IK HOUD VAN EEN LOLLETJE, MAAR TOCH. . .

Toen dr. I. A. Diepenhorst half juni in Ede op de matte CDA-partijraad het woord nam, schoven sommige partijgangers naar het puntje van hun stoel, anderen stootten elkaar aan en iemand verzuchtte: “Zó moet het gezegd worden.” Was het een verlangen naar de betere tijden dat de professor losmaakte of raakte hij een onveranderlijk gevoelige snaar in het christen-democratisch gemoed? Hoe dan ook, de overspringende vonken ontgingen partijvoorzitter Helgers. Hij hamerde de oude partijtijger (tussen 1952 en 1981 senator, Tweede-Kamerlid, minister van onderwijs en opnieuw senator voor ARP en CDA) na enige minuten onverbiddelijk af. In zijn herenhuis in Zeist maakt Diepenhorst zijn verhaal af.

HANS GOSLINGA; MARCEL TEN HOOVEN

Heerma was een heel bekwame staatssecretaris, maar dat hij van nature een bezielde politicus is... Ik wens geen deloyaliteit, versta mij goed, Heerma weet doorgaans verrassend goed waarover hij praat, maar buitenstaanders klagen dat hij zelden een overweldigende indruk maakt. Een kleinigheidje. . . om zichzelf te introduceren haalt hij graag zijn Friese afkomst naar voren. Stelt u zich eens voor dat een liberaal of socialist met zijn Hageneesschap te koop liep. . . Ik heb er waardering voor dat Heerma zich als fractieleider voor het CDA liet verkiezen en dat hij poogt het goed te doen. Maar voor het overige, die aanvallen op het kabinet, de minachting waarmee hij over de paarse coalitie spreekt. . . dat gaat me te ver. Met zoveel kleinering zou hij zelf, als leider van de oppositie, toch ook niet bejegend willen worden.

Heerma deelde in volle openbaarheid mee dat hij de oppositie van het CDA smoel zou geven. Dat is wel het laatste waar ik behoefte aan heb, dat hij mijn partij een smoel geeft. Gelaat, ja, maar smoel. . . ik vind dat onnodig grof. Ik dacht hetzelfde toen hij ten bewijze van de aangename verhoudingen in de fractie meedeelde dat hij er lol in had om te presideren. Lòl. . . tja, ik houd ook van een lolletje, maar ik zou het toch. . . uh. . . wat anders uitdrukken. Je hoeft niet te zeggen: met nauwelijk verholen vermaak, dat is weer wat te deftig, maar lol, nee, liever niet.

Het CDA verkeert in de oppositie in een lastiger situatie om talent naar voren te schuiven dan in de regering. In de regering hadden de confessionelen altijd eerste klas intellect voorhanden. Zij konden teren op mensen als Zijlstra, Beel, De Gaay Fortman, De Koning, Klompé. Er waren ook hoekiger figuren - Veldkamp, Biesheuvel, Cals. In het algemeen is een markant voorkomen van betekenis. Wat te zeggen van het snorretje van Hirsch Ballin, het sikje van Heerma? Plaats daar tegenover de functionele snor van Gerbrandy. Hij sprak als het ware vanonder de snor vandaan. Je kon je eenvoudigweg niet voorstellen dat die snor er niet zou zijn.

Inderdaad, ik ben gevoelig voor dat soort dingen. Stijl en allure in de politiek geven tegenwoordig naar mijn indruk minder pas. Men ervaart een politicus die over enige Schwung beschikt als iemand die het volk tracht te misleiden. Vroeger was iets dergelijks een pre, nu een handicap. Men zegt al gauw van een vlotte politicus: hij moet het van z'n praatjes hebben, hij maakt het volk wat wijs.

Van Agt sprak volledig verouderd Nederlands, niettemin vonden de mensen het prachtig, en terecht. Op een bepaalde wijze sloeg diens spraakgebuik aan. U zult mij van Wiegel niet horen zeggen dat hij steeds een fijnzinnig debater was, echter hij bespeelde de zaal op heel bekwame wijze, zonder ooit beneden de maat te zijn. Zelfs met zijn grappen heb ik nimmer moeite gehad.

Wie ik verder ronduit gunstig beoordeel, dat is Kok. Al ben ik het niet altijd met hem eens, hij staat als minister-president boven de partijen. Aan de ene kant is hij gematigd, aan andere kant uit hij zich flink en positief. Hij is nog nooit in mateloze eenzijdigheid vervallen. Men zegt wel eens dat hij fantasieloos is, maar dat lijkt mij niet bezwaarlijk. . . Stelt u zich eens voor dat Nederland in de huidige internationale verhoudingen een minister-president met uitgesproken fantasie zou hebben, hij zou in het buitenland onophoudelijk zijn neus stoten.

Politieke tijgers werden vroeger meer gewaardeerd. Eén van de attracties van een rede van Talma, minister van landbouw, nijverheid en handel tussen 1908 en 1913, was als na een minuut of vijftien de grote, gesteven boord het in de opwinding van de spreker aflegde. Het stijfsel begaf het. Talma zweette bovendien als een otter. Men wist dat de rede geslaagd was, als Talma in boezeroenenboord eindigde.

Een goede spreker in de politiek moest op de kansel, op de katheder, op het toneel zich thuisvoelen. Pater Boromeüs de Greven uit Woerden had een stem als een metalen klok, die aan het eind van de avond, tegen elven, hooguit ietwat gebarsten klonk. Hij kon de zaal laten doen wat hij wilde. Die keer dat hij - ik was 17 of 18 jaar - verbaal een communist aftuigde, staat in mijn geheugen gegrift, hoewel ik medelijden had met het slachtoffer.

De CHU was niet in alle opzichten een briljante partij, maar ik kan me wel één briljante spreker herinneren: Gerretson, Kamerlid in de jaren vijftig. Gerretson was doof. . . hij merkte niet welke uitwerking zijn woorden hadden. Maar dat kon hem ook weinig schelen. Als hij maar een stilistisch mooie en staatsrechtelijk onberispelijke rede uitsprak. Hij was een artiest, met eigenaardigheden en trucages, die men van anderen niet zou kunnen velen, in hem waren ze aanvaardbaar.

Zeventig jaar geleden, in 1925, woonde ik mijn eerste politieke bijeenkomst bij. Een landdag van de ARP, op een van de heuvels buiten Bilthoven. Was heel aardig, ongedwongen. Colijn sprak, maar ik had meer belangstelling voor mijn vader. De sprekers van destijds kwamen nogal eens in de verleiding een geseculariseerde preek te houden. De Goden van de tijd zouden ons, de navolgelingen van Isaac da Costa, niet hebben. In de verhoudingen binnen de ARP van toentertijd dienden op elke vergadering een of twee zware predikanten het woord te voeren, een christelijke gereformeerde dominee of een bonder. Sommigen verstonden de kunst van een politieke speech, maar anderen zagen weinig verschil tussen het optreden in een kerkdienst en een politieke vergadering.

Colijn werd in later tijd de zegenbede toegezongen. Dat 's Heeren zegen op u daal. Hij sprak langzaam, sonoor, maar bedreef nooit demagogie. Hij was bijzonder van zichzelf overtuigd. Op het podium had hij het eerste èn het laatste woord. Colijn interrumperen was ondenkbaar. Je mocht applaudisseren. In 1939, toen hij het premierschap moest neerleggen, was het duidelijk dat hij eigenlijk als minister-president later opnieuw wilde doorgaan. Maar dat heeft er nooit toe geleid dat hij iemand beentje lichtte, zij het dat bij hem de welwillendheid tegenover een man als Gerbrandy er niet afdroop.

Ja, dat soort persoonlijke gevoeligheden zijn van alle tijden, zoals de verwikkelingen in het CDA van het afgelopen jaar hebben laten zien. Ik heb zelf mijn herinneringen aan de nacht van Cals in 1966. Doorgaans spreekt men van de Nacht van Schmelzer, maar als minister heb ik hem als de nacht van Cals ervaren. Het was Cals om wie werd gevochten. Het was niet voor of tegen Schmelzer, het was vóór of tegen Cals. Na afloop werd het 'natuurlijk' de nacht van Schmelzer, want Schmelzer had gewonnen.

Voor het snevende kabinet-Cals was de nacht desastreus, maar een aanhanger van partijvernieuwing kan heel anders over deze gebeurtenis oordelen. Aan de naweeën van de nacht van Cals hebben wij min of meer de vorming van het CDA te danken, dat een vrij succesrijke partij is geweest, gelet op het getal, op degenen die aan het roer hebben gestaan en op het beleid dat onder medeverantwoordelijkheid van het CDA is gevoerd. U hebt gelijk, ik spreek in de voltooid verleden tijd. . . wij kunnen de toekomst niet voorspellen. Over de toekomst, vooral in de politiek, past enige reserve. Te doen alsof het binnen een jaar met het CDA volstrekt in orde zal zijn, tja. . . men mag, de wisselvalligheid van het leven erkennend, niet alles als waarschijnlijk voorstellen.

Hebben mensen nog het gevoel dat ze ergens politiek bevredigend terecht kunnen? Dat is het grote punt in de huidige publieke problematiek in Nederland. Hoe èchte democratie herwonnen? Tot voor kort werd het referendum, naast de gekozen minister-president, beschouwd als de steen der wijzen. Nu hoor je: we moeten drommels goed uitkijken met referenda, we zaaien alleen maar verwarring en jagen het publiek op kosten. De partijen hebben niet beseft waar het met dit instrument naar toe gaat. Vergelijk dat eens met een betrekkelijk onbekende figuur als de Nationale ombudsman. Die heeft zich een positie veroverd. Niemand twijfelt eraan dat hij slag op slag waardevolle en billijke oordelen levert. De uitspraken zijn politiek onpartijdig en snijden er nogal eens diep in. Hetzelfde geldt, binnen een ander kader, voor het secretariaat van de koningin. Daar nemen ze de brieven die er binnenkomen ter hand, ze kijken er naar, ze laten ze niet maanden liggen. Dat geeft de mensen het gevoel: we vinden nog ergens gehoor.

Kiezers zijn nooit helemaal tevreden. Vroeger zag men hoog op tegen volksvertegenwoordigers, ministers, premiers. Nu is het zo dat enige meewarigheid in de beoordeling zich niet laat loochenen. Dat komt gedeeltelijk doordat men politici onafgebroken op de radio beluistert en op de televisie als het ware vóór zich krijgt. Er worden dus strenge eisen gesteld. Gaat die of die vervelen? Is die te eigenzinnig of die te briljant, of heeft die en die enkele, nou ja, niet zulke aangename hebbelijkheden? Aan de andere kant: men gaat er ook weer aan wennen. Men vindt iemand degelijk en betrouwbaar. Dat speelt eigenlijk de hoofdrol. Als puntje bij paaltje komt, zegt men: zo moet het maar.

Met die misverstanden zitten we in het groot lelijk vast. De vreemdelingenproblematiek, de allochtonen en zo. . . ja, dat leeft in Amsterdam en Rotterdam, in op vreemdelingschap ingestelde steden, totaal anders dan bijvoorbeeld in Dantumadeel of in een kerkdorp in Brabant. Daar moet men goed op letten.

De onderlinge weerstand is groter, omdat het onbehagen en de kritische zin in het algemeen zijn toegenomen. Tegelijkertijd heeft de samenstelling van de Nederlandse bevolking een bepaalde infiltratie. . . nee, zo kan men dat niet uitdrukken. . . een bepaalde mengvorm verkregen, die ons voor problemen stelt, welke dan provinciaal of lokaal verschillen. Alleen: in die kleinere gemeenschappen, daar speelt het veel en veel feller. Als nu de Binnenbantammerstraat in Amsterdam het moeilijk heeft, ja, dat is een van de vele straten die last zou kunnen geven. Daarentegen, hier in Zeist - daar zijn misschien vier of vijf straten welke moeilijkheden kunnen veroorzaken - wordt dat natuurlijk veel feller ervaren. Dat geeft onrust over en weer. Jááá. . . de allochtonen ledigen op een andere manier hun vuilnisbak. In bepaalde wijken wordt dat niet genomen: men is vreemdeling en moet de vuilnisbak ledigen op de manier zoals Nederlanders dat doen.

Wie had een jaar of dertig jaar geleden durven voorspellen dat wij 400 000 islamieten zouden hebben in Nederland en voor een gedeelte nog vrij hecht georganiseerd? Dat is een ontwikkeling van deze tijd. Hoe verkeert men nu met elkaar, over en weer, op een voet van een bepaalde mate van samenleven, van samen doen en van elkaar eerbiedigen?

Bij sommigen is er, enkel en alleen gelet op het getal, de verdedigende houding. Ik beperk mij tot de Nederlandse moeilijkheden. Nederland heeft te maken met de veranderende positie van Europa, van het Nabije en Verre oosten en met de milieuproblematiek. Men kan zeggen: dit is allemaal bont en vaag, niettemin spéélt het een rol. En de mensen, de gewone kiezers, worden er wanhopig van. Want wie kan het nu helemaal bijhouden? De oplossing is zo verwikkeld. Waar liggen de èchte en waar liggen de nìet-echte scheidslijnen? Wanneer moet men zeggen: we houden voet bij stuk. En wanneer: het kan op verschillende manieren.

Een van de grote adagia van Van Agt was: we buigen niet naar links, we buigen niet naar rechts. Maar hij kon met deze en gene samenwerken, dus er zat ook iets in die samenwerking van het ongewisse, van: zus kan het en zo kan het ook. Voor de verkiezingen van vorig jaar gingen er in mijn partij stemmen op: het zou voor ons wel eens goed zijn om een tijd buiten de regering te blijven. Het kàn soms wel eens goed uitpakken, maar om dat voor de verkiezingen te zeggen, dat geeft toch aan: het kan vriezen, het kan dooien. Wat is dan bij de stembus de boodschap? Ik vond een en ander uiterst gewaagd en van sommige CDA'ers een zwak punt.

Een jaar geleden, wie had toen durven voorspellen dat zo'n paars kabinet het aardig zou doen? Dit kabinet heeft een aantal zaken, geholpen door een gunstige cultuur, tot een oplossing gebracht - de Betuwelijn, Schiphol, de financiële problematiek. Op deze en op andere punten is het niet louter tot aanvaringen gekomen, dan zou het een scheepsramp zijn geworden. Ik vind soms de kritiek van het CDA niet billijk en niet juist. Daar waar het CDA anders wil, moet het ook met duidelijke voorstellen komen: bijvoorbeeld over het omroepbestel.

Als bedenkelijk beschouw ik het sterk toegeven van CDA'ers aan de beduchtheid voor de veiligheid in Nederland. Die loopt natuurlijk vergeleken met vroeger wel enig gevaar, maar dat het nu bij ons een bende zou zijn, dat is beslist niet waar. Verzwaring van straffen is soms nodig. Maar tegelijk behoort men te beseffen dat lange straffen leiden tot verbittering, geestelijke verstening. Wie op zijn vijfenvijftigste uit de gevangenis komt, kan maatschappelijk worden afgeschreven. Dat is niet te rijmen met het beslist humanitaire in de christelijke overtuiging. Wanneer men het menselijke vanuit een generale kijk op de mens er bij het kiezersvolk niet weet in te branden, is het met zo'n partij niet goed.

Het CDA moet oppassen met law and order vereenzelvigd te worden. Law and order zijn onmisbaar, maar moeten worden toegepast op een werkelijk verantwoorde wijze. En dan moet je kijken - dat is een kwestie van echte prioriteit - waar mag ik niet snijden? Er zijn nog altijd sommige zwakke groepen in Nederland. Daar behoort men niet zonder meer te snijden. Wanneer vandaag wordt gepleit voor de bestrijding van criminaliteit omdat bepaalde groepen verontrust zouden zijn, dat gaat mij te ver.

Men beseft niet dat als men te lang medemensen achter tralies of in een financieel volstrekt afhankelijke situatie brengt, dat veel funester werkt dan wanneer men vrij man of vrij vrouw is. Daar kunnen we nauwelijks genoeg voor waken. Zulke geluiden hoort men in het CDA niet veel meer. Je had vroeger de protestantse reclasseringsvereniging en dus een soort achterban. Er werd grondig over gestudeerd. Er zijn toen óók doldrieste denkbeelden geweest. Ik herinner me nog dat als ik met studenten een gevangenis bezocht, sommigen meenden alleen slachtoffers te zien van gerechtelijke dwalingen. Maar aan andere kant, dat er maatschappelijk gerichte belangstelling bestond was goed.

Neem de bejaarden. Ik heb als Kamerlid ook wel eens vlak voor verkiezingen bejaardenoorden bezocht en ik vond het, ronduit gezegd, op de grens van eerlijkheid. Incidentele visites, op een hoek van de straat een wildvreemde mevrouw of meneer aanschieten: wat gaat u stemmen? Ik vind het niet helemaal oprecht. Veel beter is het stelselmatig bezoeken af te leggen in plaats van eens in de vier jaar.

We krijgen in Nederland ook een nodeloze verdeling in het volk, doordat een deel - dat klinkt wat schoolmeesterachtig - net iets te veel uitgeeft om rustig te kunnen leven. Je hoort het links en rechts: wat doen we met de vakantie? Wat doen we met onze auto? Zullen we nog ergens een tweede huisje kopen? Zolang betrokkenen er niet van wakker liggen, gaat het. Maar zodra man en vrouw beiden de handen uit de mouwen moeten steken, kinderen te veel in de creche zitten en hun ouders gedurig in een hurry zien. . . De kinderen hebben een vrij weekeinde, de ouders ook, maar de laatsten zijn afgepeigerd, de kinderen worden uitbesteed bij grootouders of op andere manier beziggehouden met chips en video's. In die gezinnen is het narigheid. Je ziet gelukkig in toenemende mate weer ouders met kinderen spelen en iets voor kinderen verzinnen, maar er is daarnaast een grote schare van jongens en meisjes die dìt weekeind bij vader en dàt weekend bij moeder zitten. Daar zijn gezinnen met derde moeders en derde vaders. Natuurlijk, ik doe niet aan verheerlijking van het gezin. Er zijn gezinnen waar ouders als kat en muis leven.

Gevangenen, bejaarden, kinderen. . . nee, ik zou ze niet als zwàkke groepen willen afschilderen, ze zijn kwètsbaar, omdat er niet te veel aandacht aan hen wordt besteed. Bejaarden. . . ik kan nu nog een redelijk gesprek voeren, maar het is geen uitgesloten waarschijnlijkheid dat ik over anderhalf jaar geen bevredigend gesprek meer kan voeren. Beseft men wel dat het uiterst moeilijk te verwerken is dat je terugvalt, dat je dat ook bij jezelf bemerkt, dat als je op de grens van seniliteit verkeert dat doffe ellende is? Denkt men daar voldoende aan? Bejaarden zijn een kwetsbare groep. Je moet iets van de problematiek van hen kennen.

Dat bejaarden zich van de gevestigde partijen zouden afkeren, ik heb het voorzien, maar niet dat het in zo groten getale zou gebeuren. Voor de verkiezingen heb ik bejaarden gewaarschuwd voor zelfstandige partijvorming. Tegelijk heb ik gezegd: laat merken dat je er bent. Ik heb ook wel eens tegen kerkeraden gezegd: het is wellicht waardevoller om bejaarden in plaats van hen op treffende betogen te onthalen met kerstmis een lekkere biefstuk te geven - hoe ze dat kerkrechtelijk organiseerden, liet ik aan hun fantasie over.

Als pleitbezorger van boeren, middenstanders, ondernemers, kortom, van georganiseerde groepen, krijg je als partij meer gehoor dan als je opkomt voor hen die er zo'n beetje bijhangen. Het moet blijkbaar een electoraal winstgevende zaak zijn. Het CDA bracht heel veel rapporten uit, maar ik vroeg me wel eens af of men nu echt wist wat er aan de hand was. Ik wil niet zeggen dat die geweldige verkiezingsnederlaag van het CDA in de lijn der verwachtingen lag. Wèl hebben sommigen indertijd gezegd: daar en daar begint het een beetje te schuren en als je daar of daar niet aan denkt, gaat het verkeerd.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden