’Ik moet erg om mijzelf lachen’

Maarten 't Hart wandelt door Leiden langs locaties uit zijn nieuwe roman. (Werry Crone/Trouw)

Maarten ’t Hart heeft een nieuwe roman geschreven. Zijn zeventiende alweer. „Ik was diep treurig en wilde mezelf uit het moeras omhoog trekken. Toen ben ik begonnen om het vrolijke verhaal van ’Verlovingstijd’ op te schrijven.”

Het is nog vroeg, maar Maarten ’t Hart is al uren wakker. Zoals altijd is hij al om vijf uur opgestaan. Hij heeft zelfs al gezwommen in het plaatselijke open bad. En nu zit de schrijver bij een koffiehuis in het centrum van Leiden monter achter een kop thee. Nauwelijks herkenbaar, want hij heeft een pet op en zijn gezicht gaat bijna geheel verscholen achter een grote ronde damesbril van Dolce & Gabbana. „Het is geen echte”, zegt hij geruststellend. „Gekocht op de markt voor acht euro.”

Dat we in Leiden hebben afgesproken, is geen toeval. Het is niet alleen de plek waar hij in 1962 vanuit Maassluis kwam wonen om biologie te studeren, maar ook de locatie waar het grootste deel van zijn nieuwe roman ’Verlovingstijd’ zich afspeelt. De schrijver wijst naar de overkant van de Nieuwe Rijn: „Daar boven het naaiwinkeltje wonen mijn hoofdpersoon en zijn vrouw. Ik heb die locatie gekozen omdat die nauwelijks is veranderd, in tegenstelling tot de rest van de stad.” Hij doet zijn zonnebril af. „Alles wordt opgeknapt”, zegt hij bedroefd.

’t Hart buigt zich voorover: „De stad is mooi, maar ik weet niet of ik er ooit nog zou kunnen wonen. Dat komt vooral door de herrie. Leiden heeft allemaal festivals, dat is verschrikkelijk. Die gaan tot diep in de nacht door. Boem! boem! boem! De huizen staan dan te trillen op hun grondvesten. De muziek, nou ja muziek, overstijgt de 90 decibel. Weet je waarom het zo keihard moet? Dat is om de rust te bewaren. De mensen kunnen elkaar niet verstaan en dus ook geen ruzie maken.”

Ver van alle herrie, in zijn afgelegen huis in Warmond, een kwartiertje fietsen van Leiden, werkte ’t Hart de afgelopen decennia in een ijzeren ritme aan zijn oeuvre. ’Verlovingstijd’ is al zijn 43ste boek. Gaat hij Simon Vestdijk, de duivelskunstenaar, naar de kroon te steken? „Ik heb niet stilgezeten, maar ik wil me toch niet met hem vergelijken. Vestdijk heeft 52 romans geschreven, voor mij is dit pas nummer 17.” Hij spreidt zijn armen om aan te geven hoeveel ruimte Vestdijk bij hem in de boekenkast inneemt. „Meters! Néé, ik lig nog mijlenver achter.”

Ook in andere opzichten wil hij zich niet met hem vergelijken: „Als je eens wist hoe somber Vestdijk was. Diep treurig. Depressief. Dat is bij mij helemaal niet. Ik moet erg om mijzelf lachen. Bovendien heb ik geen fantasie. Neem ’De ziener’ van Vestdijk. Dat is totaal verzonnen – dat zou ik nooit kunnen. Het verhaal van de jongen die al mijn vriendinnetjes afpakte, is ook op de werkelijkheid gebaseerd. Dat wilde ik al heel lang opschrijven, maar dat durfde ik nooit. Zo’n vriend heb ik.”

Vijf jaar geleden begon hij dat verhaal dan toch op te schrijven, na een onfortuinlijke val van de fiets. „Ik ben gevallen op het pad naar mijn huis. Mijn dijbeen was op drie plaatsen gebroken. Op 22 juni 2004, om half acht ’s avonds, ben ik met ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. Daar hebben ze een pin in mijn been gezet, die er nog steeds inzit. Daardoor heb ik nu allerlei problemen met de douane.”

Maar het is toch van hem bekend dat hij nooit reist? Hij grinnikt. „Dat is waar. Maar een tijdje geleden ben ik bij Lucia de B. in de gevangenis geweest. Toen duurde het uren voordat ik door de poortjes heen was en werd binnengelaten. Ik moest me helemaal uitkleden, maar zelfs naakt gingen de alarmbellen af. Ik zei nog: Dat is de pin in mijn been. Maar ze vertrouwden het niet. De cipier zei: Dat kan iedereen wel zeggen.”

Twee maanden moest hij in bed blijven liggen. „De dokter zei aanvankelijk tegen mij dat het met mijn been nooit meer goed zou komen. Ik was diep treurig en wilde mezelf uit het moeras omhoog trekken. Toen ben ik begonnen om het vrolijke verhaal van ’Verlovingstijd’ op te schrijven. Om mezelf aan het lachen te brengen.”

Toen het boek klaar was, heeft hij het boek aan zijn vriend laten lezen. „Ik dacht dat hij boos zou zijn, maar het viel erg mee. Hij ontkent alles.” Dat gebeurt in de roman ook. Joerie is veel aantrekkelijker en charmanter dan de stuntelige, smachtende held van het verhaal en speelt de vermoorde onschuld.

„Dat doet hij nog steeds”, zegt ’t Hart. „Hij zegt gewoon: Dat is helemaal niet waar.” En zijn vrouw – met wie de hoofdpersoon voor het eerst zoent, zodat ze via zijn verliefdheid Joerie kan veroveren – weet die wat er in ’Verlovingstijd’ staat? „Dat denk ik wel. Maar ik praat nooit meer met haar, dus ik weet niet wat ze ervan vindt.”

Zelfs nu blijft de schrijver voorzichtig met die vriend. „Als hij ziet dat ik een nieuw vriendinnetje heb, vertel ik hem niks, want dan gaat hij natuurlijk proberen om haar af te pakken.”

Houdt dat dan nooit op? Is hij daar niet een beetje oud voor? „Ach, het blijft toch altijd heel onschuldig.”

In het boek is dat allerminst het geval

Maarten ’t Hart kijkt betrapt. „Vooruit, je hebt gelijk. Dat smachten houdt nooit op. Gelukkig niet. Stel je voor dat het ophoudt. Dat is heerlijk.”

Maar zorgt zijn verlangen niet steeds voor grote onrust? Het hondje moet toch steeds naar buiten toe?

Een hoge giechel ontsnapt hem. „Ha! Dat is een mooi beeld. Maar nee, echt, ik heb er geen last van. En het geeft me iets om over te schrijven. De zoektocht naar een vrouw, dat is toch een oeroude vorm in de literatuur? Dat drijft mij ook als schrijver voort.”

Maar is het niet lastig voor zijn directe omgeving? Zijn echtgenote, Hanneke, komt herkenbaar voor in veel van zijn werk. Ook ditmaal. Over haar wordt door de vader van de hoofdpersoon gezegd dat ze net een fietsenrekje is. „Daar heb je geen houvast aan.”

’t Hart vertrekt geen spier. „Ze doet er niet moeilijk over. Ze slikt het. Ze staat er niet bij te applaudisseren. Althans niet de laatste vijfenveertig jaar. Maar je moet niet vergeten dat zij precies weet wat feit en wat fictie is. Het is voor iedereen een onontwarbare mengeling van waar en onwaar, maar zij kan het uit elkaar houden. Ze weet precies wanneer ik begin te jokken.”

En die vriend die figureert in ’Verlovingstijd’? „Hij vond alles goed, maar over het slot was hij heel ontevreden.”

Hoe zag dat er dan oorspronkelijk uit? „Ha! Je denkt toch zeker niet dat ik daar intrap? Nee, ik heb plechtig moeten beloven dat ik dat nooit zou vertellen. Maar het was een blessing in disguise dat mijn vriend kwaad was over het slot. Het is nu veel beter, met de moeder van de verteller die het laatste woord heeft.”

De identiteit van die vriend moet maar snel worden uitgezocht door jouw biograaf

„Hij woont in Voorschoten en zijn telefoonnummer staat gewoon in de gids nou ja, nu zit ik nog bijna iets te verraden. Nee, je zoekt het maar uit.”

Samen wandelen we vervolgens langs locaties in Leiden waar zijn roman zich afspeelt, over de Nieuwe Rijn, de Hoge Woerd en de Uiterste Gracht. „Die laatste straat heb ik alleen maar gekozen vanwege de naam. De Uiterste Gracht, daar kan je toch alleen maar zelfmoord plegen? De namen van de straten en wijken van Leiden verraden dat het hier eigenlijk niet pluis is: Galgewater, de Kooi.”

De schrijver wijst op de vlondertjes boven het water aan de achterkant van de huizen van de Hoge Woerd. „Dat is toch geweldig, die vlondertjes. Ze zijn heel bijzonder. Waarom eigenlijk? Omdat je die in Maassluis niet hebt.”

Een vrouw op straat ziet hem ingespannen kijken en vraagt: ’Zoek je een nieuw huis, Maarten?’

„Nee, nee, ik kijk naar wat er over is gebleven van het huis waar een goede vriend van mij woonde als student. Helaas is veel hersteld en opgeknapt. Toen mijn vriend hier kwam wonen, raadde ik hem aan om een otter als huisdier te houden. Die kan mooi in en uit het water aan zo’n vlondertje. Maar zijn huisbaas wilde er niet aan.”

„Maar hoe kom je nu aan een otter, Maarten?” vraagt de vrouw.

„Nou, ik ken in Engeland een farm waar je ze kan krijgen”

Langs een omweg, via de schitterende Hooglandse Kerkgracht – ’hier woonde Hanneke toen ik haar leerde kennen’ – komen we uit bij de Haarlemmerstraat, de grootste, totaal verpeste winkelstraat van Leiden. Ging zijn hoofdpersoon hier niet op zoek naar een ordinair meisje?

„Ja, zo’n echte lellebel om mee te vrijen. Dat is helaas nooit gelukt, hoeveel avonden ik hier ook heen en weer liep. Weet je hoe dat komt? Je moet met z’n tweeën zijn. Dan kan je aan weerszijden van de meisjes gaan lopen en met ze praten. Meisjes opereren namelijk ook nooit alleen. Een mooi meisje heeft altijd een lelijker meisje bij zich om zelf nóg mooier te lijken.”

In ’Verlovingstijd’ wordt de hoofdpersoon wel opgepikt, maar door een meisje dat mannen verleidt in naam van God. Iemand van ’Flirty Fishing’. „Kijk maar op het internet”, zegt ’t Hart. „Die lui bestaan echt en als je ziet wat ze doen, rijzen je haren ten berge. Ik zie de vrouw die mij hier aansprak om mij terug in de armen van Jezus te drijven nog wel eens lopen in de stad. Ze is totaal verlept.”

De roman bevat een aaneenschakeling van grappige affaires, maar heeft ook iets onmiskenbaar treurigs. De ik-figuur van Maarten ’t Hart zit vol onvervuld verlangen. „Daarom vind ik het ook doodjammer dat de oorspronkelijke titel, ’De sneeuwvlokkenboom’, niet is gehandhaafd. Dat woord moest op het omslag worden afgebroken – en dat wilde mijn uitgever niet.”

Onder een sneeuwvlokkenboom, chionanthus virginicus, krijgt de hoofdpersoon zijn eerste echte zoen. Van het beeldschone meisje waarmee zijn vriend Joerie later zal trouwen. „Sneeuw”, zegt ’t Hart, „is aan de ene kant vluchtig, net als de liefde. Aan de andere kant kan de liefde ook een boom zijn, stevig geworteld. Duurzaam.”

Daarop stapt de schrijver op zijn fiets, doet pet en damesbril weer op en verdwijnt in een donker steegje.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden