Ik probeerde een herder te zijn

Acht Schoonebeeker schapengeneraties lang was Bas den Hond hun herder. Als hobbyboer leerde hij trouw en traditie, en bijna bidden. 'Ik wilde een goede herder zijn. Hun zou niets ontbreken.'

Op 24 oktober 2012 liet ik mijn kudde in de steek. Ik stond in de wei; aan mijn voeten lag een ramlam van een half jaar oud dood te gaan. Daar was het niet om.

Aan de overkant van een sloot liepen mijn dertien Schoonebeeker ooien met hun elf ooilammeren. Het was een goed jaar geweest.

Verderop was nog een knus landje, omringd door wilgen. Daar moest eigenlijk dringend een hek komen langs een sloot die gevaarlijk was gebleken.

Een dag later waren de schapen verkocht. Een week later begon hun ballingschap.

Ik heb ze negen jaar gehad. En dus tientallen van die hekjes gezet. Rustig, bedachtzaam werk. Van een smalle kamp maak je een serie vierkante stukken. De schapen lopen het eerste half uur wat onrustig rond in zo'n nieuw vak, proeven overal eens een hapje en gaan dan aan de slag, vreten, herkauwen, vreten. Zo hoort het, weten ze, en zo blijft het, denken ze. En ik denk precies hetzelfde.

Gemoedstoestanden toeschrijven aan ovis aries is niet zo hachelijk als het lijkt. Bij mijn ooien was er een hele foklijn (dochter-moeder-grootmoeder-overgrootmoeder) waarvan niet alleen de bij Schoonebeeker heideschapen gewenste bolle neus fraai overerfde, maar ook een toeschietelijk karakter. Als ik 's winters op de fiets aankwam om ze bij te voeren, waren zij de eersten die me luid blatend begroetten - want een schaap vergeet nooit een gezicht.

Omgekeerd heb ik, hekjes zettend, hoeven bekappend, soms zelfs lammeren verlossend, gemerkt dat in mijn hoofd meer opdook dan de tevredenheid die hoort bij een hobby.

Het hek zien, horen en ruiken dat je kudde gezond aan het grazen is, geeft zo'n sterk geluksgevoel dat ik me begon af te vragen of boer zijn niet is ingeslepen in de natuur van de mens, in de tienduizend jaar dat vee ons al helpt bij het overleven.

Bij mijn hond viel de munt natuurlijk al eerder. Liam was een bordercollie, een ras dat niet voor het mooi gefokt is, maar om schaapskudden op te drijven.

Elf jaar geleden gingen we met hem naar een probeerdag in Tilburg. Waren het twintig schapen die daar op het weiland stonden? Ik moest voor ze gaan staan en de riem losmaken. Van de volgende minuten herinner ik me alleen dat ik om mijn as draaide, overal schapen zag en tevergeefs om de aandacht riep van die zwart-witte tornado.

Toen ik weer bij mijn positieven kwam, stonden de schapen stijf om me heen en liep Liam hijgend rondjes om te zorgen dat het zo bleef. "Die hond", zei de trainer, "gaat jou nog veel leren."

Die avond deed die hond iets geks.

Terwijl hij anders graag van zijn rust genoot in de verste hoek van de kamer, kwam hij voor me zitten en keek me recht aan met wat ik niet anders kon interpreteren dan totale verbijstering - en de dringende vraag om terugkeer naar dat weiland waar je precies mocht doen wat je instinct zei dat goed was.

Twee jaar later was ik schapenboer, met een hond als collega. En stond ik vaak naar mijn beesten te kijken met net zo'n blik: verwondering dat onze lotgevallen zo aan elkaar verbonden waren geraakt; zekerheid dat ik iets aan het doen was dat heel erg zo hoorde; en het spannende vermoeden dat ik in onze bijzondere verhouding dingen aan het leren was die je niet uit boeken haalt. Over wat er tussen hemel en aarde is. Over wat mensen daar uitvoeren. En wat er misschien nog meer is.

Dat 'meer' noemen mensen - onder wie mijn ouders en veel van hun kinderen - 'God'. Ik heb daar de eerste helft van mijn leven weinig van begrepen. Een Wezen dat met almacht toezicht houdt op de door Hem geschapen aarde, maar wel hunkerend naar de verering van een tweebenig zoogdier? Daar aan het hek begon ik ze beter te begrijpen, zowel Hem als de mensen die zich iets aan Hem gelegen laten liggen.

Want als boer was ik in zekere zin aan God gewaagd. Ik besliste hoeveel mijn schapen te eten zouden hebben, wanneer de lammeren zouden komen, welke ram ze zou mogen verwekken. Ik zat een mooie zomerdag lang naast een doodziek schaap om het paardebloemen te voeren zodat het weer eetlust kreeg - en veroordeelde haar een seizoen later zonder aarzelen tot de slacht omdat ze een kind verstootte. Ik was, probeerde te zijn, een goede herder. Hun zou niets ontbreken.

Tegelijkertijd kreeg het boer zijn me bijna aan het bidden. Terwijl ik elke dag naar huis ging, en op veel dagen naar mijn werk, stonden de schapen in hun wei bloot aan de natuur. En die is niet misselijk.

Op zwoele zomerdagen kan de groene mestvlieg komen, die eitjes legt in de wol, waarna de maden je schaap van binnenuit stukvreten. In 2006 viel het dodelijke blauwtongvirus Nederland binnen. Er was die natte zomer waarin de voeten van een koppel rammen opzwollen en bloedig openbarstten, iets wat de dierenarts nog nooit had gezien. Op één na werden ze allemaal spontaan weer beter, maar dat wist ik nog niet toen ik over de dijk naar huis reed, en door een waas van tranen naar de weg kijkend mezelf hoorde vaststellen: "Het is een vijandige wereld. Een vijandige wereld."

Hoe te leven in zo'n wereld?Ora et labora, zegt de spreuk. Je hoopt er het beste van en je doet je best. Daarbij ontdekte ik in mezelf soms een verrassend fanatisme. Tijdens de droogte van 1995, duur hooi bijvoerend op een kaalgevreten en bruingeschroeid weiland, keek ik opeens met andere ogen naar de groene bermen van de weg erlangs. Maakte iets in mij zomaar plannen om mijn hond en mijn staf te pakken, het hek open te zetten en het koppel dan dat gras maar te laten vreten, donderde niet van wie het was. Ik snapte opeens de berichten die ik soms zelf in de krant moest schrijven over nomaden, in Kenia of Somalië, die bij uitblijvende regens op sjouw gingen met hun hongerige vee en het dan bloedig aan de stok kregen met akkerbouwers.

Kennelijk staat ook in mij iets klaar om een conflict aan te gaan dat volgens de Bijbel zo oud is als de wereld. "De mens, Adam, had gemeenschap met Eva, zijn vrouw, en zij werd zwanger en bracht Kaïn ter wereld", meldt Genesis. "Later bracht ze zijn broer ter wereld, Abel. Abel werd herder, Kaïn werd landbouwer." De afloop is bekend: herder en landbouwer brachten offers, dat van de landbouwer werd door God niet op prijs gesteld en daarop sloeg landbouwer Kaïn herder Abel de hersens in.

Met dat verhaal is iets vreemds aan de hand, vond ik altijd. God is boos, hij jaagt Kaïn weg, maar daarna gaat het de moordenaar niet slecht. En hoezo had God 'voor zijn offer geen oog'?

Omdat God van herders houdt, is het antwoord van de Israëlische filosoof Yoram Hazony. Zijn kort geleden verschenen boek 'The Philosophy of Hebrew Scripture' moest ik natuurlijk lezen zodra ik vernam dat hij het erin heeft over 'de ethiek van de herder'.

Als je erop let dan zwerven er heel wat herders van weidegrond naar weidegrond in wat we thuis het Oude Testament noemden. Het begint al met Abraham. Diens kleinzoon Jacob fokte twintig jaar schapen en geiten voor zijn oom Laban voor hij zijn harem mee naar huis kreeg. Mozes deed iets met schapen, koning David begon als herdersjongen. Zijn zoon Salomo was wijs en succesvol, maar geen herdersvorst - hij hief net als elke andere stedelijke potentaat hoge belastingen voor de bouw van de tempel en vele paleizen, en luidde daarmee de ondergang van het koninkrijk in.

Wat kunnen we hiervan leren? Volgens Hazony vormen de Tora en de daarop volgende boeken die de geschiedenis van Israël vertellen één samenhangend betoog. Het is gecomponeerd om aan de in Egypte in ballingschap levende Joden uit te leggen wat er zo speciaal aan hen is dat assimileren niet mag. En dat is: hun herdersethos.

De constante in de geschiedenis van Israël is dat mensen God telkens weer uitproberen, concludeert Hazony, en dat Hij dat waardeert als het met goede bedoelingen gebeurt. Kaïn gehoorzaamde met zijn geploeg en geplant het door God aan Adam gerichte gebod om na de zondeval zijn voedsel uit de akker te halen. Maar het was Abel die eer inlegde met zijn schapen hoeden, een bezigheid die niet in Gods taakomschrijving stond. Jacob worstelde een nacht met God en werd ervoor gezegend. Mozes bracht Hem al tegensprekend op andere gedachten. Schaapherders, betoogt Hazony, rondreizende nomaden, zijn in deze verhalen onafhankelijke geesten, meer dan stedelingen en akkerbouwers in staat zich los te maken van traditie en blinde gehoorzaamheid. Herders doen wat de bedoeling is: zelf op zoek gaan naar wat goed en waar is.

En wat is goed en waar? Hazony vat samen: wat betrouwbaar is. Mensen op wie je kunt bouwen, dingen die niet hun aard verloochenen of hun kwaliteit verliezen, kennis die je een goed leven bezorgt. Zo leren de verhalen, van de eerste stappen in de Hof van Eden tot de laatste koning van Juda.

Geloof het of niet: precies dat peperden mij de boeren in, drie in totaal, op wier bedrijven mijn schapen een tijd lang mochten lopen. De allereerste vraag van het allereerste contact dat ik aanboorde op zoek naar 'een landje met wat schapen' was: "En dan kom je met je hond, en een week later regent het, en dan kom je zeker niet meer?"

God zelf verpersoonlijkt die betrouwbaarheid, vindt Hij zelf: "Alleen de HEER, uw God, is God en Hij houdt woord; Hij komt zijn beloften na en is trouw aan ieder die Hem liefheeft en die doet wat Hij gebiedt, tot in het duizendste geslacht."

Dat laatste doet een eenvoudige schapenboer hem niet na. Maar ook in acht geslachten kom je veel te weten over betrouwbaarheid. Als je goed naar een boer luistert, naar de bijzinnen vooral, hoor je wat bij hem heeft gewerkt en wat niet. En het is waar: wie zich houdt aan die doorgegeven kennis boert niet slecht.

Acht geslachten waren het dus. Acht keer de ram erop, en dan vijf maanden later het wonder van telkens een nieuw dier dat als een pak natte kranten uit zijn moeder op de grond valt, opstaat en smakkend zijn plaats in de generaties inneemt. De negende keer liet ik het zomaar varen, het werk van mijn handen. Omdat ik verder moest, letterlijk, voor mijn schapen een continent te ver.

Die zijn 'voor het leven gegaan', zoals boeren zeggen, niet 'voor de dood'. Naar een herder in de Alblasserwaard die nieuw bloed wilde bij de vijfhonderd Schoonebeekers die hij al had. De ram wachtte ze op.

Na een week belde die man me nog een keer. "Die met oornummer 40, was dat je leidster? Telkens als mijn honden er aankomen, begint ze te blèren en dan neemt ze al die schapen van jou mee, de verkeerde kant op."

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden