Ik mag 's avonds graag blaffen

Curzio Malaparte toont zich opnieuw een onovertroffen verteller

Twee wensen had de excentrieke Italiaanse roman-, toneel- en verhalenschrijver, legerofficier, journalist, diplomaat en architect Curzio Malaparte op zijn sterfbed in 1957: lid worden van de communistische partij en weer worden aangenomen in de rooms-katholieke kerk. Kan het Italiaanser? zullen boze tongen zeggen. Het intellectueel parcours van Malaparte had meer weg van een reeks zigzagbewegingen dan van een groeiproces, en werd eigenlijk nog het sterkst gestuurd door nieuwsgierigheid naar wat de mens bewoog. Een rare snijboon en een ijdeltuit was hij zeker, maar wel één met een gouden pen en een arendsblik voor het onthullende detail.

Op 30 juni 1947 keert Malaparte naar Parijs terug. Sedert zijn vorige bezoek, in de vroege jaren dertig, is er in zijn leven nogal wat gebeurd: uit de gratie gevallen bij het fascistische bewind van Mussolini (waarvoor hij zich jarenlang inzette maar waar hij zich later tegen keerde) heeft hij een aantal jaren in ballingschap moeten leven op het eilandje Lipari. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte hij onder meer als oorlogscorrespondent aan het Fins-Russische front en in Warschau. In de Roemeense stad Iasi was hij getuige van één van de gruwelijkste pogroms uit de geschiedenis. Zijn meesterlijke boek 'Kaputt', waarin hij daarvan op bij de keel grijpende wijze verslag doet, heeft hem wereldroem opgeleverd.

Naar Parijs keert hij terug om op adem te komen. Hij laaft zich aan de Franse cultuur, de subtiele gesprekken in salons, de toneelvoorstellingen, de intellectuele vrijheid. Hij verkeert er met Camus, Gide, Sartre, Picasso en Cocteau. En hij begint er aan dit dagboek, dat zijn karakter gaandeweg verliest en zich ontwikkelt tot een reeks van politiek-historische overpeinzingen en schitterend vertelde herinneringen die het karakter van korte verhalen hebben.

Hoe groot die Franse vrijheid wel niet is, stelt hij op kenmerkend excentrieke wijze, en ook wel met enige onheilige vreugde vast wanneer hij Parijs een poosje inruilt voor Zwitserland. Malaparte heeft de gewoonte om 's avonds ter ontspanning wat te blaffen. Doorgaans wordt zijn geblaf door de honden in de buurt op vriendschappelijke toon beantwoord.

"Maar vanmorgen kwam de politie van Crans op me af met het verzoek niet meer 's nachts te blaffen.

'U bent geen hond, mijnheer!'

'Ik mag graag 's nachts met de honden meeblaffen. Ik doe niets verkeerds!'

'In Zwitserland doet men zulke dingen niet, mijnheer, dat is tegen de regels.'

'Dank u, ik zal het niet meer doen. Maar ik blijf niet in Zwitserland. Ik ga terug naar Frankrijk. Daar mag je 's nachts blaffen zoveel als je wilt.'

'Dat trek ik niet in twijfel, mijnheer. Frankrijk is een land van lichte zeden.'"

Terug in Parijs kan Malaparte tot zijn genoegen weer blaffen waar en wanneer hij wil. "In Frankrijk voel ik me thuis. Veilig, gerust", schrijft hij dan ook.

Het zijn zulke weergaloze, surrealistische en meesterlijk vertelde anekdotes, vol overrompelende details die het boek onvergetelijk maken. Zij vormden, in wrangere gedaante, ook al de kracht van 'Kaputt' en 'De Huid'. De politieke en culturele beschouwingen die Malaparte ten beste geeft, blijven een beetje steken op het niveau van de hogere borrelpraat. In de anekdotes echter weet hij - met een mooie afstandelijke toon en dankzij een bijzondere combinatie van ingehouden compassie, scherpe observatie en een sterk gevoel voor het absurde - tot de kern van zaken door te dringen.

De herinnering aan de tijd van het fascisme waarmee Malaparte dit boek eindigt, is even schrijnend als apocalyptisch, en op zichzelf al genoeg om dit boek een ereplaats in de literatuur te geven. Een rijk half-Joods society-echtpaar, gewend grootse feesten te geven, wordt van de ene dag op de andere getroffen door het verbod op de omgang met Joden. Het kort daarna geplande galafeest laten ze toch doorgaan, maar noodgedwongen zonder gasten.

Samen dineren zij, luisteren zij naar het ingehuurde orkestje, en dansen zij, alleen in hun immense park, van achter een boom bespied door Malaparte. Hij stond op de gastenlijst en is als enige gekomen, maar durft zijn aanwezigheid niet kenbaar te maken, weerhouden door gêne en discretie. In een kleine anekdote weet Malaparte heel de absurde gruwel van een totalitair systeem voelbaar te maken.

Curzio Malaparte: Dagboek van een vreemdeling in Parijs. Vertaald uit het Italiaans en van een nawoord voorzien door Jan van der Haar. De Arbeiderspers; 304 blz. euro 29,95

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden