Ik kots van die complexen!

Zelf werd Rob Schouten ooit behandeld door een 'mevrouw Fortuyn', als dichter beter bekend onder de naam Vasalis. Nu onderzoekt hij hoe psychiaters er in onze literatuur vanaf komen. Is de zielenknijper onze beste vriend?

Rob Schouten (1954) is dichter en columnist voor Trouw. Hij is vaste criticus van Letter & Geest waarin hij Nederlandse en vertaalde literatuur bespreekt.

De psychiater kwam voor het eerst in mijn leven toen ik dertien was, ontsporend puber; ze liet zich 'mevrouw Fortuyn' noemen, het was de dichteres Vasalis, van 'De idioot in het bad' dat wij op school lazen. De link tussen de psychiatrie en de literatuur was gelegd, al kwam ik daar pas later achter.

Psychiatrie was eind jaren zestig in Nederland geen modeverschijnsel, er moest iets aan je schorten wilde je erin terechtkomen. De rector van mijn school kon het dan ook niet waarderen toen het hem ter ore kwam, ik werd een getekende. Geerten Meijsing in 'Tussen mes en keel': "Wat psychiaters betreft: daarmee kwam je beter niet in aanraking. Die máákten je juist gek, dat kwam bij ons niet voor. Er kleefde een stigma aan iedereen die met de psychiatrie in aanraking was geweest."

Zo was het.

Sindsdien heb ik er heel wat leren kennen, van helpers in psychische nood tot naaste vrienden waarvan er eentje zijn beroep ooit als volgt omschreef: psychiaters zijn Joodse dokters die niet tegen bloed kunnen. Wie de tv-serie 'Kijken in de ziel' volgde, zag dat er nogal wat verschillende types rondlopen, je hebt zachte empathici en afstandelijke clinici, zoekers en harde wetenschappers. Onze literatuur weerspiegelt die veelvormigheid. Maar weten de psychiaters dat zelf wel, nu ze deze Boekenweek van de Waanzin in de spotlights staan?

In een artikel in het Britse Psychiatric Bulletin waarschuwde literatuurwetenschapster Jacqueline Hopson de beroepsgroep vorig jaar dat er sprake was van 'demonisering van de psychiater'. Een lijstje infame slechteriken illustreerde haar betoog, voorop Hannibal Lecter, de kannibalistische shrink uit 'The Silence of the Lambs', verder de psychiaters in 'One Flew over the Cuckoos Nest', Bullingdon Huff uit Victoria Glendinnings roman 'Electricity', een victoriaans psychiater die een doofstom meisje misbruikt, Dr. S. uit Italo Svevo's 'Bekentenissen van Zeno', de psychiater van Zeno Cosini, die diens memoires wereldkundig maakt uit wraak omdat Zeno de psychoanalytische behandeling niet heeft afgemaakt. Psychiaters zijn schurken, kinderverkrachters, manipulators, ziekelijke gekken.

Het is een beeld dat gemakkelijk blijft hangen maar wie iets verder kijkt, en dichter bij huis, ziet dat het wel meevalt. In Nederland schoppen psychiaters het niet gauw tot duivel. En zijn ze inderdaad verdorven of krankzinnig, dan voornamelijk in de wanen van de patiënt. Sprekend voorbeeld: psychiater Verwoerd uit Vestdijks 'De redding van Fré Bolderhey'. De schizofrene Eddie ziet hem als een boeman die dingen tiert als "Ik kots van die complexen!" "Houd je smoel, lamstraal" en "Gekken moeten getreiterd worden en bespogen en geslagen." In werkelijkheid ziet de dokter zijn patiënt met lede ogen aan: "Dokter Verwoerds gezicht betrok. Wie zou er nog aan kunnen twijfelen? Die jongen zat gewoonweg te hallucineren, als de eerste de beste gestichtbewoner! Het was heel jammer. Dit had hij nooit verwacht."

In 'Keefman' van Jan Arends spuugt de psychiatrische patiënt zelf zijn gal: "Jezus was een genezer. Jezus maakte mensen beter. Dat kan jij niet, mensen beter maken. Jij kan alleen de dood constateren. Dan heb jij je witte jas aan. Dan ga jij met een begrafenisgezicht naar die stinkende ziekenzaal van je. En dan doe je of het je echt wat kan schelen dat mijnheer Timmermans dood is. Maar dat kan jou geen pokken verdommen."

Het zijn beelden uit de tijd dat je nog flink gek of gestoord moest zijn om bij de psychiater te belanden. Schrijvers dikten het ook nog eens aan, aldus Vestdijk in 'De zieke mens in de romanliteratuur' vanwege 'de literaire erfzonde

van het al te schilderachtig beschrijven'. De echte kenners bleven de psychiaters zelf.

"Wat wil de romancier daartegenover stellen? Met een gegarandeerd schizofreen nichtje mag hij al erg blij zijn, en verder is hij aangewezen op eigen bedenksels."

Eigen bedenksels leverde het psychiatrisch dagboek van Bert Weijde, 'Onder het ijs' (1994), niet op. Heel wat timider dan de opgefokte Keefman beschrijft hij zijn behandelaars als minzame figuren die hem zo nu en dan een kwartiertje geruststellend toespreken. Het boek dééd indertijd weinig, waarschijnlijk omdat het geen spektakel bood, maar het geeft eigenlijk een goed inzicht in de manier waarop psychiatrische patiënten in de jaren zestig behandeld werden, nogal paternalistisch door oppermachtige witgejaste artsen. Het verblijf in de Valeriuskliniek is saai en slopend maar het beeld van de zenuwartsen karakteristiek. Als hij weer eens een nieuwe behandelaar krijgt toegewezen denkt Weijde: "Hij zal wel weer een grote dikke kop hebben."

In de jaren zestig en zeventig kantelde het beeld van de witte jas met zijn pillen en electroshocks onder invloed van de antipsychiatrie, die de gek van weleer meer beschouwde als een gevoelig slachtoffer van de maatschappij. De begripvolle toehoorder doet zijn intrede. En hoewel de antipsychiatrie zelf haar doel voorbij schoot, kwam er ook in de literatuur een heel andere psychiater uit te voorschijn, die van het goede gesprek.

Schrijvers die een heel boek aan hun psychiatrische ervaringen wijdden zijn Geerten Meijsing met 'Tussen mes en keel' en Rogi Wieg met 'Kameraad scheermes'. Hans Dorrestijn beschreef in 'Finale kwijting' zijn tijd in de Willem Arntz Hoeve.

Het beeld dat de depressieve Meijsing van zijn geneesheer schetst kan op de schoorsteenmantel. Zijn Dr. Kirchner, wel met Duits accent, zegt "U en ik gaan een eindje dezelfde weg. We zijn Weggefährten of fellow travellers, zo u wilt." Ze worden in de beleving van Meijsings alter ego Provenier goede vrienden: "Geen mens die mij meer vrolijk kreeg, of het moest deze fijn- en scherpzinnige dikkerd zijn."

Dorrestijns morsige dokter Snurrevaad heeft zelfs messiaanse trekjes: "We hielden zonder uitzondering van deze merkwaardige psychiater in zijn bordeauxrode colbert en met het vreemde maar vriendelijke hoofd dat scheef als een groot struisvogelei op zijn hals stond."

Rogi Wieg ventileert meer bedenkingen tegen de soort: "Uitzonderingen daargelaten geloof ik dat de meeste psychiaters onvoldoende verstand hebben van farmacologie, hun diagnoses zijn uiterst subjectief, hun kennis van het menselijk brein is over het algemeen gering." Maar als in het koor van deze betrekkelijke sukkels de tegenstrijdige figuur van Bram Bakker met zijn 'tegenoverdracht' (de psychiater vertelt wat hij over jou denkt) verschijnt, geeft hij zich toch gewonnen. Patiënt en geneesheer hebben zelfs een tijdje door het land getoerd om van hun mooie samenwerking te getuigen.

En wát als je in de ziel van de zielknijpers zélf knijpt? Atte Jongstra schetste er een in 'De tegenhanger', overigens ook Atte Jongstra geheten. Deze raakt volkomen mataglap als zijn vrouw het met een collega aanlegt, hij hallucineert en vaart ter helle, van arts wordt hij patiënt. "Jongstra herinnerde zich het woord 'catatonie'. 'Hé, ik ben immers psychiater,' zei hij. 'Nou,' zei de broeder. 'Misschien heb je er wat aan.' Na een ronde om het grasveld was hij doodmoe, en werd hij teruggeleid naar zijn kamer. Hij viel op zijn bed en sliep meteen."

In 'Een zondagsman' van Daan Heerma van Voss komen we de psychiater als zoeker tegen. "Het is een hardnekkig misverstand dat een psychiater over een grote mensenkennis zou moeten beschikken of bovenmatig geïnteresseerd moet zijn in wat de patiënt voelt, denkt of denkt te voelen", beweert Oscar van Bohemen. Maar als zijn vrouw in coma raakt sluit deze schijnbaar geslaagde, evenwichtige man zijn praktijk en wandelt tobbend en op zoek naar antwoorden door Amsterdam.

Psychiaters zijn, als we de Nederlandse letteren mogen geloven, ook maar mensen. En in geen geval zijn het de boemannen en demonen uit het betoog van Jacqueline Hopson; hoogstens raken ze soms zelf in de knoop; gebeurt dat niet dan luisteren ze gewoon op de vertrouwde wijze naar onze bekentenissen op de divan, zoals in 'De tegenhanger': "Ik vouwde mijn vingertoppen, sloot de ogen en hief de ogen naar het plafond."

Van mijn 'eigen' psychiater, mevrouw Drooglever Fortuyn-Leemans, alias Vasalis en haar opvolgers herinner ik me die pose trouwens niet. Ik was met mijn kruimeldiefstallen en van-huis-wegloperij waarschijnlijk toch niet depressief of waanzinnig genoeg.

Net als in de buitenlandse literatuur lopen in de Nederlandse literatuur heel wat krankzinnigen en depressieve persoonlijkheden rond, denk alleen maar aan de romans van Couperus en aan 'Van de koele meren des doods' van Frederik van Eeden.

In de loop der jaren is hun aantal niet afgenomen maar het karakter van de psychiatrische patiënt en zijn behandelaars is wel veranderd. Wat ooit pure waanzin was wordt sinds de jaren zestig vooral als behandelbare kwaal gezien; anti-depressiva en anti-psychotica hebben naast het aloude therapeutische gesprek hun weg gevonden in de maatschappij en daarmee ook in de Nederlandse literatuur.

De psychologe Ranne Hovius beschrijft in 'Vogels van waanzin' twee eeuwen psychiatrie in Nederlandstalige romans en gedichten, van het negentiende-eeuwse 'Waanzinnig Truken' van Johannes Kneppelhout, over een vermoedelijk autistisch meisje, tot de psychotische hoofdpersoon uit Peter Buwalda's 'Bonita Avenue', wiens kwaal tot Hovius' verbazing door de kritiek nauwelijks werd meegewogen. Kennelijk is een mentale of psychische afwijking voor een literair personage inmiddels heel gewoon.

Naast andere personages als Henri Osewoudt uit Hermans' 'De donkere kamer van Damocles' (erfelijk waanzinnig, suggereert zijn psychiater) komen toch vooral schrijvers zelf aan bod, van gepatenteerde psychiatrische patiënten als Gerrit Achterberg, Jan Arends en Maarten Biesheuvel tot schrijvers als Gerard Reve die zijn psychische afwijking eigenlijk meer als een soort geuzennaam inzette: "Ik ben niet gestoord, maar gewoon krankzinnig. (...) Maar ik schrijph gewoon alles op, wat of ik denk, en krijg daar veel geld voor"

De lijst van min of meer gestoorde auteurs, behalve de reeds genoemden, is intussen indrukwekkend: Bilderdijk, François Haverschmidt, Willem Kloos, Carry van Bruggen, Simon Vestdijk, Jan Emmens, Hans Andreus, Jan Hanlo, Jotie 't Hooft, Rogi Wieg en vele anderen. Het roept de eeuwige vraag naar het verband tussen waanzin en creativiteit op. Hovius gaat er voorzichtig mee om. Inderdaad, heel wat schrijvers mankeren psychisch wat maar "wanneer je hun levensgeschiedenissen overziet, blijkt het steeds weer te gaan om een geheel eigen combinatie van stoornis, achtergrond, nare ervaringen, toevalligheden, talent, motivatie, uitingen van creativiteit en erkenning of verguizing."

Trouwens, ook gevallen van kortstondige psychische inzinkingen komen bij haar aan bod, zoals die van Nicolaas Matsier in 'Gesloten huis' en Heleen van Royen in 'De gelukkige huisvrouw', beiden leden een korte tijd aan psychoses.

Hoewel ik in Hovius' overzicht een aantal onbekendere maar daarom niet minder karakteristieke gevallen miste, zoals die van de schrijvers Kees Winkler en Bert Weijde, is 'Vogels van waanzin' een geslaagde gids voor de gekte in de Nederlandse letteren.

Ranne Hovius: Vogels van waanzin, Psychiatrie in Nederlandstalige romans en gedichten. Nieuwezijds, 256 blz. euro 19,95

Schrijvers demoniseren de psychiater, waarschuwt Jacqueline Hopson

undefined

Gekwelde letteren

Rogi Wieg toerde zelfs een tijdje door het land

met zijn geneesheer

De witgejaste arts maakte plaats voor de psychiater van het goede gesprek

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden