat niet, stop ik het weg, dan wordt het erger. Vaak wordt gezegd: 'Als je maar zus en zo doet, de juiste stappen zet, komt het goed'. Ik denk dat het troostend is als ik zeg: Dat is niet waar."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden