Ik kan idolaat zijn van personen

de tien geboden | interview | Douwe Draaisma (Nijverdal 1953) is psycholoog en bijzonder hoogleraar geschiedenis van de psychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Voor zijn boek 'Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt', over het autobiografisch geheugen, kreeg hij meerdere wetenschappelijke prijzen. Het is vertaald in vijftien talen.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

"Nadenkend over dit eerste gebod, realiseerde ik me dat ik - terwijl ik gereformeerd ben opgevoed, naar Zondagsschool ging en op catechisatie heb gezeten - helemaal geen herinneringen heb aan mezelf als een gelovig jongetje. Ik herinner me niet dat ik ooit gelovig was, ik herinner me niet hoe ik mij God voorstelde, ik herinner me ook geen geloofstwijfel of geloofsstrijd. Het is net alsof ik als atheïst ben geboren, maar dat kan natuurlijk niet; het is eerder zo dat ik geen toegang meer lijk te hebben tot de religieuze voorstellingen die ik als kind wel degelijk moet hebben gehad. Mijn moeder vertelt dat ik, als we naar de kerk waren geweest, hele verhalen afstak over wat ik tijdens de dienst had gehoord. Ik ga er vanuit dat haar herinnering klopt. Natuurlijk, zij bewaart liever een herinnering aan een gelovig kind en niet aan de zoon die van zijn geloof... nee, wacht, ik kan dus niet zeggen dat ik van mijn geloof ben gevallen, maar ik weet nog wel dat ik op een gegeven moment was uitgesproken, uitgedacht, over het geloof. Ik zag, tot groot verdriet van mijn ouders, geen enkele reden om te geloven dat God zou bestaan. Ik heb niet vaak ruzie gehad thuis, maar áls er ruzie was, ging het daar over. Nu weet ik dat ik daar te fel in ben geweest, zeker ten opzichte van mijn vader die een zeer ruimdenkend man was, de gedroomde gereformeerde voor de Samen op Weg-kerk en allerlei andere oecumenische verbanden, iemand die me juist extra ruimte bood om me maar voor het geloof te behouden. Hij vertelde mij destijds dat ze de doopgelofte hadden afgelegd; dat hij het als zijn opdracht zag om mij op het juiste pad te houden. Toen vond ik dat een bezopen gedachte, later ben ik het mezelf kwalijk gaan nemen dat ik het niet heb opgebracht om het verhaal van mijn vaders kant te bekijken.

Na verloop van tijd zijn filosofie en wetenschap de plaats van een religieuze levensbeschouwing gaan innemen. Ik weet nog precies waar en wanneer de eerste aanzet werd gegeven: in het laatste jaar van de middelbare school kwam de conrector langs om voorlichting te geven over studiemogelijkheden. Ik had een vage voorstelling van filosofie en vroeg hem wat je bij dit vak zoal kon leren. 'Dat is lastig te zeggen' zei hij, 'laat ik er een filosoof bij halen, Descartes, die zich afvroeg of er, als hij aan alles zou twijfelen - aan zijn zintuigen, aan zijn gedachten, aan wat de wiskunde hem kon leren - nog iets zou overblijven waar hij níet aan kon twijfelen. En het antwoord dat hij daarop vond was: er is één ding waar je niet aan kunt twijfelen, namelijk dát je twijfelt want om daar aan te kunnen twijfelen, moet je al twijfelen.' Ik weet nog dat mijn mond openzakte. Zekerheid ontlenen aan twijfel! Zo'n studie is echt iets voor mij, dacht ik. Dit wil ik, en hiervan nog veel meer."

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

"Misschien is de wetenschap in zekere zin mijn afgod geworden, maar meer nog dan van ideeën kan ik idolaat zijn van personen. Van Roger Federer, bijvoorbeeld, die - net zoals Pete Sampras voor hem - een heel tijdperk op zijn naam heeft geschreven. Tijdens een van zijn laatste gewonnen partijen had ik tranen in mijn ogen, werkelijk waar. Ik heb ook zo'n verhouding met Mick Jagger. Zo rond mijn zestiende zag ik hem voor het eerst op televisie en ik werd onmiddellijk gegrepen door zijn onverstoorbaarheid; hoe hij zich in die krankzinnige kleertjes, met z'n rare danspasjes, van niets of niemand iets leek aan te trekken. Dat is de functie van idolen. Ze leven je voor. Ze corrigeren, ondersteunen of versterken bepaalde aspecten van je eigen ideale persoonlijkheid. Ja, het verlangen om een stempel te drukken zoals Roger Federer, wellicht, maar 't is nog duidelijker bij het voorbeeld van Mick Jagger. Zodra ik in een situatie kom waarin ik mij plotseling verlegen begin te voelen, probeer ik altijd even aan Mick Jagger te denken. Wat zou hij nu doen? Ja, het helpt. Ik maak me daarna toch iets minder druk."

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

"Het moet vijf jaar geleden zijn dat mijn vrouw een kastanjeboompje waar ik bijzonder op was gesteld had laten verwijderen uit de tuin en de gvd's door de kamer rolden. Dat ik het mij herinner, en dat het vijf jaar geleden is, geeft aan hoe zeldzaam het is dat ik de naam van God ijdel gebruik. Het is geïnternaliseerd: het mag niet, je kwetst er anderen mee en het is onwellevend. Daar sta ik, ook als ongelovige, nog volledig achter."

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

"Het vrije, maatschappelijke leven is een stroom geworden die zich niet meer laat onderbreken door de zondagsrust. Dus creëer ik nu mijn eigen sabbatsmomenten: na twee drukke maanden, houd ik mijn agenda een paar weken vrij om op adem te komen, en op de schaal van een dag gebruik ik vooral de stille uren in de vroege ochtend om productief te zijn. Daarna doe ik het meestal wat rustiger aan."

V Eer uw vader en uw moeder

"Mijn vader is in 2004 aan alzheimer overleden. Ik heb niet echt afscheid van hem kunnen nemen. Er is binnen het verloop van die ziekte niet een moment waarop je denkt: nu moet ik het zeggen want anders ben ik te laat. Gelukkig heb ik hem voor die tijd wel duidelijk kunnen maken dat ik een gelukkige jeugd heb gehad.

Ik ben de oudste van vijf kinderen. Niet minder dan drie van ons bleken van de gelijkslachtelijke liefde te zijn, een voorkeur die mijn ouders geen moment veroordeelden of leken te betreuren. Mijn moeder had haar handen vol aan het huishouden. Ze zorgde voor de vrolijkheid en de spelletjes. Mijn vader bracht goede boeken in huis, trok er vaak met ons op uit - intellectueel gezien was het contact dat ik met hem had uitdagender. Hij was chemicus van beroep. Eerst in een laboratorium en later in het onderwijs. Een verstandige man. Zijn aftakeling, door alzheimer, kwam daardoor des te harder aan.

Het begon zo'n beetje in 2000. Ik ging met hem mee voor een Mini Mental State Examination, een onderzoek dat hooguit dertien minuten duurt en waarin je alle, simpele, vragen goed moet beantwoorden. Kunt u me vertellen hoe laat het is? Kunt u het woord wereld andersom spellen? Welke dag is het vandaag? Tot mijn schrik bleek hij het antwoord niet altijd te weten. Het was heel pijnlijk, plaatsvervangend gênant om erbij aanwezig te zijn. Ja, misschien deed het mij als kind ook verdriet om te zien dat hij niet langer de grote, verstandige vader was. Nietzsche zei: het menselijkste wat je kunt doen, is iemand schaamte besparen. Ik keek weg, ik deed alsof ik niet had gezien hoe hij voor zijn examen was gezakt.

Ik ben als zoon en als deskundige getuige geweest van het ziekteverloop. Soms kon de kennis mij troosten. Bijvoorbeeld toen mijn vader op een dag tegen me zei: 'Jij bent Douwe helemaal niet! Maar je lijkt wel op hem...' In plaats van te schrikken, dacht ik: syndroom van Capgras, de bij Alzheimerpatiënten soms voorkomende waan dat je dierbaren zijn vervangen door dubbelgangers. Later heeft hij me ook nog eens voor een collega van vroeger gehouden - wel een sympathieke collega, gelukkig. Het zijn rare betrekkingen die je krijgt met iemand die op die manier in de war raakt. Lang niet altijd verdrietig, maar toch: ik ben blij dat het al met al niet lang heeft geduurd. Zijn laatste jaar heeft hij suf en apathisch doorgebracht. Hij is aan een longontsteking overleden. Het was net een uurwerk dat afliep, een zich ontspannende veer die uiteindelijk geen kracht meer had. Ik was blij dat we er met alle kinderen bij waren en mijn moeder in dat opzicht tot steun konen zijn.

Voor mijn moeder zorgen, dat zie ik als mijn plicht, als zoon. We zoeken haar geregeld op en dan maken we samen een wandeling door het park. Ze kent de namen van alle planten en bomen, een plezierig iemand om mee op te trekken. Ze geniet er duidelijk van als wij haar bezoeken, precies zoals wij ervan genieten als onze kinderen thuis komen. Ik hoop dat onze kinderen ons zullen eren zoals wij onze ouders hebben geëerd."

VI Gij zult niet doodslaan

"In zekere zin ben ik, net zoals mijn voorgangster in jouw serie, Imca Marina, voor de doodstraf. Zij had daarbij de tbs'ers op het oog, maar dat vind ik persoonlijk niet zulke gelukkige kandidaten. Tbs'ers hebben een stoornis, zijn ernstig ziek. Voor mensen zoals Ratko Mladic (van 1992 tot 1995 de opperbevelhebber van de Bosnisch-Servische troepen, AV) of Osama bin Laden, heb ik minder clementie. Calculerende terroristen of architecten van genocide zijn wat mij betreft beslist doodstraf-waardig. Tegelijkertijd ben ik blij dat ik zélf die straf niet hoef uit te voeren en, om nog inconsequenter over te komen, prijs ik mezelf gelukkig te leven in een land waar de doodstraf niet van kracht is, maar dat laat onverlet dat ik er geen principieel tegenstander van ben. Het is intellectueel veel uitdagender om, samen met mevrouw Marina, vóór de doodstraf te zijn omdat wij keer op keer zullen worden uitgedaagd om aan te geven waar de grens ligt."

VII Gij zult niet echtbreken

"Wij kregen verkering toen zij achttien was en ik negentien, ik ben dus echt met mijn highschoolsweetheart getrouwd. Je wordt geen drieënzestig zonder ooit nog eens verliefd te worden, maar ik verlies makkelijker mijn hart dan mijn verstand. Die keren zijn op één hand te tellen en er zijn nooit ongelukken gebeurd, gelukkig. Het lijkt me verschrikkelijk om van haar gescheiden te worden. In haar geheugen ligt een groot gedeelte van mijn leven opgeslagen - zoals in mijn geheugen een groot gedeelte van haar leven wordt bewaard - en als ze wegvalt kom ik daardoor ook een beetje als een vreemde tegenover mijn eigen verleden te staan.

Als we allebei de 'vergeetpil' slikken? Ha! Je hebt Belcampo gelezen. Komen twee geliefden met een gewist verleden weer samen? Ik weet het niet. Het had ook een ander kunnen zijn, denk ik. Geen veel jongere vrouw - dat clichébeeld past mij helemaal niet - maar eerder een vrouw van haar leeftijd. Misschien was ik na het slikken van die pil wel op een van haar zusjes verliefd geworden. Daar zou iemand eens een boek over moeten schrijven trouwens: over de geheimzinnige aantrekkingskracht van schoonzusjes."

VIII Gij zult niet stelen

"Ik heb echt mijn best gedaan om me iets te herinneren, maar helaas: ik ben bang dat ik niets kan opbiechten... of, nou ja, ik kan kantoorbenodigdheden moeilijk weerstaan. Ik heb een grote verzameling fineliners, schriftjes, memo-plakkers en dergelijke. Die spullen haal ik uit de kast van de secretaresse. Ik heb het allemaal nodig, maar niet op korte termijn. Dat zou je pikken kunnen noemen. Niet? Hamsteren dan?"

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

"Een groot deel van ons verleden is voor onszelf alleen in de vorm van een herinnering nog voorhanden. In dat opzicht kun je ook nauwelijks in conflict raken met de realiteit, tenzij er externe bronnen, zoals foto's of brieven, zijn. Het probleem is eerder dat twee mensen hetzelfde meemaken, dus gedeelde herinneringen zouden moeten hebben, en tóch van mening verschillen. Je kunt onmogelijk zeggen dat één van de twee een valse getuigenis aflegt; misschien zijn ze allebei vals en is er toch iets heel anders gebeurd. Als het om herinneringen gaat, is het idee van een leugen, of een valse getuigenis, dus een lastig begrip. In grote trekken hebben onze herinneringen een connectie met de realiteit, maar vaak zijn ze onder invloed van emoties, gebeurtenissen verderop in je leven, en hoe je daar op terugkijkt, vloeibaar en diffuus geworden."

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

"Wat het begeren betreft: ik vertelde je al dat ik geen herinneringen heb aan mezelf als gelovig jongetje, maar ik heb wel herinneringen aan mezelf als een zeer begerend jongetje. Volgens Freud is er een latentieperiode waarin een kind geen seksuele gevoelens heeft, maar ik denk dat ik die fase heb overgeslagen. Juffen, tantes, vriendinnen van mijn moeder die op bezoek kwamen: ik was heel nieuwsgierig naar al die vrouwenlijven. Bedenk wel dat je in die jaren vijftig voor het bevredigen van je nieuwsgierigheid op dat punt vooral was aangewezen op de Wehkamp-catalogus, afdeling korsetten.

Ik heb in mijn begeerte nooit iets van iemand afgepakt. Ik ben ook niet jaloers op het succes van anderen. Dat wil zeggen: alleen op schrijvers die, wat hun stilistische prestaties betreft, net boven mij zitten. Die had ik kunnen hebben, denk ik dan. Verder kan ik de zon goed in het water zien schijnen, ik hoop dat het mijn naasten goed gaat, al moet ik erkennen dat ik die prachtige uitspraak van De La Rochefoucauld (Franse schrijver, AV) ook weleens heb nagezegd: 'Er is iets in het misfortuin van onze vrienden wat ons niet helemaal mishaagt.'"

Douwe Draaisma: "Ik ben als zoon en als deskundige getuige geweest van het ziekteverloop van mijn vader." foto mark kohn

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden