IK VOEL HET WEL: HUN OGEN PRIKKEN IN MIJN RUG

Het stadje Al Hoceima, in het noorden van Marokko, heeft 30 000 inwoners, maar elk jaar in de maanden juli en augustus komen daar nog eens tienduizend bij: Marokkanen uit Nederland die er hun vakantie komen doorbrengen. De achterblijvers hebben veel te danken aan de familieleden die ooit de sprong naar West-Europa waagden. Maar zij ergeren zich ook aan die rijkelui die met hun mooie kleren en dure auto's komen pronken.

We lopen over de kleurige mozaieksteentjes van het Groene Mars plein in Al Hoceima, de woonplaats van Nourdine. Het stadje telt 30 000 inwoners en ligt in het Rifgebergte, in het noorden van Marokko. Zeventig procent van alle Marokkanen in Nederland komt uit deze streek. De bewoners woekeren met de onvruchtbare grond en proberen elk jaar mooie oogsten te krijgen: tomaten, groente, fruit. Maar dat valt niet mee: de grond is droog, er valt weinig regen. De streek is bergachtig en de wegen zijn onbegaanbaar. Geen wonder dat zoveel mensen probeerden in West-Europa een bestaan op te bouwen. Aan hun familieleden in Marokko sturen ze geld. Iedereen hier heeft wel een familielid in Nederland. En iedereen probeert een graantje mee te pikken van de welvaart.

's Zomers komen de familieleden pronken met hun mooie kleren, hun dure auto's.

Uiterlijk vertoon moet hun welstand bewijzen.

Nourdine en ik lopen het theehuis binnen. Uit de radio klinkt de stem van de populaire Berberse zangeres Farida: “Waarom kijken jouw ogen mij niet meer aan”, zingt haar melancholische stem, “je koos niet voor de liefde, maar voor het geld.” En ze zingt het speciaal voor de vele jongemannen die wachten op een huwelijkspartner uit Nederland.

“Hoor je het nou?”, zegt Nourdine. “Farida zingt er ook al over. Tien, vijftien jaar geleden had je hier geen ongetrouwde jongens en meisjes van 22, 23 jaar. Dat kwam niet voor. Nederland is geld. Liefde met een guldenteken.”

“Zou jij dan niet naar Nederland willen?”, vraag ik Nourdine. “Wat dacht je . . . Als ik de kans krijg ben ik zo weg. Maar ik kan me toch niet voorstellen dat ik zo'n machomannetje zou worden. Nee, nee, dat kan ik mijn vrienden hier niet aandoen. Ik zou altijd gewoon Nourdine blijven, de jongen uit de bergen, die in zijn arme dagen taxichauffeur was en die nu helemaal geen werk meer heeft.”

Nourdine heeft zijn ellebogen op het krakkemikkige tafeltje gezet en steunt zijn hoofd met beide handen. Hij is dertig jaar, maar hij lijkt wel veertig.

Diepe lijnen ontsieren zijn gezicht. Weer trekt hij een sigaret uit de zak van zijn verschoten, rafelige broek. Uit het borstzakje van zijn door het vele wassen verbleekte overhemd haalt hij nerveus een doosje lucifers. Probeert met een hand een lucifer aan te steken. Lukt niet. Nog een keer. Vuur. Nerveus slikt hij de rook in.

Ik kijk over het grote Groene Marsplein, de palmbomen werpen groteske schaduwen over de grond. De lamp boven het portret van koning Hassan II verlicht fel diens gezicht. Een onwerkelijke wereld. Hier in het koffiehuis waar Nourdine en ik mintthee drinken, klinkt de droefgeestige berbermuziek die zo goed bij het schemeruur past en aan de overkant klinkt uit een auto met een Nederlands nummerbord de klagende stem van Andre Hazes die zich vertwijfeld afvraagt waarom een zekere vrouw hem heeft verlaten en of ze alsjeblieft terug wil komen . . .

Achter de gebouwen verdwijnen de bergtoppen in het fluweel van de nacht. De eerste sterren pinkelen aarzelend en dan wordt opeens de stilte verscheurd door motorgeraas. Grote Mercedessen en BMW's met Nederlandse kentekenplaten laten hun felle koplampen schijnen op het plein, sommige hebben het rode stof van de lange reis nog op de motorkap liggen. De bestuurders hangen hun gebruinde linkerarm uit het geopende raam. Sigaret nonchalant tussen de lippen, leren jasje achteloos op de achterbank, uitdagende house-muziek uit de autoradio. De dagelijkse autoshow is begonnen. Elke avond, vier weken lang, een hele vakantie lang, pronken de Marokkaanse jongens uit Nederland met hun luidruchtige rijkdom. Hun gladgeschoren kinnen geuren naar aftershave, hun T-shirts hebben opzichtige teksten, hun korte broeken kraken van nieuwigheid en hun Nikes steken iedereen de ogen uit.

Nourdine houdt het niet meer uit. “Ik kan het niet meer aanzien. Ik ga naar huis. Zie ik je morgen nog?”

“Misschien”, mompel ik en sta op. Ik loop naar de stoet auto's die nu stilstaat en vraag een jongen die ik vaag van gezicht ken of ik een stukje mag meerijden. Farid heet hij, 23 jaar, werkloos, en woont bij zijn ouders in Haarlem. Hij start de motor. De stoet zet zich weer in beweging. Ik kijk naar de palmbomen, die nog vaag zichtbaar zijn. Voel de druppels van de fontein in het midden van het plein. De koplampen werpen brede stralen licht op het kleurige mozaiek. “Waarom rij je almaar rondjes?” vraag ik. “Ik wil een leuk meisje oppikken. Beetje plezier. Het is toch vakantie. Misschien heb ik vanavond wel geluk, joh. Duim voor me.”

“Hang je in Nederland ook zo de bink uit?”, vraag ik hem. “In Nederland?”, vraagt hij schamper. “Voor wie dan wel? Voor de Nederlandse meisjes, zeker.

Man, die zien ons niet eens staan . . . Nee, daar tellen we niet mee. Maar hier ook niet. Waarom denk je dat we hier rondrijden? Om op te vallen. En daar heb ik dan deze dure auto voor nodig.''

“Heb je hier geen vrienden van vroeger?”

“Mijn vader heeft me laten overkomen toen ik tien was, veel vrienden van me zijn weg. Ik voel me niet meer thuis bij de mensen die hier wonen. Ze vinden me vreemd. Ik voel het wel: hun ogen prikken in mijn rug. Er wordt over ons gepraat. Ze kunnen niet hebben dat we hier met mooie auto's en mooie kleding komen.”

“Heb je de mensen hier wel eens verteld dat je geen werk hebt, dat je de hele dag in het koffiehuis zit en dat de Nederlanders niet altijd even aardig tegen je zijn? Dat je het gevoel hebt een tweederangs burger te zijn?”

Farid gaat verlegen met zijn vinger over het stuur. Hij haalt machteloos zijn schouders op. “Dat kan toch niet. Ik zou me doodschamen.”

Ik stap de auto uit. “Misschien zie ik je morgen wel in Imzouren”, roept Farid me na. De volgende dag ga ik inderdaad naar Imzouren, een stadje op vijftien kilometer van Al Hoceima. Het is een snel groeiende stad met 15 000 inwoners. Ook hier komen veel in Nederland wonende Marokkanen vandaan. Zoals alle plaatsen in het Rifgebergte wordt Imzouren geteisterd door droogte, waardoor de grond moeilijk te bewerken is. Een onherbergzame streek. Kale rotsen. Distels. Droog, vergeeld gras. Een enkele doornige struik. Grote stofwolken die het zand met zich meenemen en elders ophopen. De kale bergtoppen steken boven de huizen uit. Dreigend, soms. Paadjes die nauwelijks begaanbaar zijn.

Toch rijden auto's af en aan met steenladingen, want de nieuwbouw schiet hier als paddestoelen uit de grond. Nederlandse Marokkanen laten hier huizen bouwen.

Soms drie, vier verdiepingen hoog. Beneden winkeltjes, een koffiehuis: werkgelegenheid voor de familie. Boven de woonruimte voor diezelfde familie: broers, neven, nichten, ooms, tantes, grootouders, iedereen woont bij elkaar, dankzij de familie in het buitenland. Faruk Akkouh loopt met me over de markt.

Hij wijst de huizen aan: “Het ene huis is nog mooier dan het andere”, zegt Faruk. “De meesten van ons leven dankzij de familie in Nederland, maar wie niet zo gelukkig is iemand te hebben die daar werk heeft gevonden, heeft het moeilijk het hoofd boven water te houden. Zij hebben hier vaak geen enkele bron van inkomsten.”

De tegenstelling tussen degenen die in het buitenland werken en de achterblijvers is dan ook op de markt van Imzouren duidelijk zichtbaar.

Westerse en Berberse muziek klinkt uit twee muziekkraampjes die tegenover elkaar staan opgesteld. Verschillende marktlieden proberen klanten voor zich te winenn. “Tomaten, vier dirham”, zegt de een. “Tomaten drie dirham”, zegt de ander. Het is duidelijk dat zij niet mikken op de autochtone bevolking, voor wie de prijzen op de markt deze zomer met zestig procent zijn gestegen. Het zijn met name de Marokkaanse migranten die dozen vol groente, fruit en andere etenswaren kopen. “Het is schandelijk”, zegt Faruk. “De Marokkanen uit West-Europa drijven de prijzen op. Terwijl de gewone man nauwelijks een half kilo vlees kan kopen, koopt iemand uit Nederland een heel schaap.” De marktboer zit daar niet mee. Voor hem zijn dit gouden tijden. In de zomer verdient hij tien keer zoveel als in de rest van het jaar. Als de Marokkaanse migranten zijn vertrokken, valt er weinig te verdienen, weet hij uit ervaring.

Tot mijn verbazing zie ik op de markt twee grote Nederlandse bestelwagens, die naast elkaar staan opgesteld. De schuifdeuren staan open. Op de grond tweedehands spullen uit Nederland. Stereoinstallaties, koelkasten, stofzuigers, pannen en een groot hoeveelheid vliegenmeppers. “Ik probeer een zakcentje te verdienen”, zegt Ahmed uit Utrecht verontschuldigend terwijl hij met de vliegenmepper om zich heen slaat om de vliegen te verdrijven. “Ik sta hier elke zomer met mijn bestelwagen. De mensen willen graag spullen uit Nederland, want hier zijn ze meestal niet te krijgen of ze zijn duur. Ze kopen liever tweedehands spullen van ons.” Ahmed is echter niet tevreden over de verkoop.

In drie weken heeft hij maar weinig verkocht. “Ik hoef de prijzen maar te noemen of ze lopen door.”

Ik had ze al op de markt gezien, de mannen die schrijlings gezeten op hun muilezels inkopen komen doen. Daarna verdwijnen ze weer, de bergen in, hun rieten manden volgeladen met de onvermijdelijke gasfles, de wasmiddelen en etenswaren. Ik kom Mohammed-ben-Isa tegen. Hij is deze keer niet met de ezel gekomen, maar per taxi, samen met andere mannen. Hij nodigt mij uit bij hem thuis te komen. Zijn huis staat halverwege de berg met uitzicht op de wijde omgeving. Mohammed heeft twintig jaar in Nederland gewoond. Hij heeft twaalf jaar bij een steenfabriek gewerkt. Er gingen zo'n 20 000 stenen per dag door zijn handen. En nu heeft hij last van zijn handen en zijn rug. Hij kan geen zwaar werk meer doen. Vorig jaar besloot hij gebruik te maken van de remigratieregeling. Hij ontvangt een uitkering van 1080 gulden per maand. “Het leven in Marokko is niet eenvoudig”, zegt hij met een bezorgde blik. “Ik ben al een jaar bezig om water- en elektriciteitsvoorzieningen te laten aanleggen.

Het kost me handenvol geld. Maar de autoriteiten hier hebben geen haast. Ze vragen wel geld, maar voeren geen klap uit. Ik moet zelf maar zorgen dat ik genoeg drinkwater in huis heb. Daarvoor moet ik om de drie weken een tank met 600 liter water kopen. Kosten: 100 gulden. Soms verlang ik naar Nederland. Daar zijn alle voorzieningen wel aanwezig. Hier moet je het allemaal zelf doen. De mensen denken dat ik met mijn F 1080 in de maand stinkend rijk ben. Van dat bedrag kan ik maar net rondkomen. Ik leef heel zuinig. Ik heb zeven kinderen die ik moet onderhouden.''

Zijn 25-jarige zoon Ghalid brengt verse mintthee binnen. Zijn vader zegt hem de glazen vol te schenken. Mohammed heeft zijn gezin nooit naar Nederland laten overkomen. “Ik zag wat er gebeurde met Marokkaanse gezinnen in Nederland.

Kinderen die van huis weglopen of aan de drugs raken. Ik heb heel veel leed van Marokkaanse gezinnen meegemaakt. Dat verdriet wilde ik mezelf besparen.''

De afgelopen dagen heb ik uren en uren op de terrasjes van Imzouren en Al Hoceima doorgebracht, meestal in gezelschap van werkloze jonge mannen. Ze klagen over de Marokkaanse regering, die het Rifgebied verwaarloost. De mensen in dit gebied slikken niet alles voor zoete koek. Ze staan bekend als opstandige mensen. Daarom worden ze door de regering aan hun lot overgelaten.

Iedere Marokkaan die het Rif inruilt voor West-Europa is een zorg minder voor de regering. Het geld dat de migranten in het land investeren, is mooi meegenomen. De achterblijvers zijn het kind van de rekening. Voor hen heeft de regering geen structurele oplossingen bedacht. Ik heb nergens een fabriek gezien, nergens industriele activiteiten. De wegen zijn ronduit slecht. En waarom wordt er niet geirrigeerd? De EEG heeft veel geld voor dit gebied beschikbaar gesteld. De mensen klagen dat ze er nog niets van hebben gemerkt.

Ik voel de benauwde uitzichtloosheid als ik hier zo met de jongens in het koffiehuis zit te praten.

Pas als de plastic stoelen zich aan mij vastzuigen en ik pijn in mijn rug heb van het zitten, durf ik afscheid te nemen. Uren later, als ik weer langs het koffiehuis loop, op weg naar een afspraak, zitten de jongens er nog steeds.

Onbeweeglijk. De theeglazen zijn weggehaald. Het is die uitzichtloosheid die de jongeren dwingt hun geluk in het buitenland te zoeken.

Omar, 19 jaar oud, besloot samen met 23 werkloze vrienden een boot te kopen.

Immers, een tocht per boot naar Spanje is de enige mogelijkheid om zonder toelatingspapieren de oversteek naar West-Europa te maken. Zes jaar lang had Omar samen met zijn vrienden, in het geheim, geld gespaard, ieder zorgde voor vijfhonderd gulden. Hun ouders wisten van niets. Op 12 mei 1992, midden in de nacht, stapten ze, vlakbij Tanger in NoordMarokko, aan boord van hun oude boot.

25 kilometer scheidde hen van Spanje. Het was winderig, maar de jongens wilden niet wachten. Na twee uur varen sloeg het weer om. Een storm stak op. Het begon verschrikkelijk te regenen. De boot werd een prooi van de wind en slingerde tussen de hoge golven heen en weer. Omar is hevig geemotioneerd als hij het verhaal vertelt. Zijn ogen staren naar de grond. Het is alsof hij het weer meemaakt. Weer het moment beleeft waarop de boot omsloeg en zijn vrienden en hijzelf in het water vielen. Het gevecht tegen de dood begon. Omar en drie vrienden hebben het gered, twintig vrienden kwam om in de golven. Drie uur lang konden Omar en zijn drie vrienden zich drijvend houden. Een voorbijvarende Spaanse boot zag hen 's morgens om zes uur toen het begon te dagen. De bemanning pikte hen op. Omar en zijn vrienden werden naar het ziekenhuis gebracht. Ze moesten terug naar Marokko. De Marokkaanse consul kwam aan het ziekbed om hun terugkeer te regelen. Terwijl de sporen van de verschrikkelijke gebeurtenis nog op hun gezicht lagen, beet de consul hun toe: “Zijn jullie helemaal gek. Hoe kun je zo jouw leven en dat van anderen wagen?” Omar keek de consul aan. Hij haalde adem en zei met een stem vol ingehouden woede en verachting: “Jij weet donders goed waarom wij en zoveel anderen ons leven wagen. Hoe durf je dat nog te vragen?”

“Zou je het nog eens doen?”, vraag ik Omar. Hij tilt zijn hoofd op en zegt zacht, een beetje bevend: “Zo'n boottocht maak ik nooit meer, maar ik zal alles proberen om uit dit land te komen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden