'Ik verkoop het prachtige product literatuur'

Kennen leerlingen Vondel en Couperus nog? En zo nee: is dat erg? Vijf jaar geleden veranderde het literatuuronderwijs in havo en vwo van koers. Minder lesuren en literatuurgeschiedenis, meer aandacht voor de literaire ontwikkeling van de leerling. Hoe staat het schoolvak literatuur er nu voor? Leraar Joop Dirksen (54): ,,Ik ben intensief bezig met bij iedereen het goede boek te brengen.'' Leraar Jo Dautzenberg (58): ,,Het laat me tamelijk koud of leerlingen gaan lezen. Ik wil ze culturele eruditie meegeven.''

Hanneke snapt er helemaal niks van, Jeroen vindt het wel mooi. Klas 5 havo van het Eckart College in Eindhoven praat over 'Theodoor en de rechtvaardigheid', een verhaal van Anna Blaman. Alle 24 leerlingen moeten in één zin reageren op de tekst, die over Theodoor, de dood en het leven gaat. 'Vaag verhaal', vindt de een. 'Er is geen rechtvaardigheid in het leven', concludeert de ander. Leraar Joop Dirksen vat de kern van Blamans verhaal even samen: ,,Iedereen gaat ooit een keer dood. Dat is een niet zo vrolijke constatering op een gewone vrijdagochtend.''

,,Literatuuronderwijs is een klassengesprek'', zegt Dirksen, die al jaren het 'leerlinggericht' literatuuronderwijs propageert. Zijn leerlingen hoeven niet uit hun hoofd te leren wanneer Vondel en de Tachtigers leefden. Jaartallen, feiten, namen en titels, in de klas van Dirksen krijgen ze geen prioriteit. Zijn ambitie ligt op een ander terrein: ,,Mijn literatuuronderwijs is geslaagd als iedereen op zijn eigen niveau de waarde van kunst leert kennen.'' En daarom verdiept hij zich in zijn leerlingen, probeert hij iedereen naar het juiste boek te loodsen. Dat kan 'Het gouden ei' zijn van Tim Krabbé, maar soms ook 'De ontdekking van de hemel'. Dirksen: ,,Ik probeer elke leerling op zijn eigen niveau te laten starten. Heeft Yvonne Keuls je geraakt? Dan gaan we nu een stapje verder.''

De benadering van Dirksen sluit uitstekend aan bij de nieuwe eindexameneisen voor literatuur in de Tweede Fase, de bovenbouw van havo en vwo. Sinds 1998 ligt het accent daarin niet meer op literatuurgeschiedenis en kennisoverdracht, maar op de literaire ontwikkeling van de leerling. Die moet zich tijdens zijn schoolloopbaan ontpoppen tot een bewuste literatuurconsument, die zelfstandig een keuze kan maken uit het overweldigende boekenaanbod. Die precies weet wat hij lezen wil -en ook nog uit kan leggen waarom. Literaire begrippen -technische termen als thema, motief en perspectief- zijn vooral bedoeld als gereedschap om te praten over literatuur. Op school leren leerlingen kiezen, vergelijken en beoordelen, en die vaardigheden zijn belangrijker dan kennis over 'Karel ende Elegast' en het naturalisme. Uit het programma van havo-leerlingen is literatuurgeschiedenis zelfs helemaal geschrapt.

Daarover kan Jo Dautzenberg (58), leraar Nederlands aan het Canisius College in Nijmegen, zich nog altijd opwinden: ,,Ik vind het buitengewoon zot. De havo is de op een na hoogste intellectuele opleiding na de basisschool. En die leerlingen hoeven kennelijk niet meer te weten dat Vondel leefde, wie Multatuli was.'' Dautzenberg -die ook een 'ouderwets, kennisgericht schoolboek' schreef voor vwo-leerlingen- is een fervent tegenstander van het nieuwe literatuuronderwijs. Met ingang van dit schooljaar hebben hij en zijn collega's het leesdossier -waarin leerlingen hun persoonlijke leeservaringen moeten vastleggen- zelfs helemaal afgeschaft. Hij wijdt zich nu als vanouds aan zijn missie: leerlingen culturele eruditie bijbrengen. Door de Tweede Fase laat hij zich zo min mogelijk dwarsbomen: ,,Ze leren zich ongans.''

Het huidige literatuuronderwijs berust op een merkwaardige ideologie, vindt Dautzenberg: ,,Kennen zou minder belangrijk zijn dan kunnen, feiten minder belangrijk dan vaardigheden. Maar feiten verouderen niet, vaardigheden veranderen voortdurend.'' Zijn collega Dirksen is het helemaal niet met hem eens: ,,Kennis zonder vaardigheden is nutteloos. En 90 procent van alle kennis is zo vluchtig als wat.''

De twee docenten kruisten wel vaker de degens, hun visies staan lijnrecht tegenover elkaar. Het doel van literatuuronderwijs? Leerlingen leren omgaan met literatuur, ze leesplezier bijbrengen, zegt Dirksen. Dat is je reinste flauwekul, vindt Dautzenberg: ,,Heb je ooit gehoord van wiskundeplezier? Economieplezier? Ik zie ook niet in waarom een mens literatuur zou moeten lezen. Net zomin als waarom iemand van opera moet houden.'' Literatuurdocenten hebben altijd iets evangelisch, die willen het boek bij de mensen brengen. Zo niet Dautzenberg, die het woord 'leesbevordering' met de nodige ironie uitspreekt: ,,Ik geef gewoon les.''

Het is een cruciaal punt in elke discussie over literatuuronderwijs: leesplezier en leesbevordering als (impliciete) doelstellingen. Voor Dirksen is het een bijna politiek-ideologische missie: ,,Ik ben voor democratisering van de kunst. Ik wil leerlingen laten zien dat er voor iedereen een boek is.'' Het klassieke, kennisgerichte onderwijs van docenten als Dautzenberg is volgens Dirksen vooral gericht op die vijf leerlingen die toch al in literatuur geinteresseerd zijn. ,,Maar die andere 25 leerlingen worden vergeten. Dat is ook mijn verwijt aan hen: zij wakkeren alleen bestaande interesse aan.''

Om ook die 25 andere leerlingen voor literatuur te enthousiasmeren, moet de moderne literatuurdocent zich van een nieuwe didactiek bedienen. Goed literatuuronderwijs begint met luisteren, vindt Dirksen: ,,Als een leerling zegt: stom boek, dan is dat prima. Dat is dan het begin van een goed gesprek.'' Hij probeert steeds weer een brug te slaan tussen het boek en de leerling, de literatuurgeschiedenis en het TMF- & sms-leven anno 2003. Zo kan een sentimenteel fragment uit 'Julia' van Rhijnvis Feith heel goed uitmonden in een gesprek over rouwverwerking en de Bijlmerramp. En het 18de-eeuwse verhaal 'Kobus en Agnietje' van Justus van Effen leent zich uitstekend voor reflectie op moderne versiertechnieken. Dirksen: ,,De historische setting vind ik minder belangrijk. Ik wil dat leerlingen leren nadenken over zichzelf en ik gebruik de literatuurgeschiedenis om dat proces te intensiveren.''

Dat de methode van Dirksen wel eens vruchten af zou kunnen werpen, blijkt uit recent onderzoek van Marc Verboord. Voor zijn proefschrift 'Moet de meester dalen of de leerling klimmen?' (2003) onderzocht hij het verband tussen literatuuronderwijs en leesgedrag tussen 1975 en 2000. Hij ontdekte dat mensen die leerlinggericht literatuuronderwijs kregen, later zo'n 25 procent meer gingen lezen dan mensen die vooral kennisgerichte literatuurlessen volgden. Al moet Verboord die conclusie meteen relativeren: ouders hebben een veel grotere invloed op het leesgedrag van hun kinderen. En ook het huidige literatuuronderwijs kan de algemene trend niet keren: mensen gaan steeds minder lezen.

Het is de stellige overtuiging van Dautzenberg: ,,Onderwijs heeft maar heel weinig invloed. En laten we elkaar niets wijs maken: de meeste leerlingen hebben liever geen literatuuronderwijs.'' Toch denkt Dautzenberg dat er wel een verschil is tussen zijn leerlingen en die van Dirksen: ,,Ik hoop dat mijn leerlingen iets meer weten.'' Die eer gunt Dirksen hem wel: ,,Jo's leerlingen kunnen goed aan een quiz meedoen. En bij mij hebben ze allemaal ervaren dat literatuur een huis is met veel verschillende kamers.''

Dé literatuurleraar bestaat niet, zoveel is duidelijk. En ook in de Tweede Fase is er ruimte voor verschillende visies op het vak. De twee docenten zijn het overigens niet over alles oneens. Dat de verplichte literatuurlijst is gekrompen tot 8 (havo) of 12 titels, vinden ze allebei geen ramp. Het niveau van de gelezen boeken is belangrijker dan het aantal, vindt Dautzenberg: ,,Als een leerling met een flauw lijstje komt, dan zeg ik wel: als je hier echt alles van weet, krijg je een 6.'' Veel erger is dat het aantal lesuren voor literatuur in de Tweede Fase sterk is verminderd. Ook onderzoeker Verboord vindt dat een slechte zaak: ,,Het aantal lesuren heeft geen invloed op de leesfrequentie, maar wel op het leesniveau. Hoe minder lesuren leerlingen krijgen, des te minder echt literaire teksten ze gaan lezen.''

De universitaire wereld is intussen niet ontevreden over de huidige eerstejaarsstudenten. Wilbert Smulders, docent moderne Nederlandse letterkunde aan de universiteit van Utrecht: ,,Hun niveau van werken, hun zelfwerkzaamheid is duidelijk beter. En hun intellectuele niveau is zeker niet slechter geworden.'' De parate kennis van studenten is volgens hem heel divers, maar over het algemeen niet erg groot: ,,Een eerstejaars weet echt niet wanneer de Verlichting of de Tachtigjarige Oorlog waren.'' Daarover maakte letterkundige Frits van Oostrom, universiteitsdocent in Utrecht, zich in het begin nog wel zorgen: ,,Maar ik ben op alle fronten liberaler geworden. Literatuuronderwijs is opgeschoven van het encyclopedische naar het eclectische.'' In het huidige onderwijs is geen tijd meer voor een 'hordeloop door de literatuurgeschiedenis' en moeten leraren zich concentreren op fragmenten. Dat is prima, vindt Van Oostrom, zolang de leraar dat dan maar met passie en bezieling doet.

Met die bezieling zit het bij Dautzenberg en Dirksen wel goed, al richt die zich ook op verschillende aspecten van het vak. Dautzenberg gaat nog wel eens naar ,,zo'n krankzinnige cursus, waar een of andere hotemetoot me wil leren hoe ik kinderen moet leren leren of zoiets. Je steekt er nooit iets van op.'' Volgens hem is de opmars van de didactici de grootste ramp die het literatuuronderwijs heeft getroffen. Wat Dirksen uiteraard niet met hem eens is: ,,Iedere marketingdeskundige kan je vertellen dat een goed product waardeloos is als je het niet kunt verkopen. Ik noem mezelf met trots vakdidacticus. Want het prachtige product literatuur verkoop ik zo dat ook Jan met de pet er iets mee kan.''

De toekomst van het literatuuronderwijs? Dirksen: ,,Het type klassieke docent sterft uit en eerlijk gezegd vind ik dat niet erg.'' Zijn collega Dautzenberg weet zeker dat het studiehuis over vijf jaar is afgeschaft: ,,Dan is het ten strengste verboden om leesdossiers te maken. En dan moet er weer gewoon lesgegeven worden. Het traditionele kamp is nu kleiner, maar wel groeiende. Hoop ik.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden