'IK KEER NIET TERUG ALS EEN GEURENDE BLOEM'

"Een grote groep lezers ziet mijn 'Geheim dagboek' als een meerdelige roman of als een soap opera. Zij beschouwen de mensen die erin voorkomen als verzonnen figuren. Zulke primitief ingestelde lezers, die het verschil tussen een dagboek en een roman niet kennen, zijn er opmerkelijk veel. Kennelijk zijn ze geconditioneerd door televisieseries, en daarom verwachten ze ook om de paar bladzijden spektakel. Ze willen iets wat een dagboek niet altijd kan bieden: om de haverklap moet er een vrijpartij voorkomen of moet er bloed vloeien."

JOS VERSTEEGEN

Hans Warren (1921) spreekt in zijn woning bij Goes over zijn 'Geheim dagboek', dat sinds 1981 wordt gepubliceerd. Het negende deel verscheen eind vorig jaar en bestrijkt de periode 19711972. De negen boeken geven niet alleen een minutieus overzicht van Warrens leven vanaf 1942, maar werpen ook licht op zijn ideeen en literaire smaak, en op zijn werkwijze als dichter. Ze kregen een goede pers en gaven hem bekendheid bij een groot publiek.

"Ik had nooit gedacht dat mijn dagboek zoveel lezers zou vinden en zoveel zou losmaken. Mijn leven voor 1981 is onvergelijkbaar met de periode daarna. Ik krijg ontzaglijk veel reacties, voor het merendeel prettige. Het was, meen ik, Maarten 't Hart die zei dat bekendheid erotiserend werkt, en dat is waar. Iedereen kan uitrekenen hoe oud ik ben, maar toch krijg ik fanmail met foto's erbij, onder anderen van jongens die schrijven dat ze langs willen komen en een nachtje willen blijven."

"Het dagboek is een samenraapsel van alle mogelijke persoonlijke ontboezemingen, opschrijfsels, aanzetten tot gedichten, kleine essays, moeilijke brieven, en boekrecensies die ik voor de Provinciale Zeeuwse Courant moet schrijven. Als ik de tekst voor publikatie redigeer, verbeter ik slappe en kromme zinnen en schrap ik vaak overtollige, oninteressante mededelingen als: 'Het is nu al drie dagen rotweer'."

Opvallend in deel negen van 'Geheim dagboek' zijn de fragmenten over een schone jongeling uit Sardinie, Gianni Nurchi, die Warren op 15 juli 1972 ontmoet en over wie hij een dag later schrijft: "Daar zat hij, gewoon op een stoel in de eetkamer. Een ranke aartsengel, sterk als een panter, bruin als erts, met sproeiende ogen, knetterend haar, en met de dramatische gaven van het Zuiden." Hans Warren raakt verliefd op hem, en de helft van zijn dagboekdeel wordt gedomineerd door deze 'Sardijnse knaap'.

Wie vertrouwd is met de verzen van Warren, herkent sommige van dit soort poetische dagboekaantekeningen die later - met kleine wijzigingen - als gedichten zijn opgenomen in de bundel 'Herakles op de tweesprong' en die ook weer staan in de volgende week te verschijnen bloemlezing 'Nakijken, dromen, derven'. Dank zij de publikatie van het dagboek zijn nu de oerteksten van deze gedichten bekend en is duidelijk in welke context ze geplaatst dienen te worden: ze horen bij de liefdesgeschiedenis die begon in de zomer van 1972. 'Ontwaken' is zo'n gedicht dat rechtstreeks uit het dagboek komt en dat gaat over Gianni Nurchi:

ONTWAKEN

Hoe houd ik deze momenten vast:

je stoot me wakker, maar je slaapt nog,

de morgenzon over je naakte tors,

je gezicht, je trotse mond

met lippen van dat paarsige rood

zoals men alleen in het zuiden vindt;

je wimpers neer, altijd toch

zwaluwvleugeltjes of zoiets,

en die ontzaglijke afstand tussen ons,

hoewel ik je haar zie bewegen

telkens als ik ademhaal.

Heel, heel stil zo maar liggen

en kijken, kijken met de intensiteit

van een afscheid. Dan leg je je arm

om me heen, maar je slaapt verder,

het is warm, en mijn schouder

begint langzaam naar jouw arm te geuren.

Dit is misschien het hoogste geluk

dat ik ooit met je smaken zal.

Hans Warren: "Ik heb een zekere bevlogenheid nodig om verzen te kunnen schrijven, en wanneer ik verliefd ben is die bevlogenheid er plotseling. Er ontstaan dan een heleboel gedichten, het is een ware eruptie. In de tussenliggende periodes, die zich over jaren kunnen uitstrekken, schrijf ik bijna niets. Zo is het mijn leven lang geweest. Een vers moet zich opdringen, vind ik, er moet een noodzaak zijn om het te schrijven. Volgens mij zouden, in het algemeen gesproken, poeziebundels heel wat aangenamer zijn om te lezen wanneer de dichter het dichten echt niet had kunnen laten. Nu is het maar al te vaak zo dat er met noeste vlijt iets ongeinspireerds bij elkaar wordt gebroddeld."

"Hartstocht of zelfs extase die voelbaar is in een kunstwerk, dat zie ik graag. Ik houd van kunstenaars die loskomen van het alledaagse, die in vervoering raken en toch een zekere beheersing aan de dag leggen. Beheerste woestheid, dat vind ik prachtig."

"Voor mij is poezie ook reiken naar het onbereikbare. Een van de mooiste Nederlandse gedichten vind ik 'Eenzaam kerkhof' van Augusta Peaux. Het is een stamelend, haperend gedicht, dat mij iedere keer als ik het lees een brok in mijn keel geeft. Het is een poging om te zeggen wat je niet kunt zeggen, en die poging, die inspanning heeft geleid tot een ontroerend vers. Poezie mag van mij stamelen."

"Slechte dichtkunst is die van Willem Kloos, op een handjevol schitterende strofen na. Het latere socialistische gerijmel van Gorter, afschuwelijk, heel penibel vind ik dat. Een absoluut dieptepunt is in mijn ogen Henriette Roland HolstVan der Schalk. Haar verzen zijn niet te pruimen wanprodukten, armzalig op rijm gezette politieke traktaatjes met volkomen achterhaalde ideeen. Dat lees je toch niet meer, dat is om een trap tegen te geven! Victor van Vriesland nam in de 'Spiegel van de Nederlandse poezie' tientallen gedichten van haar op. In de herziene versie van mij worden het er straks twee, alleen om te laten zien dat dit bestaan heeft. Maar die twee gedichten, dat is er eigenlijk nog een te veel."

Warren is, zo blijkt uit het 'Geheim dagboek', een bewonderaar van Sade. Hij vertaalde diens hoofdwerk, 'De 120 dagen van Sodom', een 'catalogus van wellust en wreedheid' die half maart opnieuw uitkomt in een geheel herziene editie. Lectuur van de Franse libertijn was rond 1960 een grote gebeurtenis voor Warren: "Toen ik Sade voor het eerst las, stond ik perplex. In de Nederlandse literatuur was ik iets dergelijks nooit tegengekomen, en ik ervoer het als een enorme bevrijding dat dit mogelijk was."

"Bert Bakker senior vroeg mij destijds wat het schandelijkste boek was dat ik kende. Ik antwoordde: 'Les Cent Vingt Journees de Sodome'. Dat moest ik voor hem vertalen. Ik zei: Dat kan ik wel doen, maar je krijgt er gedonder mee, want in Frankrijk is Pauvert, de bezorger van Sade, net opgepakt in verband met dat boek. Maar Bert Bakker zette gewoon door, eventuele moeilijkheden konden hem niets schelen. En het merkwaardige is: het boek werd in Nederland een succes. Ik heb er nooit een negatief woord over gehoord, terwijl het toch gruwelijk is. Ook in Frankrijk krijgt Sade nu een erkende plaats in de literatuur: hij verschijnt in de Pleiade-reeks. Sade is verhuisd van de hel van de bibliotheek naar de hemel van de Pleiade."

"Sade is rigoureus, hij redeneert zo rechtlijnig en genadeloos door, dat bijna niemand het verdragen kan om tot het einde toe met hem mee te denken. Als je hem gelezen hebt, weet je wat er mogelijk is aan lijden, aan wreedheid. Dank zij Sade weet je precies waartoe de mens in staat is, je bent je illusies kwijt. 'De 120 dagen' is naar mijn mening zelfs een gevaarlijk boek omdat het zwakkeren van geest, mensen die inderdaad neigingen hebben tot lustmoorden, op gedachten zou kunnen brengen."

"Het verbaast me dat in de periode van de Franse Revolutie deze afrekening met illusies en met het christelijk geloof heeft plaatsgevonden, en dat er een volkomen eerlijk, keihard maar volwassen denken voor in de plaats is gekomen. Daarna zijn we teruggevallen in een soort Middeleeuwen. Dat je nu nog schrikt van een tekst die twee eeuwen geleden is uitgedacht, dat vind ik het geweldige van Sade. Ik denk dat hij er trots op zou zijn als hij had geweten dat hij nu nog gevaarlijk wordt gevonden."

Een dagboeknotitie van Warren uit juli 1971: "Sade geloofde aan de onsterfelijkheid van de materie. De mens is niets, er komt iets anders uit voort. De prachtigste illustratie daarvan zijn de woorden van de stoische tweeenvijftigjarige Madame de Verquin op haar doodsbed in 'Florville en Courval of de Fataliteit': '... "als mijn lichaam vergaat zullen de kleinste deeltjes dienen om te voeden, de bloemen waar ik het meeste van heb gehouden, zullen uit mijn stof ontspruiten. Hier," zei ze, me plagend met een twijgje van die struik op de wang tikkend, "als je volgend jaar deze bloemen weer ruikt, zal in hun geur de ziel van je oude vriendin huizen, de lucht zal naar je hersenen stijgen en je vrolijke plannen inblazen, dan moet je maar aan me denken!" '

Na de dood, beweert Sade, vindt er een recycling plaats van de stoffen waaruit het menselijk lichaam bestaat. Hans Warren over die opvatting: "Wat Sade schrijft, daar is iets voor te zeggen. Het moet voor een deskundige uit te knopen zijn of gras en planten iets in zich opnemen van de substantie waar de mens uit is opgebouwd. Maar ik zie Sade's passage vooral als een heel mooie, poetische oplossing voor de kwestie of er leven na de dood is."

"Wat mezelf betreft: ik denk niet dat ik terugkeer als een geurende bloem. Ik ben de gedachte toegedaan dat met de dood alles afgelopen is, onherroepelijk. Wat nu hier zit te praten, dat is straks, als het een paar jaar in het graf ligt, niet meer dan een paar botjes. En als het verbrand wordt, blijft er al helemaal weinig van over. Waar die fameuze geest of ziel dan uithangt, daar ben ik nooit achter gekomen."

"Ik vind het erg dat er straks niets overblijft, vooral omdat de dood voor mij dichtbij begint te komen. Hopelijk weet ik het er waardig vanaf te brengen. Ik ben het roerend eens met Huib Drion, die vindt dat je over een pillenflesje moet beschikken, dat je de mogelijkheid moet hebben om er zelf op een waardige manier een einde aan te maken. Het christendom ziet het bestaan als iets waar je niet aan mag tornen, je zult desnoods voortsukkelen tot je bent weggerot. Wanneer je gedwongen bent om je kop net zo lang tegen de muur te slaan of in een teiltje water te stoppen tot de dood intreedt, dan vind ik dat een schandaal."

"Ik ben niet religieus opgevoed. Mijn ouders hebben me niet eens laten dopen, wat in een dorp als Borssele niet bevorderlijk was voor je goede naam. Door zo'n feit werd je beschouwd als een slecht mens, stond je in de buurt van de duivel. Ik was geloof ik 16 toen ik voor het eerst een kerk van de binnenkant zag. Maar hoewel ik nooit enige behoefte heb gehad aan een godsdienst, wil dat niet zeggen dat ik geen religieuze gevoelens heb. Dat kan niet anders, dat is ingebakken, net als andere neigingen en driften."

"Kunst en religie zitten in dezelfde hoek, christelijke kunstenaars hebben door de eeuwen heen veel moois geschapen. Je ziet dat met het verdwijnen van de godsdienst ook alle goede kunst verdwijnt, zoals in het communisme en in het huidige, vervallende christendom. Als je tegenwoordig een moderne katholieke kerk binnenkomt weet je niet waar je moet kijken, zo afzichtelijk zijn de schilderijen die daar hangen."

"Ik ben ervan overtuigd dat alle ware kunstuitingen in verband staan met het religieuze. Augusta Peaux reikt in haar gedicht 'Eenzaam kerkhof' naar het geheimzinnige, het onvatbare, en dat mag je gerust religieus noemen. Zie bijvoorbeeld de laatste strofe:

Woest liggen de graven, de grendelen der aarde

sluiten de doden van 't leven af,

zij zinken al dieper, een weeldrige gaarde

bloeit, hoog als de hemel, boven hun graf.

En de wagenmenner, in 't beeld van de sterren,

ziet ernstig peinzend omlaag,

ver ligt al de aarde, een stip, zo verre

en zijn paarden gaan zo traag.

Langs andere werelden stiert hij zijn wagen

en waar geen werelden meer zijn,

de steppenvlakten door van een eindeloos, vage,

onbekende hemelwoestijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden