’Ik rekende op een geperverteerd monster’

Wat voor kind komt er voort uit de krankzinnige verbintenis tussen een kunstenaar en een pornoster, vroeg Wieringa zich af. ¿Dat zoiets bestaat! Een kind als conceptuele kunst.¿ (FOTO WERRY CRONE, TROUW)

De stem van Fransje, de invalide held uit ’Joe Speedboat’, moest eerst uit zijn hoofd. Toen begon Tommy Wieringa aan zijn nieuwe boek, dat tot zijn verrassing gaat over een jongen die geborgenheid zoekt.

Tommy Wieringa vertrouwde het niet. „Ik leefde in de magische verwachting dat waar je zoveel toevloeit, je elders iets zou moeten inleveren. Ik dacht aan een Faustiaans pact: ik heb vast ergens mijn ziel verkocht. Maar waar?”

Precies een jaar lang hield het daverende succes van zijn vorige roman, ’Joe Speedboot’, hem van het schrijven. „Die tijd had ik nodig om eraan te wennen dat ik plotseling niet meer in karige omstandigheden hoefde te leven. Alles groeide. Verrukkelijk, maar lastig.”

Hij schudt zijn hoofd, haalt zijn hand over zijn glanzende schedel en laat zijn oog dwalen door het restaurant van Hotel Americain in Amsterdam. „Als je achtendertig jaar bent en nooit enige respons hebt gehad op je romans, dan is dat een wonderlijk verschijnsel. Mijn romans werden besproken, soms zelfs goed. Maar van ’Alles over Tristan’, mijn vierde boek, werden er in vier jaar tijd misschien zeshonderd verkocht. Niemand las die boeken.”

Knaagde dat aan zijn zelfvertrouwen? „Ik leerde dat ik nergens op moest rekenen. Het ging alleen om het schrijven zelf. Dat was een heel zuivere missie, bovendien eentje die ik nooit had willen opgeven. Al vanaf mijn elfde droomde ik van het schrijverschap. Niet vanwege het succes dat me dat zou opleveren, maar vanwege het schrijven zelf.”

En toen verscheen Joe Speedboot, het aanstekelijke verhaal van Fransje Hermans, een dorpsjongen die na een ongeluk in een rolstoel terecht is gekomen, maar de wereld met ongekende verbeeldingskracht bestormt. Juichende recensies tuimelden over elkaar heen, net als nominaties voor literaire prijzen. De twee bekendste, de AKO en de Libris, kreeg Wieringa overigens niet. „Ach”, gromt hij, „twee dagen knauwen op het been van teleurstelling en dan gaat het wel weer.” Wat hij wel kreeg, waren lezers. Heel veel lezers. Van Joe Speedboot zijn meer dan 300.000 exemplaren verkocht en het boek werd wereldwijd vertaald.

„Het was erg wennen. Ik woonde in een klein huisje, waar ik nog maar net kon staan zonder mijn hoofd te stoten. Ik had een klein autootje en een kleine vriendin. Alles klein, om maar te kunnen bestaan zonder baas.”

En nu rijdt hij in een Hummer? „Dat niet, maar ik ben wel twee cilinders opgeschoten. En mijn nieuwe vriendin is op de groei gekocht.”

Desondanks is voor de meeste van zijn lezers ’Caesarion’, zijn vandaag verschenen roman, the book after. „Voor mij niet”, zegt Wieringa. „Het is mijn zesde boek en dat heb ik met even veel drift, liefde en overtuiging geschreven als de voorgaande. Dat wil niet zeggen dat ik niets moest overwinnen om echt opnieuw te beginnen.” Maar dat had vooral te maken met de stem van Fransje, de invalide held van zijn vorige boek. „Die bekte zo lekker. Ik moest hem afschudden, een nieuwe toon vinden en dat duurde een tijdje.”

De kiem van zijn nieuwe, fascinerende roman ligt al voor het verschijnen van Joe Speedboot. „Het moet ergens in 2002 geweest zijn. Ik zat achterin een volkswagentje met een televisiejournaliste en vertelde haar dat Jeff Koons en Cicciolina samen een kind hadden verwekt. De anything goes-kunstenaar die alle musea ter wereld had vol gehangen met überkitsch en de pornoster die zich voor de camera liet nemen tot haar anus bloedde. Die twee mensen, die louter bestonden bij gratie van het licht van de camera’s, noemden hun zoon naar Ludwig van Beieren. Gekke Koning Ludwig, die de staatskas plunderde om krankzinnige kastelen hoog in de bergen te bouwen.”

Terwijl hij dat vertelde, merkte Wieringa hoe opgewonden hij raakte: „Dat zoiets bestond! Een kind als conceptuele kunst Ik dacht: er zit een verhaal in die jongen. Ik voelde ook meteen de diepte van het verhaal. Dit zou een kloeke roman kunnen opleveren.” Voorzichtig pakt hij van de tafel het allereerste exemplaar van Caesarion en weegt het op zijn hand. „Vijftig pagina’s meer dan de vorige.”

Wieringa wilde weten wat voor iemand voort zou komen uit zo’n verwrongen, krankzinnig en mythisch huwelijk. Wie zou daarvan het product zijn? Wat zou hem drijven? De roman is het antwoord op die vraag. ’Ze noemde me Caesarion’, staat er in het boek. ’Kleine Caesar. Mijn koosnaampje. Caesarion was de zoon van Cleopatra en Julius Caesar. Hij en ik waren in Alexandrië ter wereld gekomen. In zijn geval haastten de priesters zich te verklaren dat hij geboren was uit de verbintenis tussen Cleopatra en de god Amon-Re, die als Julius Caesar op aarde was geïncarneerd’.

Ludwig Unger – want ook Wieringa’s held heet Ludwig – woont als jongen met zijn moeder aan de rand van de afgrond. Hij brengt zijn jeugd door in Kings Ness, een klein dorpje aan de oostkust van Engeland, in een door de houtworm aangevreten houten huis bovenop een klif. Een paar jaar gaat dat goed. Totdat de zee zoveel van de kust heeft weggeslagen dat zij het huis moeten verlaten en het in een storm vergaat. ’Met verbazingwekkende lichtheid kantelde het huis rond haar lege as, en gleed kreunend, krijsend de diepte in’.

Vanaf dat moment is Ludwig ontheemd en gaat op zoek naar zijn ware identiteit. Hij zoekt een nieuwe balans met zijn moeder en neemt zich voor zijn vader te leren kennen. De megalomane, destructieve kunstenaar Bodo Schultz, die hem en zijn moeder had verlaten toen hij nog heel klein was. ’Nu’, denkt Ludwig, ’had ik twee ouders die gered moesten worden’.

Wieringa reisde de afgelopen jaren over de wereld naar plaatsen die een rol zouden kunnen spelen in zijn verhaal. In februari 2006 woonde hij een maand in een caravan op een rots aan de Britse kust. „Ik wilde weten hoe het is om op zo’n plek te wonen. De kracht van een storm, dat ongelofelijke woeden van wind en zee, dat kun je met woorden benaderen, maar ik wilde het ook ervaren. Het was grandioos. De lucht die van blauw plotseling groen werd, de kleur van het glas van zonnebrillen, wolken die zich opkrullen als een dier dat lijdt. Ik was verbijsterd door de realiteit van de storm.”

Ook Alexandrië bezocht Wieringa, de stad waar Ludwig ter wereld kwam. En Los Angeles, Wenen en Praag, de plaatsen waar Ludwigs moeder haar oude beroep als pornoactrice nieuw leven inblaast. Hij reisde zelfs af naar El Real, diep in het oerwoud van Panama, waar Ludwig zijn vader zou gaan zoeken. „Dat was fascinerend. Vocht, warmte, duisternis. Dieren die klinken als een tandartsboor of als twee tegen elkaar ketsende knikkers. Ik wist niet dat ze bestonden.”

De spannende scène waar Ludwig zijn vader, die hij dertig jaar niet meer heeft gezien, gaat opzoeken in het oerwoud lijkt de fameuze passage in ’Heart of darkness’ van Joseph Conrad te weerspiegelen, waarin de ivoorhandelaar Kurtz moet worden opgespoord. Schultz klinkt als Kurtz, maar een letterlijke verwijzing naar de roman van Conrad ontbreekt. „Dat is mijn genot. Het niet zeggen. Ik wil niet dat de verwijzingen het verhaal ophouden of afleiden van waar het om gaat. Maar ik kan niet ontkennen dat de parallel er is.”

Wieringa speelt in Caesarion een wervelend spel met schijn en wezen. Wie Kings Ness op Google Earth probeert te vinden, kan lang zoeken. Bestaat niet. Alburgh, de aangrenzende plaats, ligt zelfs niet aan zee. Laat staan op de rand van een klif. Wieringa buldert van het lachen. „Vind je het erg? Ik moet de omstandigheden een beetje naar mijn hand zetten. Ik vind dat je romans niet moet kunnen nalopen. Zoals bij A.F.Th van der Heijden: een roman als stadsplattegrond. Alles moet dan kloppen. Néé, dat benauwt me.”

Hij reisde niet om te verifiëren, maar vanwege het omgekeerde. Wieringa wilde zich laten verrassen. „Ik wil de grenzen van mijn eigen verbeelding tarten.”

Het verhaal van zijn roman werd zo langzaam tastbaar. „Aanvankelijk vlammen er een paar hersencellen op. Er gaat licht aan in je hoofd. Een idee! Maar een idee weegt niets. Daarna begint het pas.”

Het is de wens van Ludwig om ’alles te zien, om mysteries terug te brengen tot raadsels en raadsels tot oplossingen’. „Dat is ook mijn wens”, zegt Wieringa. „Sterker: het is mijn levensprogram. Maar ik sjoemel er ook mee. Ik weet dat de beschaving en de liefde ook bestaan bij gratie van het feit dat dingen verborgen worden gehouden. Maar ik wil in mijn boeken in de buurt van het mysterie komen, het even aanraken. Verwoorden.”

Vormt dat niet een vreemd contrast met een andere opvatting van Ludwig? In Caesarion spat het vertelplezier van de pagina’s, maar staat ook de zin: ’Je kunt de wereld niet meedelen aan een ander’.

Wieringa glimlacht. „De roman is bij uitstek een middel om dat wel te doen. De duur, de omvang en het vermogen van het genre zijn geschikt om de psychologie van munitie te voorzien. Freud heeft zijn voorbeelden uit de literatuur, niet andersom.”

Hij zwijgt even. „Op persoonlijk niveau is het vaak wel onmogelijk echt met elkaar te communiceren. Daarom heeft het leven vaak de smaak van mislukking. Een roman kan iets toevoegen wat in werkelijkheid ontbreekt.”

Wieringa buigt zich over de tafel en zegt: „Neem de geschiedenis van Ludwig. Het was een mooie ontdekking voor me dat die jongen zo naar binding streeft. Hij zoekt naar begrip en eenwording. Hij wil een huis. Hij wil thuiskomen. Die doelen streeft hij trouw na, met bijna masochistische volharding. Terwijl ik rekende op een geperverteerd monster.”

Als elfjarig jongetje wist Wieringa al dat hij schrijver wilde worden. De liefde voor het schrijven kwam uit het lezen voort. „Ik had zelfs bewondering voor de schrijvers van de allerdomste boeken. Een boek schrijven, wat een gevoel van almacht moest dat geven!”

Nu: „Klopt geen bal van, natuurlijk. Als je eenmaal zelf aan de slag gaat, dan verdwijnt dat gevoel als bij toverslag. Schrijven stemt nederig. Het blijkt altijd moeilijker en weerbarstiger dan je denkt. Maar gelukkig houd je, terwijl je schrijft, niet op je te verbazen.”

Zaterdag in boeken een recensie van Wieringa’s nieuwe boek.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden