Ik verlang naar Bagdad

'Ik wil door de stegen van het oude Bagdad lopen, ik wil mijn oude studentenkamer in de wijk Albataween bezoeken, ik wil bus nummer 6, de rode dubbeldekker, nemen en onder de trap gaan staan om te kijken naar de onderbroeken van de vrouwen, ik wil naar mijn favoriete bioscoop.' De Nederlands-Koerdische schrijver Ibrahim Selman wil naar Bagdad, maar zijn vrouw wil niet dat hij gaat. 'Zij is bang dat ik nooit meer terugkom. Die angst is diep geworteld en er is geen macht die haar ervan af kan helpen.'

Ik wou dat ik geen verlangens had, dat ik geen heimwee had en geen liefde voelde voor mijn bittere verleden. Kon ik mijn gevoelens maar negeren en mijn hart verstenen wanneer het mij probeert te vertederen. Maar dat kan ik niet, daarvoor ben ik te zwak; ik heb te lang in ballingschap geleefd en ballingschap vertedert.

Ik verlang verschrikkelijk naar Bagdad. Ik wil erheen. Ik wil mijn oude wonden daar in het openbaar verbranden. Die laffe, zwakke wonden liggen daar al jaren te smeken om genezing. Ik moet er een einde aan maken, ik moet hun vaarwel zeggen. Als ik in Bagdad ben, zullen mijn herinneringen weer juichend te voorschijn komen uit de smalle stegen, de wijde moderne straten, uit de theehuizen, vanonder de marktkramen, uit de schoolbanken en zelfs uit de bloedrode zandkorrels van de woestijn.

Ik wil mijn oude studentenkamer in de wijk Albataween in het hartje van Bagdad bezoeken. In dat huis ontmoette ik mijn grote liefde, een liefde op het eerste gezicht. Ik wil door de Al Rashidstraat lopen, waar de geuren vele dode gebeurtenissen tot leven zullen roepen. Ik wil langs al die cafés gaan, naar de melancholische muziek luisteren en bitterzoete thee drinken. Ik zal mezelf als een klein jochie dat maris verkoopt, voorbij zien komen. Ik zal mezelf zien als een jongeman die mensen fotografeert.

Maar mijn vader zal niet komen. Meer dan een kwarteeuw heb ik hem gesmeekt, maar hij verschijnt niet, ook niet in mijn dromen. Ook in Bagdad zal hij niet verschijnen, die koppige vader van mij. Misschien verschijnt hij bij de poort van de letterenfaculteit, als ik daarnaartoe ga. Aan die faculteit studeerden volgens hem de mooiste vrouwen van heel Irak.

Maar zo ver is het nog niet. Bagdad is verder weg dan ooit.

Ik wil door de stegen van het oude Bagdad lopen, waar ik in de vroege ochtend door moest naar de pizzabakkerij, bang voor de dronken zwervers en zwerfhonden. Ik wil naar de parken waar ik met mijn geliefde stiekem in de hitte wandelde. Ik wil mijn lagere school bezoeken waar ik de eerste racistische klappen kreeg en van top tot teen onder het bloed zat. Ik wil bus nummer 6, de rode dubbeldekker, nemen en onder de trap gaan staan om te kijken naar de onderbroeken van de vrouwen. Nee, ik wil eerst door 'Shari al nahrain' (de Tweerivierenstraat) wandelen, waar de mooiste vrouwen hun make-up en lingerie kopen. En ik wil in de drukte zoek raken tussen al die vrouwen, hun geuren opsnuiven, soms met de palm en soms met de bovenkant van mijn hand die lekkere zachte vrouwenbillen voelen. Ik wil weer kind worden. Een onschuldig kind.

Ik zal mezelf verwennen met een broodje shoarma en een kleine fles cola. Ik wil naar mijn favoriete bioscoop en de verkopers van popcorn horen roepen. Ik wil de grote tuin van de faculteit der schone kunsten bezoeken en mijn eerste acteerles volgen. De lijst van mijn wensen in Bagdad is lang, te lang. Maar niet langer dan de wandaden van Saddam en zijn zonen.

Ja, ik wil alles terughalen wat begraven ligt in de kleine cellen van mijn vermoeide hersenen. Ik wil alles verzamelen, in een koffer stoppen en meeslepen naar de oever van de Tigris. Daar wil ik alle liederen en melodie'n die mij al een kwarteeuw achtervolgen, afspelen, uit de lucht halen en in die koffer stoppen. Ik wil de koffer met mijn herinneringen aan een grote steen vastbinden en in de rivier gooien. Ik wil mijn verleden laten verdrinken. En welke plek is geschikter dan de rivier de Tigris in het hartje van Bagdad?

Nee, ik zal niet op zoek gaan naar Paul Bremer of naar de leden van de tijdelijke democratische regering. Ik hoop wel dat alle schuldigen berecht worden. Ik hoop dat de Arabische en islamitische wereld eindelijk de wandaden van Saddam erkent en zich ervan distantieert. Ik zou de politiek wel af willen schaffen. Ik zou het hele land willen zuiveren van haat, terroristen en wapens. Maar ik ben bang dat ik in plaats daarvan gefrustreerd raak. Ik ben bang dat mijn frustraties gaan collaboreren en mij met z'n allen in een koffer vol explosieven stoppen en in de woestijn gooien.

Nee, het zal niet lukken naar Bagdad te reizen. Het zal me niet lukken het oude Bagdad uit mijn longen te spugen en een nieuw Bagdad in mijn ziel op te nemen.

Als, als, als ik daar kom, dan zie ik iedereen van me wegrennen. Mijn broertje die al ruim twintig jaar zoek is, zal me overal omsingelen. Mijn vader zal tranen in de ogen krijgen en oneindig ver van me wegrennen. Mijn moeder zal de moeite niet nemen haar skelet met een hoofddoek te bedekken en op me afkomen. Al die dode vrienden, neven en kennissen zullen me niet willen herkennen, maar mij ook niet vrijlaten. Heb ik ze allemaal in de steek gelaten? Kan ik het ooit goedmaken? Ik wil erheen om mijn schuldgevoel, dat me dag en nacht teistert, kwijt te raken. En zolang ik er niet heen ga, blijven mijn nachten in paniek nachtmerries produceren. De spanning in mijn hoofd blijft stijgen en ik kan niet goed slapen en zeker niet uitslapen. Ik kan nooit uitslapen, zelfs niet op zondagen, vakantie- en feestdagen. De wekker in mijn hoofd blijft rinkelen, actief tot in de eeuwigheid. De zeventien ganzen die op het grasveld tegenover mijn huis wonen, willen niet dat ik uitslaap. De meeuwen die iedere dag vliegend op de ramen van mijn huis poepen en op het dak gaan staan krijsen, willen niet dat ik uitslaap. De kleine kinderen die ongelofelijk snel groeien en op het pleintje tegenover mijn voordeur spelen, willen niet dat ik uitslaap. Niemand wil dat ik uitslaap, behalve mijn vrouw, die wil dat ik eeuwig stil naast haar blijf liggen, en niet naar Bagdad reis.

Sinds jaar en dag weigert ze te accepteren dat ik naar Irak ga. 'Als je belooft niet naar Bagdad te gaan, mag je naar Koerdistan.' Dat is het enige perspectief dat ze mij geeft. Ik ben een paar keer in Koerdistan geweest en de verlangens die ik naar Koerdistan had, heb ik op de top van een berg in vlammen laten opgaan. Koerdistan houdt zijn armen wijdopen, maar de spanning om Bagdad te zien overtreft alles.

Mijn vrouw heeft slapeloze nachten. Zij is bang dat ik, wanneer ik naar Irak ga, nooit meer terugkom. Die angst is diep geworteld en er is geen macht die haar ervan af kan helpen. Zij heeft ervoor gezorgd dat niet alleen zij die angst heeft, maar ook onze kinderen. Zij vormen een hecht blok om mijn reis naar Bagdad te verhinderen.

Drieentwintig jaar geleden heb ik haar en onze twee kinderen, die toen één en vier jaar oud waren, achtergelaten en ben ik gevlucht naar de bergen van Koerdistan. Mijn vrouw durfde niemand te vertellen dat ik was gevlucht. Niet aan haar vader. Niet aan haar broers. Niet aan haar zus en haar neven en nichten. Niet aan de directrice van de school waar ze als onderwijzeres werkte. Niet aan de buren en zeker niet aan ons kind van vier jaar oud. Hij zou het de kinderen van de buren vertellen en dan was het leed niet te overzien. Iedere ochtend voor ze naar haar werk ging, smeekte zij mijn moeder, die bij ons inwoonde, haar verdriet voor zichzelf te houden en het niet naar buiten te brengen, het ook niet aan de kinderen te laten merken. Op school bleef ze zich tijdens de pauzes met de scholieren bezighouden, om ieder contact met haar collega's te mijden. Niemand kon zij vertrouwen. Iedereen kon een geheim agent van Saddam Hoessein zijn. Zelfs toen de man van een van haar collega's werd opgepakt en zijn lijk een paar dagen later voor de deur werd neergelegd, durfde ze die collega niet te bezoeken om haar te condoleren. De collega's die dat wül deden, kregen ontslag en werden regelmatig verhoord.

Maandenlang, dag in dag uit, telde ze de uren en seconden; de tijd werd haar vijand. Ze verwachtte elk moment de komst van de geheime agenten om haar en de kinderen te arresteren. Elk geluid, elk gefluister en elke beweging rond het huis liet haar schrikken. Ze had voor de zekerheid een koffer klaargezet met luiers en wat extra kleding.

Mijn vrouw, mijn moeder en de kinderen kregen zelden bezoek en gingen ook zelden op bezoek. Al die vrienden die graag langskwamen en bleven logeren, kenden mijn gezin niet meer. Iedereen keerde haar de rug toe. Ze wilden problemen vermijden en mijn gezin was een probleem geworden. Misschien vervloekten mijn vrouw en mijn moeder mij; misschien baden ze voor mij.

Ondanks de geestelijke marteling die ik haar met mijn vlucht bezorgde, bleef mijn vrouw alert. Ze vond een kennis die voor haar, in ruil voor veel geld en een volledige machtiging, een paspoort regelde. Dat paspoort moest ze goed verborgen houden, want het kon leiden tot haar arrestatie, tot martelingen en tot alles waarvan iedereen nu weet dat het regime van Saddam in staat was.

Achteraf was het misschien beter geweest als ik hen mee had genomen. Maar dat was onmogelijk; ik weet bijna zeker dat de kinderen de barre tocht door het besneeuwde, chaotische en gevaarlijke gebergte van Irak en Iran niet hadden overleefd. Een gebergte waar de mensen in het dal niets wisten van de mensen op de top. Waar 'communicatie' nog niet uitgevonden was. Waar je blootstond aan schietende helikopters en de oprukkende elite-eenheden van het Iraakse leger, 'de trots van de Arabische natie', maar ook aan onderlinge gevechten tussen de Koerdische opstandelingen zelf.

Na een zwerftocht van maanden door de Koerdische bergen van Irak en Iran, kwam ik via Syri' in Nederland terecht. Daar stuurde ik mijn vrouw het bericht dat zij hierheen moest komen. Zij vertelde het aan niemand, zelfs niet aan de kinderen die zij mee naar Nederland zou nemen. Ze voegde nog een paar kledingstukken toe aan de koffer die al maanden klaarstond. Zij sloot de deur van het huis en liet de sleutel achter. Zij nam een taxi naar het centrum van Bagdad, waar ze mijn moeder naar een kennis bracht, die met haar naar Koerdistan zou gaan. Toen nam ze een taxi naar het vliegveld van Bagdad. Zij had een visum voor Belgi'; Nederland had haar een visum geweigerd!

Het lot wilde dat de dag na haar vertrek een totaalverbod op buitenlandse reizen werd afgekondigd. Niemand mocht het land uit zonder speciale toestemming van de autoriteiten. Zij vloog richting Brussel via tussenstoppen in Amman, de hoofdstad van Jordani', en Schiphol. In Amman passeerde ze de paspoortcontrole en liep naar de gate waar het vliegtuig stond te wachten. Toen werd omgeroepen dat 'een Iraakse vrouw die met haar twee kinderen en zonder echtgenoot op weg was naar Nederland' zich moest melden bij de vliegveldautoriteiten. Het bleef niet bij die oproep. Voor de gate stonden twee veiligheidsbeambten om die vrouw met haar twee kinderen mee te nemen. Ze had inmiddels kennisgemaakt met een jonge Iraakse vrouw die dezelfde vlucht zou nemen. Deze hielp mijn vrouw door de hand van mijn oudste kind vast te pakken. Zo leek het alsof ze alle vier samen reisden. Bij de gate vroegen de twee beambten de jonge Iraakse vrouw of zij samen met mijn vrouw reisde. Juist op dat moment kwam een grote groep westerlingen binnen. Ze maakten herrie en verbaasden zich over weer een paspoortcontrole. Zo ontsnapte mijn vrouw aan arrestatie. Wie had haar verraden? Iemand uit Irak? Of iemand uit Nederland?

Ik ging naar Brussel om haar te halen. Maar toen alle passagiers waren uitgestapt, was zij er niet. Het hart zonk me in de schoenen. Ik belde met een kennis in Nederland: mijn vrouw was in Amsterdam. Ik hoorde haar zwakke stem door de telefoon. Midden in de nacht kwam ik aan. Ik zag haar, maar herkende haar bijna niet. Haar gewicht was gehalveerd. Ze vertelde me dat ze gewoon in Amsterdam was uitgestapt. Het was een misverstand. Nadat ze de douane van Schiphol waren gepasseerd, had ze mijn zoon gevraagd om te kijken of hij mij ergens zag.

Een paar dagen geleden vroeg ik mijn zoon of hij zich er nog iets van herinnerde. Hij zei: 'Mam vroeg of ik jou ergens zag'.

Het werd stil. Hij verborg zijn ogen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden