'Ik vier mijn feest in stilte'

Adriaan Morriën (IJmuiden, 1912) is schrijver, dichter, essayist, vertaler en criticus. In 1989 won hij de Herman Gorterprijs. Onlangs werd 'Brood op de plank', zijn verzameld kritisch proza, uitgegeven. Morriën staat te boek als de ontdekker van Gerard Reve, Harry Mulisch en W. F. Hermans.

Arjan Visser

1. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

,,Ik heb in mijn jeugd vooral met die ene God te maken gehad. 's Middags en 's avonds na het eten werd uit de bijbel voorgelezen en op school begon je met het zingen van een psalm om daarna les te krijgen in de bijbelse geschiedenis - tot de geografie van het land Kanaan aan toe. Ik raakte ook overvoed met het zondebesef; dat ik 'in Adam der verdoemenis deelachtig' was en alleen door de genade Gods een kleine kans maakte om gered te worden. Natuurlijk was ik bang. Vooral in het donker. De wereld is uit chaos en duisternis geschapen. Duisternis. Een mooi woord, maar het is heel bedreigend.

Het geloof is mij pas na mijn zestigste opgebroken. Voor die tijd heb ik, op mijn manier, makkelijk geleefd. Ik moest wel hard werken, maar ik had mijn gezin, mijn sublimaties, mijn voldoening. En ineens raakte ik van de kaart. Ik kreeg een depressie, een angstneurose die een aantal jaren heeft geduurd. Ik heb mijzelf lange tijd afgevraagd hoe dat kon gebeuren en heb uiteindelijk de diagnose 'postcalvinistisch syndroom' gesteld. Het gekke is dat ik een paar jaar geleden in Trouw een bespreking las van een boekje dat door een therapeute, een domineesdochter, was geschreven waarin zij opmerkt dat haar patiënten vaak stemmingsstoornissen kregen, juist door die christelijke voorstellingen in hun jeugd over hel en verdoemenis. Toen dacht ik nog: daar komen ze dan nog flink laat achter. Het calvinisme werkt neurotiserend als je er aan twijfelt. Pas als je er in gelooft, kun je op Gods genade rekenen. Dan kom je in de hemel.''

2. Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

,,In 1931 deed ik eindexamen en mijn leraar Nederlands vond dat ik moest gaan studeren. Hij gaf mij zijn oude leerboeken Grieks en Latijn en zo kwam ik in aanraking met de mythologie die ik in eerste instantie heel vervelend vond. Ik zag alleen maar gipsen beelden voor me. Pas tien jaar later ben ik mij er voor gaan interesseren en vond dat deze voorstelling veel leuker was dan die van de christenen. Voor hen geldt: wij zijn naar Gods beeld geschapen, terwijl de Griekse goden duidelijk naar óns beeld geschapen waren. Het was een veel rijker gezelschap; deugnieten die alles deden wat Jaweh had verboden. Toen werden ze pas interessant en ook amusant voor mij. Nee, niet geloofwaardig - natuurlijk niet. Maar ik denk dat de ontwikkelde Grieken er destijds zelf ook niet in geloofden. Het geloof is toch voornamelijk bedoeld voor mensen die, als verklaring van het levensraadsel, het sprookjesachtige met het ondoordachtzame weten te verbinden. Dat is vooral bij de EO nog altijd het geval.''

3. Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

,,IJmuiden had de grootste vloekdichtheid van Nederland. Ik vloekte er ook op los. Misschien uit protest, tegen mijn afkomst. Wij hoorden bij de Fijnen. Fijner dan gemalen kippestront. Ik schaamde me vreselijk voor ons geloof. Mijn vriendjes zeiden vaak: 'Jezus Christus!' maar dat heb ik heel lang niet durven zeggen. Alsof ik daar toch nog een bepaald respect voor had. Ik had een partiële, maar sterke Jezus-identificatie. Jezus was mijn betere ik. Ik vond het, als twaalfjarige, geweldig dat hij met schriftgeleerden in discussie ging. Ik zou er zelf veel te schijterig voor zijn. Trouwens, de dominee zou zoiets helemaal niet dulden.''

4. Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

,,Je mocht niet naar buiten, tenzij met je ouders. Een rondje wandelen om het kerkhof. Niet spelen. Eerst naar de kerk van tien tot kwart voor twaalf, dan van half een tot half twee - dus nauwelijks tijd voor een kopje koffie en een zandkoekje - naar de zondagsschool en daarna naar huis om te eten. Aan het einde van de middag, bij het sterven van de dag, moest ik nóg eens, van vijf tot kwart voor zeven, naar die kerk. Ik herinner me vooral de donkere avonden waarop ik door de straten liep, terug naar huis. Door de voordeur naar binnen - dat deden we alleen op zondag. Vader die de kachel oppookt, het licht dat op tafel valt. Het was voor mij van een grondeloze triestheid. Ik stikte haast van zelfmedelijden, van verdriet over dat hele leven. Dat van mij, dat van mijn vader en moeder. We leefden bij wijze van spreken al in een somber hiernamaals. Nee, dat waren geen opgewekte dagen. Nu vind ik de zondag heerlijk. Ik hoef nooit meer naar die rotkerk.''

5. Eer uw vader en uw moeder

,,Mijn moeder is dood. Dat kan ik, bij wijze van spreken, nog altijd niet verkroppen. Ik fantaseer vaak dat ik met mijn moeder naar bed ga. Zij is dan 26, en ik ben ook een jongeman. Voor mij zijn alle moeders meisjes. Dat zijn fantasieën die ik bij mezelf, speels, opwek. Zalige voorstellingen. Je kijkt me zo aan - heb jij dat nooit gehad? Ik vereerde mijn moeder. Zij is zich de mate waarin ik haar heb liefgehad zeker bewust geweest. Ik was achttien en noemde haar bij de voornaam, Neeltje. Dat was volstrekt ongebruikelijk in die tijd. Zij noemde mij vriend. Ik denk dat onze liefde wederzijds was, maar zoiets zeg je niet openlijk. Dat doen calvinisten niet. Die prijzen elkaar ook niet. Toen ik was geslaagd voor mijn eindexamen werd dat voor kennisgeving aangenomen. Er werd geen feest gevierd. Het waren niet zulke feestelijke mensen. Hoewel: hun feestelijkheid uitte zich op een intiemere manier. Aan tafel, met lekkere vis of zo. En je zag dat alle zorg - waartoe ze ook verplicht waren - van harte aan ons werd besteed. Oprechte zorgzaamheid. Vanzelfsprekend.

Mijn vader heeft altijd gedacht dat ik van hem hield, als kind. Terwijl ik bang voor hem was. Ik heb zelfs een keer gezegd dat ik een hekel aan hem had. Het heeft mijn jeugd behoorlijk bedrukt dat ik die innerlijke afstand hield, maar ik kon het niet helpen - hij was mij vreemd. Mijn moeder vertelde ons dat ze eigenlijk niet had willen trouwen. Op aandringen van haar moeder heeft ze het uiteindelijk toch gedaan. Zij had gezegd: 'Wat wil je dan met je leven? Dienstmaagd blijven?' Ik heb foto's van mijn moeder, ouderwetse portretten, gekregen na haar dood. Op één foto is zij niet ouder dan achttien. Je ziet meteen dat ze depressief is. Of verschrikt, op zijn minst. En dan is er nog het familieportret. Mijn oudste broer staat bij mijn vaders knie, mijn zusje bij mijn moeders rok en ik, een baby nog, zit op een tafeltje tussen mijn ouders in. Op die foto straalt het geluk uit haar ogen. Haar glimlach is hemels. De vreugde van het huwelijk heeft zij in het moederschap beleefd. Ze is gestorven aan een hersentumor. Vooral de laatste jaren denk ik er aan hoe gek het is dat ik nu al dertig jaar langer leef dan mijn moeder. Ik had haar een veel langer leven gegund.''

6. Gij zult niet doodslaan

,,Mijn normale toestand is vreedzaam. Ik ben niet vijandig, tegenover wie of wat ook. Maar in de kiem leeft doodslag in ons allen; wij zijn toch ook dieren? Christenen geloven niet dat we uit het dierenrijk zijn geëvolueerd, terwijl dat toch veel wonderlijker is dan geschapen worden door één God. Het is een zich voortzettende schepping die haar eindpunt nog niet heeft bereikt. En er zijn nog altijd twee mogelijkheden: een voortgaande civilisering of een voortgaande ontaarding. Dat zijn de wegen waarvoor ieder mens zich afzonderlijk ziet gesteld.''

7. Gij zult niet echtbreken

,,Ik ben in maart 1944 getrouwd. Ik had een mooi meisje, uit mijn dorp ook nog. Bovendien was zij niet op een of andere malle manier preuts. Dat haatte ik. Ik papte ook nooit met christelijke meisjes aan. Ik viel eerder op de wat geraffineerdere, wuftere, vrolijkere meisjes die ook wel eens een jongen hadden gezoend. Ik vond het huwelijk op den duur te benauwend en begon, na de oorlog, met andere vrouwen om te gaan. In 1956 leerde ik een meisje kennen op wie ik erg verliefd werd. Ze studeerde Frans en was een vriendin van Joke Smit. Het was een schat, een intelligente meid, in elk opzicht tegen mij opgewassen. Het heeft anderhalf jaar geduurd voordat mijn vrouw erachter kwam. Ze stapte meteen naar de advocaat, maar kon een scheiding toch niet doorzetten. Ik ook niet. In die tijd moest je alles opgeven als je met een andere vrouw wilde gaan wonen. Dat betekende dat ik ook mijn kinderen kwijt zou raken. Mijn oudste dochter was tien, mijn jongste zes. Ik ben altijd stapelgek op hen geweest. Dit kon ik niet aan, maar ik wilde ook mijn vriendin niet opgeven. In eerste instantie hebben we een compromis gesloten: ik bleef thuis wonen, maar zou op dezelfde manier met die vriendin blijven omgaan. Maar door het besluit niet te scheiden, veranderde haar positie. Zij kon er niet meer op hopen dat ik met haar zou trouwen. Ze wilde ook graag kinderen en alleen door een huwelijk had het ooit zo ver kunnen komen. Na een paar maanden vertelde ze mij dat een jongeman haar het hof maakte en met haar naar de bioscoop wilde. Of ik dat goed vond. Ik zei: 'Ja, natuurlijk. Je bent vrij.' Toen ging ze met die jongen uit. Op een dag vroeg ze of ze hem een keer mocht meebrengen, ze wilde weten wat ik van hem vond. Dat vond ik heel rechtschapen van haar. Hij kwam. Ik vond hem aardig, gevoelig, intelligent en als jongeman heel aantrekkelijk - een heel geschikte huwelijkskandidaat. Toen hij wegging vertelde ik haar dat ook. Ze vroeg: 'Wat moeten we nu?' Ik zei: 'Ik zal je een maand niet bellen voor een afspraak. Ga met hem om. En als je denkt dat je met hem niet verder wilt, bel mij dan weer.' Ze liep met me mee. De hele stad door. En toen hebben we in de Raadhuisstraat, op de brug over het Singel, afscheid van elkaar genomen. Ik zie haar gezicht nog voor me. Tranen stroomden over haar wangen.

In de zomer van het volgende jaar kreeg ik een huwelijksaankondiging. Na een jaar of wat kreeg ik een brief van haar waarin ze schreef dat ook zij nu twee kinderen had. Ik heb haar teruggeschreven, hoe het met mij ging, met ons, met de kinderen. En ik schreef haar in afkortingen: i h n a v j. Ik hou nog altijd van je. Acht jaar later vertelde Joke dat onze vriendin in het ziekenhuis was opgenomen. Dat ze vreselijke hoofdpijn had en af en toe ook een soort flauwtes. Ik heb haar opgezocht. We hebben gepraat, heel ontspannen en vertrouwd ook. Na een tijdje ging ik weg en wilde haar een hand geven. Ze trok mij naar zich toe en kuste me op mijn mond. Een paar dagen later raakte ze bewusteloos en werd geopereerd. Toen bleek dat ze een hersentumor had. Net als mijn moeder. Een jaar later was zij dood. Ze is niet ouder geworden dat twee- of drieëndertig jaar. Het is nu veertig jaar geleden. Zij heeft in gedachten de grootte van mijn moeder gekregen; ik heb mijn moederideaal geërotiseerd en in deze vrouw gevonden. Ze had dezelfde kleur ogen, dezelfde heldere vriendelijkheid, dezelfde glimlach. Je zou kunnen beweren dat zij mijn grote liefde was. Maar dat is ook makkelijk om te zeggen omdat ik niet de dagelijksheid met haar heb beleefd. Misschien was het dan anders geweest. Als die hele affaire in deze tijd had gespeeld, had ik daar best een redelijke oplossing voor kunnen vinden. Dan had ik twee gezinnen gehad, dat was ook leuk geweest. Tragisch eigenlijk. Het is nu niet smadelijk meer, maar toen zat die hele boel op slot.''

8. Gij zult niet stelen

,,Ik heb ooit een ansichtkaart van een filmster gestolen. Gloria Swanson, weet ik veel - ik had nog nooit een film gezien. Ik stal uit opgelegde onthouding. En ik heb een keer een pakje Egyptische sigaretten - van die platte - uit de broekzak van een vriendje gestolen. Hij was eigenlijk mijn vriendje niet, maar ik wilde gaan wandelen naar Zandvoort en mijn echte vrienden waren er niet. En toen schoot alleen die Piet Schaap nog over. Ik haalde de sigaretten zó uit z'n zak en hij dacht dat hij ze verloren had. Ik schaamde me er voor dat ik iemand die ik kende - ook al mocht ik hem niet - bestolen en bedrogen had. Maar dat is, bij mijn weten, het enige wat ik in mijn leven van een ander heb ontvreemd. Niet veel hé?''

9. Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

,,Mensen liegen vaak omdat anderen hen niet toestaan de waarheid te spreken. Absolute, morele geboden maken leugenachtig omdat niemand zich aan die strenge geboden kan houden. Ik geloof ook dat de moraal niets anders is dan een voortzetting van het belang met andere middelen.''

10. Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

,,Ik heb niet zo zeer de aard om iets van een ander af te willen pakken, of een ander te benijden. Ik zit ook niet te wachten op een uitnodiging voor de Libris-prijs. Ik kan niet eens een hele avond naar zo'n uitreiking kijken. Dat gelul ook. Het is toneel. Nee, het heeft niets met afgunst te maken. Het succes van anderen heeft mij nooit zo bezig gehouden. Ze hebben een marktwaarde, maar wat betekent dat nou? Ik kan mij moeilijk voorstellen dat een goede verkoop je innerlijk bevredigt. Je kunt nooit anders schrijven dan je schrijven kunt. Ik kan Robert Musil niet zijn, omdat ik zo niet schrijf. Mulisch zeg je? Mulisch is een groot talent, maar met de producten van dat talent heb ik niet zoveel. Het heeft een accent van grootspraak en daar houd ik niet zo van. Toen ik het manuscript van Archibald Strohalm las, was ik er erg van onder de indruk. Dat geldt ook voor Hermans. Hij is in 1944 bij me gekomen. Een volstrekt onbekende jongeman. Ik las Conserven en zag meteen dat het ongewoon was, maar ik ben nooit een blinde bewonderaar van hem geweest. Dat betekent niet dat ik zijn bijzondere, zij het beperkte, ietwat hardnekkige talent niet erken. Ik werd nieuwsgierig naar hem en we zijn acht jaar lang bevriend geweest. Ik heb prikkelende, aangename jaren met hem beleefd. We discussieerden nachten lang en dwaalden samen door de stad. Maar wij waren tegenstrijdige naturen en onze vriendschap was er een uit wantrouwen. Toen ik dat, op het laatst, eens tegen hem zei, keek hij me heel verschrikt aan, maar hij ontkende het niet. Ik vond Wim in allerlei opzichten onuitstaanbaar. Hij nam de literatuur zo vreselijk serieus. Hij was een soort Mozes van de literaire geboden. Mozes uit de Eerste Helmerstraat.

Voor mij was het goed genoeg om hen te 'ontdekken'. Ik ben geen beroepsschrijver. Hoe graag ik ook schrijf, ik kan het dagen laten. Ik heb nooit naar eeuwige roem verlangd. Bij mijn betekenis in dit leven, denk ik in de eerste plaats aan de mensen om mij heen. Zijn er mensen van wie ik kan houden, voor wie ik iets beteken, aan wie ik plezier kan beleven en zij aan mij? Ik denk wat dat betreft heel pragmatisch. Dat is alles wat er toe doet. Plezier is voor mij een kernwoord. Misschien denken andere mensen meteen aan de kermis of aan een literaire maaltijd of zoiets, maar voor mij is dát het nu juist niet. Ik vier mijn feest in stilte. In een vertrouwde omgeving. Dat betekent niet dat ik ook niet graag over de hele wereldbol had gezworven, maar daarvoor is het nu te laat. Ik zou best nog een paar keer willen leven, maar ik heb het niet voor het zeggen. Hier moet ik het mee doen. En ik ben nog zo gelukkig dat ik zo lang heb mógen leven. Ik ben ouder geworden dan ik ooit had kunnen dromen. Ik vind de eindigheid op zichzelf niet zo'n probleem, want die geeft het leven ook z'n spanning; daardoor doe je dingen, wil je iets bereiken. Nee, de eeuwigheid, díe is pas dodelijk.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden