'Ik mis Pakistan wel'

Suzanna Koster werkte ruim zeven jaar voor Trouw in Pakistan. Ze kreeg er haar eerste kind. Ze zag de economie opbloeien, maar ook de taliban oprukken. 'We zijn vertrokken, het voelde niet goed meer.' Een afscheidsverhaal.

Waar komt ze vandaan? Wat vindt ze van Pakistan? Is ze getrouwd? Waar zijn haar ouders? Heeft ze toestemming van haar vader om hier te zijn? Passagiers in de bus van Lahore aan de Pakistaanse oostgrens naar Lorelai aan de westgrens bij Afghanistan waren maar wat nieuwsgierig naar de blanke vrouw met blauwe ogen. De pastoor met wie ik meereisde, antwoordde dat ik een Britse moeder en Pakistaanse vader had. Dat klonk minder verdacht dan een volbloed buitenlander.

Er bestonden levendige samenzweringstheorieën over allerhande buitenlandse spionnen die Pakistan zouden willen opdelen. Deze complottheorieën, gevoed door analisten in kranten en op de mateloos populaire nieuwszenders, zouden nog gevaarlijker blijken voor Pakistan, dan wat de samenzweringen beloofden. Het was 2005, het begin van mijn correspondentschap.

Die nieuwsgierigheid van vooral mannen kon vreemde trekken krijgen. In de grauwe bergen van de provincie Balochistan, waar Lorelai ligt, kwam de bus vast te zitten achter een vrachtwagen. Die hing half op en half langs het onverharde pad dat voor weg moest doorgaan. Enthousiast sprongen de mannelijke passagiers onze bus uit om hulp te bieden.

Ik besloot de prachtig versierde vrachtwagens met kleine schilderijtjes, spiegeltjes en tingeldingetjes, te bekijken. "Asalamu-alaikum", zei ik tegen een vrachtwagenchauffeur, waarop hij zijn hand uitstak. Zodra ik hem de hand schudde, greep hij naar mijn borsten. Daarna keek ik wel uit met het schudden van Pakistaanse mannenhanden.

Vaker nog was er hartelijkheid en stonden mensen die ik ontmoette erop dat ik kopjes zoete melkthee kwam drinken, of een speciaal bereide feestmaaltijd met hen deelde. Als ik zin had, mocht ik overnachten in het beste bed in de beste kamer van het huis, hoe rijk of hoe arm de mensen ook waren.

In Balochistan - het uitgestrekte stammengebied aan de westkant van Pakistan, onder Afghanistan - leek het wel of de tijd had stilgestaan. Dorp na dorp bestond er uit lemen huizen omringd door lemen muren. Paarden met wagens sjokten door de stoffige en slecht of niet geasfalteerde straten.

Toch had de moderniteit wel degelijk haar intrede gedaan. Bijna de helft van alle meisjes ging er destijds naar school, een ruime verdubbeling vergeleken met de situatie begin jaren negentig. Ik herinner mij Dost Mohammad, vader van negen dochters en twee zonen, allemaal schoolgaand, in een lemen huis zonder deuren, meubilair en sanitair op de top van een heuvel, uren rijden van de provinciale hoofdstad Quetta.

Hij besteedde de helft van zijn salaris aan het vervoer van zijn twee oudere dochters naar een hogere school een paar dorpen verderop. Hij had op een televisie in de stad gezien dat meisjes in ontwikkelde landen ook naar school gingen. Daaruit had hij een conclusie getrokken: voor de ontwikkeling van zijn gebied moest hij zijn dochters ook naar school sturen.

Andere families waren geïnspireerd geraakt door hulporganisaties met vrouwelijke welzijnswerkers of televisieseries van de staatstelevisie met schoolgaande meisjes. Javed Ashraf Qazi, toen Pakistaanse onderwijsminister, was trots op die ontwikkeling. "Elk dorp wil tegenwoordig een school. We kunnen de vraag gewoon niet aan", vertelde hij me in 2005. Veel geld kon hij er ook niet voor uittrekken.

Steeds meer vrouwen kregen een baan buitenshuis. Mijn vriendin Duniya Aslam Khan was een van de eerste vrouwelijke journalisten in de regio Balochistan. Toen haar ouders geen geschikte huwelijkskandidaat kon vinden nadat ze haar middelbare school had afgerond, mocht ze na lang aandringen studeren. Eerst in haar eigen woonplaats, vervolgens schreef ze zich in voor een master-opleiding in Islamabad, bijna 1000 kilometer verderop.

Daarna zou ze trouwen, had ze beloofd. Zakenpartners van Duniya's vader in het kosmopolitische zakencentrum Karachi, aan de Arabische Zee, vonden het fantastisch dat hij, een conservatieve Pathaan (invloedrijke bevolkingsgroep in Afghanistan en Pakistan, red.), zijn dochter toestond om te studeren, in een andere stad nog wel. Maar Duniya wilde meer. Ze wilde journalist worden. Haar vader, nog in de ban van de complimenten van zijn zakenpartners, stemde toe. Duniya werkt inmiddels als woordvoerder bij de VN in Islamabad. Ook op andere plekken kwam ik steeds vaker werkende vrouwen tegen, als caissière bij de supermarkt, politieagent op straat, piloot of bankmedewerker.

Economisch ging het ook voorspoedig. Pakistan had een van de snelst groeiende economieën in de regio, nieuwe bedrijven zoals textielbewerkers openden hun deuren en buitenlandse investeringen stegen. Meer en meer dorpen kregen elektriciteit en gasaansluitingen. Er leek een ware middenklasse te ontstaan. Het kon niet op, en toch ging het mis.

De inflatie steeg enorm. Een kilo granaatappels bijvoorbeeld ging in een paar jaar tijd van 80 naar 220 roepies. Daarnaast was er niet genoeg elektriciteit en gas voor al die nieuwe aansluitingen en bedrijfsactiviteiten. Nieuwe energieprojecten kwamen vooral door politieke onenigheid niet van de grond. Ik had deze laatste zomer tot 12 uur elektriciteitsuitval per dag. Dat was nog niets vergeleken bij sommige andere plaatsen van Pakistan: daar was er vaak maar vier uur per dag stroom.

De opmars naar moderniteit vond nog een obstakel op zijn weg: de opkomst van de Pakistaanse taliban en hun extremistische vrienden. Een 18-jarige Pakistaanse Talibanstrijder vatte het doel vorige maand nog even samen in een interview dat ik met hem had via Skype: "We voeren djihad om een pure islamitische wet in te voeren. Alcoholgebruik moet stoppen, vrouwen mogen niet meer naar buiten, onderwijs moet stoppen, baarden mogen niet geschoren worden. We blijven vechten totdat we dit bereiken."

Saida Qasim Shah, een Pakistaanse vriendin en journaliste, en ik keken naar de overkant van de Swat-rivier, die in Noord-Pakistan loopt bij de grens met Afghanistan. Het was begin 2007. Talibanleider Maulana Fazlullah sprak zijn volgers toe. Het werd live uitgezonden op zijn illegale radiozender. Hij feliciteerde families die hun dochters van school haalden en thuishielden. De overheid greep niet in. We spraken een radeloze ambtenaar die maar niet begreep waarom zijn superieuren niet ingrepen. Hij vluchtte uiteindelijk naar Islamabad.

Veel vrouwen vonden Fazlullah geweldig. Hij wees hen op hun erfrechten in de islamitische wetgeving en prees hen voor hun huishoudelijke inspanningen. Dat deden hun eigen mannen niet. Maar de vrouwen hadden niet voorzien dat hij uiteindelijk dissidenten zou ophangen aan een lantaarnpaal op het stadsplein en meisjesscholen zou bombarderen.

Ook blies hij het skiresort op, een aftands hotel met een meestal stilstaande kabelbaan en vriendelijk personeel dat ooit diplomaten welkom had geheten. Wat zou er terecht zijn gekomen van de lachende jongen die mij en Saida probeerde te leren skiën? Het leger verjoeg in een van de speciale operaties Fazlullah naar Afghanistan. Daarvandaan organiseert hij nog steeds aanslagen op militairen, politie en burgers in Pakistan.

Fazlullah's machtsovername in de vallei van de Swat schokte Pakistanen, maar was voor velen een ver-van-mijn-bed-show. De taliban waren volgens hen goed bedoelende moslims die door kwaadwillende buitenlandse spionnen van het rechte pad waren geraakt.

Voor sommige van mijn vrienden, zoals Saleha, student en lerares Urdu (de officiële taal van Pakistan, red.), was deze theorie niet te verteren. Op een dag was ze in tranen. Ze was die ochtend gaan demonstreren tegen extremisme. Het was een dag na de moord op een christelijke minister, die vermoedelijk gedood was omdat hij de veel misbruikte wet op de godslastering wilde aanpassen. "Bijna niemand durfde te komen. Het is zo deprimerend. Als niemand zich uitspreekt tegen extremisme, dan wordt het alleen maar erger", zei ze, terwijl tranen over haar wangen biggelden.

En erger werd het. De taliban onthoofdden populaire politiemannen, leiders van anti-taliban-burgermilities en militairen. De taliban probeerden zelfs Malala Yousafzai, een 15-jarige tieneractiviste, te vermoorden afgelopen oktober. Inmiddels krijgen meer Pakistanen door dat ze zich wel moeten uitspreken tegen het toenemende extremisme om het te kunnen stoppen. Maar dat gebeurt vaker op de sociale media dan op straat. Terwijl in Pakistan geldt: wie de meeste mensen de straat op kan krijgen en anderen het beste kan intimideren, die heeft de macht.

"Ik ben zo depressief", zei Arif Aziz, een Pakistaanse vriend die wel eens vaker een dipje had. Maar deze keer ging het niet over het niet vinden van de ware liefde. Het ging over de opmars van de taliban in zijn land.

Ik nam steeds meer veiligheidsmaatregelen. Ik reisde minder met de bus en vaker met een auto, zodat ik minder opviel als buitenlander. Naast talloze Pakistanen, van zakenmannen tot schooldirecteuren, werden ook buitenlanders vaker ontvoerd. Sommigen van hen kwamen terug na betaling van losgeld, anderen, zoals een Amerikaanse hulpmedewerker die door een Al-Kaida-groepering ontvoerd werd uit zijn zwaarbewaakte huis in Lahore, zit nog steeds vast. Ik reed niet onnodig langs politie- of legercontroleposten, omdat ze vaak doelwit zijn van aanslagen. Ik keek beter naar de mensen om mij heen als ik op straat was.

Ik vond mijn werk in Pakistan ondanks deze extra spanningen nog fantastisch leuk. Bovendien had ik er goede vrienden. Met hen ging ik ook vaak naar een van de talrijke nieuwe cafés en restaurantjes, die in Islamabad en andere steden uit de grond sproten. Het leek mij een teken van hoop. De eigenaren van deze gelegenheden zagen de toekomst van Pakistan kennelijk zonnig in.

In het Urdu zeg je 'mijn voet is zwaar' om zwangerschap aan te duiden. Zwangerschap dient niet gehoord of gezien te worden, want dat betekent dat je seks hebt gehad. Mijn medewerker en collega Abdur Rauf Yousafzai had ooit gezegd dat hij zijn zus vier maanden niet had opgezocht omdat hij niet naar zwangere vrouwen kon kijken als man. Ik besloot het dus voorlopig maar voor me te houden. Hij zou het uiteindelijk, ondanks mijn ruimvallende Pakistaanse kleding, toch wel zien. Maar dat gebeurde niet, ook niet toen ik al zo rond als een tonnetje was. Toen ik het uiteindelijk vertelde, leek hij reuze verbaasd.

Het is in de Pakistaanse cultuur blijkbaar zo verboden om vrouwelijke vormen te zien dat hij mijn bolle buik niet eens had geregistreerd. Toch wierp hij zich gelijk op als de Pakistaanse oom van mijn nog ongeboren kind.

Met moeite vertrok ik begin vorig jaar naar Nederland voor de bevalling toen ik ruim zeven maanden zwanger was. Het leek me ongelooflijk saai om daar te wachten tot het kindje zou komen.

Maar toen ik eenmaal bevallen was begon ik te twijfelen over het leven met een kindje in Pakistan. De kans was klein, maar wat als mijn zoon, ik of mijn Nederlandse man nou net op het verkeerde moment op de verkeerde plek zouden zijn? Wat als iemand mijn zoon zou ontvoeren? Ik was daar doodsbang voor, ondanks het feit dat er meer buitenlanders met hun kinderen in Pakistan wonen. Ze reizen alleen veel minder dan ik.

Ik ging toch terug. Ik weet de bezorgdheid aan mijn hormonen, die waarschijnlijk behoorlijk op hol waren geslagen door de bevalling. Maar mijn angst ging niet meer weg.

Een demonstratie tegen een anti- islamfilm liep volledig uit de hand, met 25 doden. Een man werd van blasfemie beschuldigd toen hij weigerde deel te nemen aan de demonstratie tegen de film. De taliban beschoot een 15-jarige activiste in de bus van school naar huis, omdat ze als schoolgaand meisje westerse waarden zou uitdragen. Nog steeds is er nauwelijks protest tegen het groeiende extremisme en treedt de overheid er nauwelijks tegen op. De onveiligheid nam toe.

Ik ging niet meer met mijn zoontje naar het zwembad. Extremisten zouden het volgens de veiligheidsdienst op de zwemmers voorzien hebben. Mijn vriendin Saida struint niet meer over de stoffenmarkt bij haar om de hoek, maar ze koopt haar kleding in een winkel. Iedereen kan op de markt rondlopen, ook zelfmoordenaars. Er zal jou en mij hopelijk niets overkomen, maar je bent bang dat het wel kan gebeuren. Zo denken veel Pakistanen. De markten zijn beduidend minder druk dan vroeger.

Saleha blijft in Islamabad. Ze werkt nu bij een onderzoeksinstituut van de overheid waar ze haatzaaiend materiaal in schoolboeken bestudeert. Ik moest er weg. We vertrokken. Het voelde niet meer goed.

Ik mis Pakistan wel. Dat kan ook niet anders, volgens Zulfiqar, mijn goede vriend en tangoleraar (ja, die heb je daar ook). "Once you go Paki you cannot go backi", oftewel, als Pakistan eenmaal in je hart zit, verlaat het land je niet meer.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden