Ik moest en zou slagen in het leven Arthur Docters van Leeuwen

Arthur Docters van Leeuwen (Den Haag, 1945) kennen we vooral als hoofd van de Binnenlandse Veiligheidsdienst en voorzitter van de Autoriteit Financiële Markten. Hij is ook dichter en werkt aan een promotieonderzoek.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

"Als u mij vraagt of God alleen in mijn hoofd of in alles om ons heen bestaat, antwoord ik u, met Paulus: 'Wat maakt het uit?' Ik beleef God als ik bid - of mediteer, zoals dat tegenwoordig heet, en niet langer dan tien minuten; u zult mij niet dagenlang naakt op een rots aantreffen - al moet ik zeggen dat ik pas achteraf, als er iets is veranderd, weet dat er contact is geweest. Het is maar zelden een oplossing voor een bepaald probleem, of een ingeving; het is een beleving die niet te herleiden is tot je normale zelf - mocht iemand al weten wat het normale zelf is. Het zijn momenten van troost, zeker, maar het gekke is: ik ben in het afgelopen jaar behoorlijk ziek geweest, had die troost harder nodig dan ooit, maar kon vanwege de pijn en de spanning heel moeilijk met God in contact komen. Er zat kennelijk te veel ruis op de lijn. Voor meditatie heb je een zekere rust en kalmte nodig. Desalniettemin wéét ik dat Hij er is. Hij is er, ook als je Hem even niet kunt bereiken."

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

"De televisie, van Discovery Channel tot National Geographic, doet precies wat hier staat, maar goed, dat is een interpretatie van het gebod waar je weer een ander tegenover kunt zetten. Ieder gebod is op die manier vleugellam te maken. De geboden zijn in die zin niet absoluut. Op zich heeft wat hier staat wel enige grond, met name als het om verafgoding gaat. Het is niet goed voor de ziel om je over te geven aan afgoderij.

Ik wil u, in dit verband, ook nog op iets anders attenderen. Toen ik, ter voorbereiding op ons gesprek, de tien geboden nog eens doornam, stuitte ik bij Exodus 20, vers 6, op een tekstje dat in één adem wordt genoemd met dit tweede gebod maar waarover ik nog nooit iemand, in de kerk of daarbuiten, heb horen spreken: 'en doe barmhartigheid aan duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden'. Temidden van al dat prikkeldraad staat ineens de boodschap die je later ook - in de vorm van naastenliefde - terugvindt in het Nieuwe Testament. Barmhartigheid. Ik geloof niet dat de geboden een goddelijke ordening zijn, en mijn geloof in God leidt voor mij ook niet rechtstreeks tot geboden of handelingsverplichtingen, maar die barmhartigheid wordt mij wel degelijk door die innerlijke stem ingefluisterd. En ik luister ernaar. Ik heb er altijd naar gestreefd te zijn zoals de barmhartige Samaritaan: te helpen, ook als het mij niet zo gelegen komt, zonder er iets voor terug te verlangen."

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

"Ik heb veel gevloekt in mijn leven. Het heeft natuurlijk ook te maken met de leidinggevende functies die ik heb gehad; ik moest moeilijke keuzes maken en kon, als ik werd tegengewerkt, behoorlijk tekeergaan. Er is nu minder aanleiding om boos te worden maar ik geloof niet dat het innerlijk mechaniek in dat opzicht is veranderd. U hebt gelijk: die boosheid maakte mij onbenaderbaar, waardoor ik, binnen mijn werk wel eens eenzaam ben geweest, maar goed, echte leiders zijn altijd eenzaam. Gelukkig kon ik in mijn privéleven het gezelligheidsdier zijn dat ik in werkelijkheid ben."

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

"Ik heb altijd hard gewerkt, en met veel genoegen, maar in beginsel ben ik lui en traag; als het niet hoeft, zal ik niet snel iets ondernemen. Momenteel ben ik luier en trager dan ik zou willen zijn. Noodgedwongen traag. Ik heb een aanval van hartfalen gehad - vocht achter de longen, in de volksmond - waardoor ik nu nog maar half zo sterk ben als ik ooit was. Een tijd lang hebben bètablokkers mij op de been gehouden, nu lukt het mij door veel te oefenen om een beetje op te knappen. Ik kan nu weer - langzaamaan en met een pauze van een half uur ertussen - twee kilometer wandelen. Hoewel de therapeuten zonnig zijn, is wel bekend dat ik nooit meer de oude zal worden. Ik zit nu al een klein jaar in de misère. Ik voel me momenteel dus niet erg gelukkig. Aan de andere kant: als u hier een paar maanden geleden was binnengestapt, had ik u moeten melden dat ik downright ongelukkig was."

V Eer uw vader en uw moeder

"Mijn vader is overleden toen ik twaalf was. Een alleraardigste man, welmenend, ruimhartig en zeer belezen. Hij heeft ons veel geleerd, over de wereld, over kerken en noem maar op. Hij was vertegenwoordiger in pannen en bestek, reisde het hele land af. Als hij thuiskwam rapporteerde moeder wat wij - mijn twee oudere broers, mijn zusje en ik - verkeerd hadden gedaan en dan zwaaide er wat. Ze waren streng, maar rechtvaardig.

Mijn vader was meer georiënteerd op de grote jongens dan op ons, de kleintjes, maar ik was een slim en leergierig kind en dat vond hij, geloof ik, wel mooi.

De laatste vier jaar van zijn leven is hij ziek geweest. Hij had kanker. Zijn ziekte, de ernst ervan: het werd allemaal bij ons weggehouden. Hij wilde zelf ook niet geloven dat hij eraan dood zou gaan. Ik herinner me dat hij in het ziekenhuis lag, in een zaal met honderd patiënten. Verschrikkelijk, die sfeer daar, in zo'n ruimte vol lijdende mensen. Mensen lijden nu ook nog wel, maar niet met z'n honderden bij elkaar.. 'Als ik hier uitkom', zei hij, 'wil ik nog een kind'. Ja... Zo moet het. Wat een spirit... Mijn moeder had het ook. Ze is haar leven lang ziek geweest, reuma, stierf op haar 66ste, maar ze bleef tot het einde toe van alles ondernemen. Ze had zitting in allerlei besturen, was zeer begaan en bijzonder hulpvaardig.

Maar goed, toen mijn vaders einde naderde werden wij, de kinderen, bij een tante ondergebracht. We keerden pas terug naar huis toen mijn vader al dood en begraven was. Het was natuurlijk goed bedoeld, ze wilde ons dit leed besparen, maar ik heb er erg lang last van gehad dat ik nooit afscheid van mijn vader heb kunnen nemen.

We kregen het zwaar na zijn dood. Er waren geen sociale voorzieningen, de familie liet ons in de steek en alleen de kerk wilde ons helpen. Mijn moeder nam mensen in huis om iets bij te verdienen. Ik kwam in een isolement terecht, niet alleen door die armoede, maar ook doordat mijn vader er niet meer was. In die tijd was een vader toch de belangrijkste verbinding met de buitenwereld. Ik heb, kortom, een moeilijke start gehad, maar ik heb daardoor ook geleerd om verantwoordelijkheden te dragen, het huishouden te doen - daarom heb ik er nu trouwens nog altijd gloeiend de pest aan - en op mijn eigen kracht te vertrouwen. Als het mij tegenzit denk ik aan mijn ouders; aan hoe sterk ze zich toonden als het tegenzat. Ik ben wel ziek, denk ik dan, maar ik heb toch niet zoveel pijn als mijn moeder heeft gehad. Doorgaan. Gewoon doorgaan."

VI Gij zult niet doodslaan

"Ik ben aan het begin van mijn loopbaan - toen ik als plaatsvervangend directeur politie op Binnenlandse Zaken werkte - verantwoordelijk geweest voor geweldstoepassing, bijvoorbeeld tijdens de kroningsrellen in Amsterdam en de krakersrellen in Nijmegen in 1980. Ook voorafgaand aan de demonstratie tegen kernenergie, september 1981 in Dodewaard, heb ik schietbevelen ontworpen. Er werd precies aangegeven wanneer er geschoten zou worden: de demonstranten mochten niet in de buurt van de radioactieve kern van de centrale komen. Een vuurwapen is een dodelijk wapen; als je iemand raakt is de kans dat hij sterft statistisch gezien zo'n 80 procent. Het was dus heel goed mogelijk geweest dat ik medeverantwoordelijk was geweest voor de dood van ongewapende demonstranten. Gelukkig is er tijdens mijn dienst nooit één dodelijk slachtoffer gevallen. Het had gekund. De politie moet kunnen optreden, met elk niveau van geweld dat nodig is, om belangrijke burgerlijke instituties zoals de Tweede Kamer, het koningshuis en dat soort zaken meer te beschermen. Je moet dus niet weg hoeven vluchten omdat je niet mee zou mogen doen in de geweldsspiraal. Dat kan niet. Soms is repressie nodig."

VII Gij zult niet echtbreken

"Mijn vrouw was het vriendinnetje van mijn zus. Het was mijn moeder die mij op haar attendeerde: 'Dat is toch zo'n aardig meisje'. We kregen verkering toen ik twintig was en zij zeventien. Vier jaar later zijn we getrouwd. We hebben een levendige verhouding, ik ben nog steeds verliefd op haar. Ik geef toe: ik heb één keer de verleiding om met een ander het bed te delen niet kunnen weerstaan. Het werd een affaire omdat ik een zekere zielsverwantschap voelde, maar het is en blijft natuurlijk verraad. Gelukkig heeft mijn vrouw mij die misstap vergeven. Ik heb destijds, opnieuw, beloofd om haar voor altijd trouw te blijven. En daar heb ik mij aan gehouden. Het was een grote vergissing. Je kunt niet met meer dan één vrouw een liefdesrelatie hebben - ja, alles kan, maar ik geloof er niet in."

VIII Gij zult niet stelen

"Hebzucht is een sterke aandrift die nog altijd wordt bevorderd in onze maatschappij. In de financiële wereld hebben we dat gezien, met alle desastreuze gevolgen van dien. We hebben nu wel allerlei regels bedacht, maar de vraag is of het ooit gaat lukken om dit soort hoofdzonden te beteugelen.

Men heeft wel voorzichtige pogingen gedaan om mij om te kopen. Er wordt je van alles en nog wat aangeboden en ik zal u zeggen dat het moeilijk voor u gaat worden om hier, in Den Haag, één politicus te vinden die zich niet heeft laten fêteren. Ja, goed, misschien dat er ergens nog één rechtzinnige van de SP rondloopt, maar dan heb je het wel gehad. En ik, inderdaad, maar wat mij betreft was het welbegrepen eigenbelang. Ik had hoge functies, ik was een belangrijk man, en dat wilde ik graag blijven."

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

"Ik lieg niet graag, en ik ben er ook niet zo goed in. In mijn tijd bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst zei ik vaak tegen journalisten: 'Dit is geheim, hier mag ik niets over zeggen'. Hadden ze toch het idee dat ze behoorlijk dicht bij de waarheid waren gekomen. Terwijl ik niets had verteld. Bovendien: wat is de waarheid? In het gedicht 'De waarheid' schrijf ik: 'De waarheid is een donkere god/Die wrokkig in zijn grot zit/Onbenaderbaar'. Wat is er gebeurd? En hoe belangrijk is dat? Moeten we dit weten? Feiten zijn vaak moeilijk te achterhalen en nooit los te koppelen van interpretaties.

Als iemand informatie had over Zijne Koninklijke Hoogheid prins Bernhard - die door ons steevast de Prins, met een hoofdletter P, werd genoemd - wisten wij al dat deze schuinsmarcheerder juist vanwege het schuine spoor dat hij trok ook veel aanhangend water over zich heen kreeg, als u begrijpt wat ik bedoel. In feite maakte alle informatie dezelfde golfbeweging: het komt binnen als een ernstig gerucht dat onderzocht moet worden, vervolgens wordt het groter en groter om uiteindelijk zo te slinken dat het haast verdwijnt, of in ieder geval tot veel kleinere proporties is teruggebracht.

Ik heb ook zeer mijn best gedaan dingen te vergeten. Namen en rugnummers, wat heb ik eraan? Er zijn zaken waarvan ik weet dat het, in het landsbelang, beter is om ze nu niet met u te bespreken. Ik heb nog altijd een geheimhoudingsplicht en daar zal ik mij tot mijn dood aan houden."

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

"Het is waarschijnlijk aan mijn grote geldingsdrang te danken dat ik al rond mijn drieëndertigste mijn eerste hartinfarct kreeg. Ik moest en zou slagen in het leven. Ik had er de brains voor, dat weet inmiddels iedereen, maar ik moest het eerst nog wel bewijzen. Het interessante was nu dat ik enorm opknapte van dat infarct; die overmatige ambitie was verdwenen, een tweede trap in mijn loopbaan ontbrandde en die bracht mij, als vanzelf, naar een hogere positie.

Ik moest mijn armoedige jeugd wreken, zeker, maar ik kon al vrij snel in mijn carrière niet één maar twee boeken kopen. Het is toch iets wat dieper zit. Mensen die het op een betekenisvolle manier zwaar hebben gehad en die tegenslag overwinnen, hebben een grotere kans om meer dan normaal te slagen in het leven. En met uw welnemen reken ik mezelf maar even tot deze groep. Ik heb alles gedaan wat ik mij ooit had voorgenomen om te gaan doen. Er is nog één ding: ik wil promoveren. (Docters van Leeuwen werkt aan een proefschrift over institutionalisering van overheidsorganisaties, red.). Door die ziekte ben ik behoorlijk achterop geraakt en het leesniveau dat nodig is, haal ik maar één of twee keer per week, een half uur hooguit. Als dat niet beter wordt, red ik het niet meer. Ik wil niet nog meer aanzien - ik ben wat dat betreft ruim bediend - maar het is een onderwerp dat er uit móet, net zoals mijn gedichten geschreven moeten worden. Ik zal niet rusten voor het gelukt is. Dus het wordt een van de twee: of ik promoveer, of ik sterf voor het zo ver is. Opgeven is uitgesloten."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden