Ik hou meer van stoptreinen

(Trouw) Beeld Foto en Publicaktierecht: Marco

Zijn carrière is Thomas Oliemans overkomen; hij blijft verbaasd dat hij elke dag legitiem met muziek bezig kan zijn.

Wat je ook van de carrière van de Nederlandse bariton Thomas Oliemans (31) kunt zeggen, hij kan zich met hart en ziel achter deze uitspraak van hemzelf scharen: „Je hebt geen benul waar je aan begint, maar in je achterhoofd zit een idee dat je het liefst elke dag dát doet, waarvan je snapt waarom je er zo hartstochtelijk mee bezig bent.”

Oliemans’ carrière toont een gestage lijn omhoog. Bij de Vlaamse Opera zingt hij deze dagen een belangrijke rol in Benjamin Brittens ’The Rape of Lucretia’, bij Scottish Opera mag hij na de Figaro van Rossini terugkomen voor die van Mozart (beide in een regie van befaamd bariton Thomas Allen), hij staat in juni bij De Nederlandse Opera (Holland Festival) in de titelrol van Rob Zuidams nieuwe opera ’Adam in ballingschap’ en zijn spiksplinternieuwe cd bij Et’Cetera met liederen van Poulenc en Fauré – begeleid door Malcolm Martineau – wordt overmorgen gepresenteerd met een recital in de Amsterdamse Amstelkerk.

„Het overkomt mij”, zegt Oliemans. „Ik ben niet zo iemand die de hele tijd loopt te denken: als ik daar en daar eenmaal zal staan, dan.... Nee. Dat neemt niet weg dat ik wel wat voelde toen ik auditie deed voor een kleine rol in Schrekers ’Der Gezeichneten’ in Salzburg. Ik stond dan toch maar op die belangrijke bühne, ook al was het slechts om voor te zingen.” Oliemans’ auditie was overigens goed genoeg en leverde hem de rol op. „Leuk voor je cv natuurlijk, maar ik was een van de zes edelen die allemaal hetzelfde kostuum aan hadden, dus opvallen doe je uiteindelijk niet echt.”

Voor de historie van bepaalde zalen is de zanger gevoelig. „Als scholier zag ik in het Muziektheater een voorstelling van Mozarts ’Il re pastore’, en nu sta ik er zelf. ’Adam in ballingschap’ gaat straks in de Amsterdamse Stadsschouwburg, nog zo’n plek waar de geschiedenis en de voetstappen voor het oprapen liggen.”

Bij die voetstappen horen de stemmen van weleer en Oliemans maakt er geen geheim van dat hij geïnteresseerd is naar wat zijn voorgangers deden. Hij somt de namen van degenen die hij bewondert rap op: Peter Anders, Heinrich Schlusnus, Gérard Souzay. „Ik luister heel veel. Het is tegenwoordig zo handig met het internet. Ik koop me helemaal failliet op iTunes. Als ik daar iets tegenkom van Julius Patzak of Helge Rosvaenge, dan kan ik dat niet laten schieten.”

Het zijn niet alleen zangers die Oliemans’ interesse wekken; al snel komt het gesprek op Leonard Bernstein, Wilhelm Furtwüngler en Carlos Kleiber. Dirigenten. „Ik vind het zo heerlijk om naar orkesten te luisteren en om biografieën van dirigenten te lezen. Die van Kleiber heb ik verslonden; die man is weergaloos, heel inspirerend. En dan Bernstein. Had lak aan alles. Dat wat hij wilde moest er gewoonweg uit. Hij was niet in een hokje te stoppen en dát aspect aan hem, dat werken zonder grenzen, dat spreekt me aan. Niet zozeer het flamboyante, dat opgeklopte, datgene wat je met het negatieve rondom ’das Wunder Karajan’ zou kunnen omschrijven. Furtwüngler klaagde er al over. Effectbejag is iets van alle tijden en ook Furtwüngler zelf ontkwam er niet aan. Maar híj had zelfkennis en beweerde dat hij de grootste bijval kreeg voor zijn slechtste concerten. Effectbejag is iets van alle tijden. Of er een verborgen dirigent in mij zit? Nou nee. Laat het maar horen in het zingen, denk ik dan, maar ik vind dat gesprekken over muziek met dirigenten vaak dieper gaan dan die met zangers.”

Het interview met Oliemans is een uitzondering op die regel. Dat het altijd anders is dan het plaatje dat je in je hoofd hebt, daar is de zanger in de loop der jaren achter gekomen. Hij zit er niet mee. „Met bepaalde mensen klikt het, met anderen niet. Je kunt jezelf alleen maar overgeven aan dat waar je mee bezig bent. Die drang om te zingen, dat zit in mij, ook al kom ik uit een stabiel en muzikaal relatief passief gezin. En ja, ik weet dat sommige collega’s het maken van een carrière vergelijken met de sprong op een voorbij razende sneltrein. Soms is dat ook zo, als je tegen de verwachting in een grote rol hebt gekregen, waarvan je eigenlijk weet dat je er nog niet klaar voor bent. Dan moet je het lef hebben om toch ’nee’ te zeggen, met alle mogelijke gevolgen – dat ze je niet snel meer zullen vragen bijvoorbeeld – van dien. Dan heb je inderdaad soms het gevoel van een sneltrein die verder raast, maar eerlijk gezegd vind ik stoptreinen sowieso leuker.”

Oliemans is nog steeds verbaasd dat hij de hele dag legitiem met muziek bezig kan zijn. Maar het is toch ook een hard vak?

„Ik kan het niet vergelijken, omdat ik nooit wat anders heb gedaan. Als city banker heb je nu ook geen leuke tijd lijkt me. Auditie doen is een noodzakelijk kwaad, je kunt het niet niet doen. In deze tijd krijgt haast niemand meer als vanzelf de status dat je niet meer hoeft te auditeren; iedere jaarring moet je er weer doorheen. Concertorganisatoren en casting directors willen steeds weer een nieuw talent presenteren; je houdbaarheidsdatum is korter geworden. Ik zelf kijk en luister het liefst naar mensen van wie ik de ontwikkeling snap, dan naar een nieuw iemand die er fantastisch uitziet en een been in zijn nek kan leggen. Er zijn té veel tragische voorbeelden van mensen die in de vangrail beland zijn.”

„Een liedrecital, is wat het is”, zegt Oliemans, „en ik ben huiverig voor de trend van het opleuken van concerten of recitals. Alsof je een prachtig renpaard wilt verkopen en er dan konijnenoren opzet. Je komt zo snel in de evenementenhoek terecht en daar gaat het niet om. Ik heb net een dvd gezien van Jacques Brel. Die staat voor een zwart doek en zingt zijn liederen. Meer is het niet. Je moet het doen met de stukken die je aanbiedt. Overigens klopt het beeld dat een leek van zo’n liedrecital heeft helaas maar al te vaak. Iets hoogdravends. Brel zei ooit dat ieder optreden een stierengevecht is, en dat klopt. Acteurs zullen dat ook zo voelen. Maar met de keuze van je stukken kun je al veel bereiken. Op de middelbare school zong ik drie liedjes van Youp van ’t Hek en daarna liederen uit Schumanns ’Dichterliebe’. Dat werkt. In Zürich sloot ik een ’zwaar’ recital af met ’Les feuilles mortes’, onsterfelijk gemaakt door Yves Montand, en men vond het prachtig. Waarom zou je omwille van de conventie iets niet doen? Mensen zeggen zo gauw dat je in een hokje wordt geduwd, maar dat gaat voor het grootste deel van jezelf uit. Toen ik auditie deed voor ’Adam in ballingschap’ – een Nederlandstalige opera – heb ik ook liedjes van Harry Bannink gezongen, gewoon om te laten horen dat ik weg kan komen van dat hoogdravende, van het standaard operageluid.”

Van Zuidams nieuwe opera heeft Oliemans al een paar fragmenten van de scènes die hij moet doen ingezien. Zuidam heeft Oliemans gehoord en vroeg hem wat de extreme hoeken van zijn stem waren. „Veel kan ik er nog niet over zeggen, dan zou ik het geheel moeten zien. Ik krijg wel enorm veel zin om het te gaan instuderen. Ik heb delen uit Vondels toneelstuk, waarop de opera gebaseerd is, al gelezen. Hoe het decor en de kostuums er gaan uitzien, weet ik ook niet. Voor de zekerheid laat ik hier in België al die lekkere bearnaisesauzen maar staan. Adam is in ballingschap, dus een vijgenblad heeft hij in elk geval, maar toch!”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden