Ik keek niet naar haar borst

In de publieke ruimte verbergen we onze allerpersoonlijkste neigingen. Waarom worden we niet ontmaskerd? Coen Simon ziet het leven als toneelspel.

In mijn jeugd zijn we een flink aantal zomers achtereen naar dezelfde camping in Zuid-Frankrijk geweest. De camping lag aan een riviertje waarin ik het eerste jaar nog met zwembandjes zwom.

Je zou het saai kunnen noemen, altijd dezelfde camping, en mijn broer vond dat ook, maar het leverde wel een intrigerende reeks vakantiefoto's op. Het decor is op alle foto's hetzelfde: een dal met een strand van keien en in het water de groene weerspiegeling van overhangende takken. En tegen deze onveranderlijke achtergrond zie je de lichamen van mijn zussen, mijn broer en mij op magische wijze in grootte verspringen. De kinderen die we buiten deze vakanties ook waren, zijn er voor altijd tussenuit gepoetst.

Omdat we niet veel meer deden dan in en aan de rivier liggen, samen met de Nederlandse vriendjes die we hier troffen, verdichtten de weken zich iedere vakantie opnieuw tot één langgerekte zomerdag. Ik weet dan ook niet meer op welke bloedhete dag van welk jaar het was dat ik per ongeluk de ontblote borst van een van de vroegvolwassen Nederlandse meisjes te zien kreeg. Het geklooi met visnetjes was ik weliswaar ontgroeid, maar de puberteit was bij mij nog niet zo doorgebroken als bij dit meisje.

Het gebeurde terwijl ik met haar praatte op het enige zandstrandje dat net om de bocht uit het zicht lag van de camping. Met mijn armen om mijn knieën geslagen zat ik op de rand van mijn matje, mijn tenen bijna in het water. Zij was na het zwemmen aan de oever in het water blijven liggen en schommelde als een zeehondje de kant op en af. Geen idee waar iedereen op dat moment verder was. Alleen mijn tante zat schuin achter mij, voorovergebogen verzonken in een boek.

We werden niet preuts opgevoed en met drie vrouwen in het gezin was het dan ook niet de eerste borst die ik zag. Maar toen dit blonde meisje zich aan de waterkant op haar knieën had geschoven en een van de driehoekige lapjes stof van haar blauwe bikini plotseling losschoot, wist ik niet waar ik kijken moest. Ik schoof wat heen en weer op mijn matje en deed alsof ik op zoek was naar een geschikte platte steen om mee over het water te scheren.

Het was een situatie waar je als jongetje alleen maar van kon dromen, wat ik waarschijnlijk ook al vele malen had gedaan, maar nu ik het aan den lijve ondervond, werd me onmiddellijk duidelijk dat zelfs deze ideale omstandigheden mij op geen enkele manier in de buurt van welke wensdroom dan ook zouden brengen. Want ik durfde niet te kijken. Ik kón natuurlijk niet kijken, besefte ik. Want al met de kleinste dwaling van mijn blik zou ik mij verraden en zou ik mezelf te kijk zetten als voyeur.

Fatsoen en verlangen voerden in mijn lijf een verlammende strijd. Ik wilde haar wel wijzen op het onbedoelde bloot, maar ik kon dat alleen doen door toe te geven dat ik ernaar keek. En in mijn onbeholpenheid vreesde ik dat ze misschien wel wilde weten wat mijn ogen daar dan te zoeken hadden gehad. Aan de andere kant wilde ik ook gewoon niet dat er een einde kwam aan het voorhanden genot, dat onbelemmerd had kunnen zijn als ik niet zo radeloos was geweest.

Wat hád ik eigenlijk gezien? Niet veel. Ja, het onthullen zag ik, maar vóór het echte onthuld zíjn keek ik al weg.

"Rosemarijn...", klonk het ineens achter me. Ik loerde over mijn schouder. Met het boek opengeslagen in d'r schoot keek mijn tante, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, naar de plek waar ik mijn blik had willen hebben. Met duim en wijsvinger trok ze aan het bandje van haar eigen badpak en glimlachte: "...je verliest wat."

Terwijl Rosemarijn blozend een van haar grootste geheimen terug op zijn plaats wurmde, was mijn tante alweer verdiept in haar boek. Het was drukker geworden op het strand. Door haar blos heen riep Rosemarijn met gespeelde ontsteltenis waarom ik niet gezegd had dat haar tiet uit d'r bikini hing.

Zo goed als ik kon, hield ik me van den domme en zei dat ik dat he-le-maal niet had gezien, maar door mijn schaamtevolle gehakkel wist ik dat ik de waarheid niet had kunnen verbergen. Aldus het resultaat van een in onschuld verkregen onthulling: ik had amper iets gezien en voelde me toch een zondige voyeur.

Hoe kon deze onthulling voor zoveel ongemak zorgen? Laten we aannemen dat de aantrekkingskracht van vrouwelijk naakt voor zichzelf spreekt.

Hoewel, dat valt nog te bezien - en dat zullen we zo ook doen - maar voor nu interesseert me aan deze gebeurtenis vooral de poging van alle betrokkenen om iets te verbergen, met uiteenlopend succes. Niet alleen de bikini had iets moeten verbergen, ook ik had iets te verbergen, al kwam ik er zelf niet helemaal uit wat ik diende te verbergen. Ook mijn tante moest iets verbergen. En met haar grap slaagde zij daar van ons drieën het best in. Haar achteloosheid was natuurlijk gespeeld. Was ze echt achteloos geweest dan had ze het bloot rustig laten hangen en doorgelezen.

Al bevinden we ons doorgaans niet in zulke spannende omstandigheden, wie erop let merkt dat we in de publieke ruimte voortdurend bezig zijn onze hoogst persoonlijke neigingen te verbergen. Waarom is dat? Waarom willen we onszelf niet bloot geven? Zou de wereld niet eerlijker zijn als we onszelf blootgaven? Een paradijs waar we niets te verbergen hebben? Om die vragen beantwoord te krijgen moeten we toch weten wat er achter dit verbergen schuilgaat.

Laten we daarom nog eens teruggaan naar die onthulling op het strandje aan de rivier. Wat we daar zagen was al met al een hoop geklungel, matig acteerwerk. Niemand slaagde er immers in om volledig te verhullen dat er meer in hem omging dan naar buiten mocht komen. Rosemarijn die met haar provocerende uitroep de controle weer in eigen hand wilde nemen kon haar blozen niet verbergen en evenmin het voorval terugdraaien. En mijn lichaamstaal stond zo haaks op mijn woorden dat mijn optreden ook niet erg geloofwaardig leek.

Amateurtoneel, dat is misschien wel de beste omschrijving van menselijk gedrag in de publieke ruimte. We doen met z'n allen alsof we weten waar we mee bezig zijn, en waarom we het doen, maar niemand slaagt er in zijn twijfel, of juist onbesuisdheid, zijn overgevoeligheden, of zijn desinteresses helemaal te verbergen achter de rol die hij speelt. We zijn geen spelende mens, geen homo ludens, op zijn best speelt de mens amateurtoneel.

Waarom, kun je je dan afvragen, volgt er nooit eens een definitieve ontmaskering? Waarom komt er niet een moment dat we vaststellen dat het allemaal maar toneel was, en nog slecht gespeeld ook? En dat we dan vanaf dat moment ophouden met dat geveins?

Misschien omdat de meesten voor zo'n ontmaskering vrezen, getuige de dromen die sommigen van ons wel eens schijnen te hebben en die Freud zo vaak beschreef: dat je per ongeluk naakt op je werk verschijnt, of op de wc zit terwijl vrienden en familie je gadeslaan. Je eigen naaktheid als het symbool voor de ontmaskering van wat je eigenlijk wilt maar niet durft te zeggen.

Je zou toch verwachten dat de mens met zoveel geklungel en doorzichtige manieren op een dag zijn ware gezicht niet langer kan verbergen. Ik kan u geruststellen: ons ware gezicht kan zich altijd alleen tonen op het toneel van ons amateurtheater. Er is geen ander podium voor de waarheid.

En de belangrijkste theaterwet op dit podium heet: de tijd. De tijd die doortikt en één richting kent, terwijl iedere situatie talloze aanknopingspunten heeft. Op het kantelpunt van een gebeurtenis hebben we nog de mogelijkheid een grap te maken, te doen alsof we iets niet gehoord hebben, in woede uit te barsten, en ga zo maar door. We kunnen ieder moment nog uit talloze toneelstukjes kiezen, maar slechts een ervan wordt daadwerkelijk gerealiseerd. En een reprise van de voorstelling komt er niet, want de tijd tikt gewoon verder.

Natuurlijk heeft de mens geheimen en kan hij van alles het zijne denken. Alleen overschatten we de betekenis van deze onuitgesproken waarheden. We leven zelfs in de veronderstelling dat alles wat we vóór ons houden een belangrijk deel vormt van onszelf, misschien wel het belangrijkste deel - net zo onvervreemdbaar en persoonlijk als je eigen lichaam.

Doordat we ons blindstaren op het verborgene ontgaat ons het feitelijke effect van het alledaagse veinzen en verhullen. In plaats van dat onze verhullende poses en veinzende bewegingen een of andere naakte waarheid aan het zicht onttrekken, brengen ze juist een waarheid voor het voetlicht: de vluchtige waarheid die we doorgaans aanduiden met 'de normale omstandigheden'.

Met ons wegkijken, haperen, blozen en lachen, bakenen we een domein af waarin we kunnen doen alsof alles zijn normale gang heeft, alsof de zin die volgt de enig mogelijke zin is. Zo'n optreden is de geestelijke voorwaarde voor de fysieke publieke ruimte. En in dit optreden is ons amateuristische acteerwerk van doorslaggevend belang. Anders dan in het theater bestaat in het echte leven geen verschil tussen spel en echt.

Naast ons feitelijke, onvolmaakte leven bestaat er niet nog het echte leven, een leven dat zich uitsluitend onder normale omstandigheden afspeelt en wat we kunnen raadplegen als we even niet weten hoe het eigenlijk hoort. Wat we normaal vinden, ligt nergens vast en is aan voortdurende verandering onderhevig. Maar wie schaamte toont, doet alsof hij alleen voor dit moment van het normale afwijkt en in dit onhandige spel doet hij dus ook alsof hij weet wat normaal is.

Van Rudy Kousbroek (1929-2010) verschenen drie essaybundels van wat hij zijn fotosyntheses noemde. In korte essays laat Kousbroek de lezer telkens met zijn blik kijken naar een foto die de schrijver op een of andere manier intrigeert. De foto's vormen een bonte verzameling situaties. Soms mooi, soms absurd, dan weer heel normaal of weerzinwekkend. Maar vrijwel altijd, zo zei hij het in een gesprek met Maarten Asscher in 2007, heeft de foto iets "wat de fotograaf niet bedoeld had. Iets dat erin zit ondanks hem en dat je eigenlijk voor een raadsel stelt".

Kousbroek gaat tijdens zijn excursies naar deze raadselen niet als een detective te werk. Hij ontrafelt in de beelden verschillende aanleidingen en verschillende aflopen. Niet om uiteindelijk te weten hoe het in werkelijkheid zit, maar om het ongewisse dat in iedere situatie aanwezig is te vangen, nog voordat de volgende zin volgt en we het alleen nog maar zo kunnen zien. Deze blik laat zien dat we in het dagelijks leven ook geen echte wereld naast ons hebben waaraan we de juistheid van onze handelingen kunnen meten.

Op de vraag van Asscher of Kousbroek ook wel eens de aandrang voelt om zelf met een fototoestel naar die onverwachte wonderen op zoek te gaan, antwoordt hij dat je dat 'niet opzettelijk' kunt doen. Hij zou "eerder zeggen dat je in gemaakte foto's op zoek kunt naar één met een opvallend mysterie erin dan dat je met een fototoestel naar buiten loopt en zegt: nou ga ik een mysterieuze foto maken".

Maar nu wil het geval dat wij op zoek zijn naar het mysterie van het normale. Om die reden leek het me gerechtvaardigd om een kousbroekiaanse fotosynthese eens niet aan het toeval over te laten. Ik vroeg de jonge kunstfotografe Kim Nuijen om in haar woonplaats Den Haag met haar toestel naar buiten te lopen en voor deze gelegenheid een foto te maken van het alledaagse mysterie op het moment dat het normale 'bezig is te lukken'.

Er is een plaats in de publieke ruimte die de zichtbare overgang vormt van de ene situatie naar de andere, terwijl we nog niet weten welke weg definitief wordt ingeslagen. Die plaats is het station. Wie met de trein aankomt op het station is in gespannen afwachting van een ontmoeting, zelfs als hij zonder afspraak komt. Terwijl we uitstappen, stellen we ons in op een ontmoeting met de stad van aankomst.

Deze stad wordt bij de eerste stappen nog als een persoon gezien, en zelfs al even daarvoor als we bij het naderen van het station op de spoorwegviaducten naar buiten loeren en in het gewoel van het verkeer de ziel van de stad menen te ontwaren. Maar al na de eerste stappen op het perron begint de personificatie scheurtjes te vertonen en raakt de zojuist aangekomen reiziger wat uit evenwicht.

Nuijen begaf zich dus naar het station. En wat ik hoopte, trof ze daar aan. Op het eerste gezicht zie je weinig bijzonders. Dat is een goed teken, als je op zoek bent naar het normale. Maar kijken we beter, dan zien we wat erachter schuilgaat: reizigers die hun romp en benen verschillende richtingen op sturen, of weifelend met een koffiebekertje als houvast zeker van hun zaak staan te zijn.

Eén scène licht ik eruit.

We zijn op station Hollands Spoor - hoe normaal wil je het hebben? We zien op de eerste foto een jonge, blonde vrouw met een lang openhangend beige vest en een halsketting. Ik denk dat ze een nachtje gaat logeren. Want eigenlijk detoneert de te volle rugzak met haar casual gekozen tenue. Met haar ogen gesloten wacht ze een moment op de welkomstgroet van de stad. Als deze uitblijft, draaien haar benen voorzichtig in tegengestelde richting.

Op de tweede foto zegt het ene been: "Ik ken het hier wel hoor." Het andere been vraagt: "Waar moet ik heen?"

En dan, op de derde foto, weet ze het zeker. "Daar moet ik heen... geloof ik."

In zijn essay 'Naaktheid' beschrijft de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben zijn ontmoeting met honderd naakte vrouwen tijdens een performance van kunstenares Vanessa Bee-croft. De ontmoeting vond plaats op 8 april 2005 in de Neue Nationalgalerie te Berlijn, de winterkou zat nog in de lucht. "Honderd naakte vrouwen [...] stonden roerloos en onverschillig tentoongesteld aan de blik van de toeschouwers die, na in een lange wachtrij te hebben gestaan, groepsgewijs binnenkwamen in de wijde zaal op de begane grond van het museum."

Ik stel het me voor als een stationshal. Agamben ziet dat de toeschouwers "een eerste stiekeme blik wierpen op de lichamen die er, tenslotte, waren om bekeken te worden". Daar tegenover ziet hij de bijna militair opgestelde vijandige schares van naakte vrouwen. Beecroft slaagt er volgens Agamben in om de naaktheid van het lichaam in twijfel te trekken. In plaats van dat deze blote lichamen objecten werden van lust of spot, verwerd de aarzelende en warm ingepakte bezoeker zelf tot object.

Wat moeten we doen als we zelfs met onze winterkleren aan al naakt lijken? Alleen amateurtoneel kan ons dan nog redden.

Dit is een bewerking van de Rudy Kousbroeklezing, die Coen Simon donderdag hield in Groningen.

We spelen allemaal toneel en buiten dat toneel is niets

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden