'Ik hoef niet meer zoveel'

Edwin de Vries (Amsterdam, 1950) is regisseur, acteur en schrijver. Hij werd bekend door de televisiecomedy 'De Vlaamsche Pot', maar oogstte ook succes met zijn toneelrollen in 'Wie is er bang voor Virginia Woolf' en 'Leedvermaak'. De Vries is getrouwd met Monique van de Ven. De dood van hun eerste kind drukte een stempel op hun leven. De openhartige manier waarop zij hun verdriet bespraken, werd niet door iedereen begrepen. Onlangs verscheen 'Hélena', De Vries' romandebuut.

Arjan Visser

I

Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“Toen hij vijf of zes jaar oud was, hoorde ik mijn zoon Sammie zeggen dat hij niet in God geloofde en ik herinner me nog hoezeer ik daar van schrok. Wat zonde, dacht ik, dat je nu al zoiets kunt beweren. Wat zonde dat je niet even de kans hebt gehad in God te geloven - om je vervolgens van dat gevoel weer los te kunnen maken. Ik ben totaal a-religieus opgevoed, weet niets van de Bijbel, niets van God. Maar toen ik klein was en vreselijke astma-aanvallen had, heb ik vaak gebeden en in zekere zin heb ik daar ook steun aan gehad. Ik begrijp waarom mensen God nodig hebben; ik herken die behoefte, maar ik heb nooit geweten hoe ik mij tot Hem moest verhouden. Ik heb mij jaren later, in mijn wanhoop, nog eens tot God gericht. Ik vroeg Hem het leven van Nino, ons eerste kind -een baby nog maar- te sparen, maar mijn gebed werd niet verhoord. Een God die zoiets laat gebeuren, kan niet bestaan. Hoe kun je iemand die niet bestaat iets kwalijk nemen? Kort na zijn dood hebben Monique en ik gesprekken gevoerd met Louis Tas, de psychiater, die daar wijze dingen over zei. Ik worstelde heel erg met een schuldgevoel. Na twee weken doodsstrijd was ik de laatste geweest die ermee instemde dat de behandeling gestaakt zou worden en nóg bleef ik rondlopen met de gedachte dat het eigenlijk niet nodig was. Dat ik mijn eigen kind dood had laten gaan. Ik heb zo lang gehoopt, zo lang oprecht geloofd dat er een mogelijkheid zou komen om hem te redden. Een nieuw geneesmiddel, een plotselinge opleving. Er zou iets gebeuren. Hij kon niet, hij mocht niet sterven. Ik moest alles doen om dat te voorkomen en het is me niet gelukt. Tas zei dat ik een zeker schuldgevoel nodig had om te kunnen overleven. Zodra je geen schuld meer hebt, ben je machteloos, overgeleverd aan het toeval, aan God, of wat dan ook. Zolang je jezelf schuldig kunt voelen, heb je het gevoel dat je het leven zelf in de hand hebt. Maar goed, dat neemt niet weg dat ik toch kan verlangen naar iemand die alle antwoorden heeft, die voor me zorgt en op mij past. Een houvast. Nu is er niks. Alleen maar leegte. Dat vind ik nog altijd een angstwekkende gedachte.“

II

Gij zult u geen gesneden beeld maken, noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Ja, dat is 'm, daar onder die beuk: mijn Gouden Kalf. In hetzelfde jaar kreeg ik ook de Louis d'Or. Ik weet nog dat ik tijdens de uitreiking dacht: dit had mijn vader moeten zien, dus kennelijk is bewijsdrift wel lange tijd mijn motor geweest. Misschien heb ik zo mijn best gedaan omdat ik wilde laten zien dat mijn keuze voor het toneel -waar hij zoveel problemen mee had- toch de enige, juiste keuze was.

Weet je wat het rare is? Zo'n tien jaar geleden heb ik het idee de beste te moeten zijn overboord gegooid en sindsdien ben ik, voor mijn gevoel, pas goed toneel gaan spelen. Ik was te veel bezig met het resultaat en te weinig met het proces zelf. Het is een variant op het verhaal van de jonge zenboeddhist die les kreeg in het boogschieten. De jongen was ongedurig en vroeg, na enige tijd: 'Wanneer schiet ik nu eindelijk een keer in die roos?' Waarop zijn leraar zei: 'Hou er maar mee op. En kom terug als je die gedachte niet meer hebt, want het helpt je niets. Pas als je je één kunt maken met je doel, zul je het bereiken'.“

III

Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Tijdens de oorlog heeft een aantal rabbi's in Auschwitz een proces -compleet, met rechters en advocaten- tegen God gevoerd en Hem uiteindelijk ook veroordeeld. Dat is iets wat volgens mij alleen binnen de joodse religie mogelijk is: dat je in God gelooft, maar Hem tegelijkertijd mag vervloeken, op het matje roepen. Het joodse geloof is voortdurend in beweging. Alles wordt beargumenteerd, ter discussie gesteld.

Mijn vader heeft al voor de oorlog afstand genomen van zijn orthodoxe opvoeding, maar ik ben tot de ontdekking gekomen dat hij de joodse mores wel degelijk aan ons heeft willen meegeven. Laatst hebben we, bij vrienden in de buurt, voor het eerst meegedaan aan een seideravond en daar ging het precies zo: de seider werd van alle kanten belicht en van commentaar voorzien. Ik vond het prachtig. Ik had het gevoel erbij te horen. Het was alsof ik ineens heel zeker wist: hier kom ik vandaan.“

IV

Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“Laatst zocht ik schelpjes op het strand -witte schelpjes die Monique nodig had voor een schilderij - en plotseling dacht ik: God, dit is, geloof ik, ontspanning! Dat je gewoon schelpjes zoekt en verder niets.“

V

Eer uw vader en uw moeder

“Mijn vader wilde dat ik - als een nette, Joodse jongen- rechten ging studeren maar ik had mijn hart aan het toneel verpand. We hadden daar regelmatig woorden over gehad, maar de dag waarop ik naar een oriënteringscursus van de Toneelschool zou gaan, barstte de bom. Als mijn vader en ik naar de stad gingen, aten we altijd bij Broodje van Kootje, op het Leidseplein. Maar dit keer, nu ik alleen ging, wilde hij geen geld meegeven. Hij stond erop dat ik boterhammen zou meenemen. Die ruzie liep zo hoog op dat ik van huis wegliep en bij mijn vriendin introk. Haar vader was de rector van het gymnasium, een man die mij op een geweldige manier heeft opgevangen. Toen ik eindexamen deed, kwam mijn vader langs met een grote taart. Vanaf dat moment ging het weer iets beter tussen ons Over het toneel spraken we haast nooit, maar toen ik aan het eind van mijn eerste jaar de hoofdrol in een of ander stuk had, stuurde mijn vader - die al ernstig ziek was en in het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam lag- een bevriend toneelrecensent naar de uitvoering om te kijken hoe ik het deed. Die criticus heeft hem verteld dat hij er wel vertrouwen in had. Die jongen heeft talent, zei hij. Toen ik mijn vader daarna in het ziekenhuis opzocht, gaf hij mij de 'Tien Geboden voor een acteur'. Kennelijk had hij er nu wel vertrouwen in dat het wel goed met mij zou komen. Onze relatie bloeide in de korte tijd die we nog samen hadden enorm op. Ik had het gevoel dat het - toen hij stierf- weer helemaal was zoals vroeger.

En toen, direct na zijn dood, kwamen de verhalen. Mijn vader, die mij op het hart had gedrukt dat ik bij een meisje moest blijven als ik haar een belofte had gedaan, bleek zelf diverse buitenechtelijke relaties te hebben gehad. De ruzies tussen mijn ouders - die ik had willen voorkomen door me zo goed mogelijk te gedragen- bleken niets met mij, maar alles met zijn vriendinnen te maken te hebben. Ineens begreep ik ook waarom hij niet wilde dat ik bij het toneel ging. Ik denk dat hij bang was dat ik, als ik mij eenmaal in die wereld had ingewerkt, zijn geheim, zijn dubbelleven, zou ontdekken.

Ik ben heel lang woedend op hem geweest. Hij was met een enorme klap van zijn sokkel gevallen. Toch heb ik hem er later zelf weer opgetakeld. Ik schreef een toneelstuk over een zoon die ontdekt dat zijn vader vreemdgaat. 'Hoe heb je ooit kunnen zeggen dat ik bij mijn eerste vriendinnetje moest blijven, terwijl je zelf maar wat aan rotzooide?' Het was een felle discussie, maar ik liet uiteindelijk de vader winnen. 'Wat had je dan gewild?', vroeg hij, 'had ik het je moeten vertellen, terwijl ik nog met je moeder was?' Dat is toch zo? Het zou pijnlijk voor mijn moeder zijn en wat moest ik er verder mee? Bovendien: hij had een gruwelijke, waanzinnige tijd achter de rug. Mijn vader zat in het verzet. Ik ken de 'stoere' verhalen wel, maar nog geen fractie van wat hem in werkelijkheid is overkomen; hoe hij de oorlog heeft overleefd.

Ik ben er onlangs achter gekomen dat hij in die jaren drie verloofdes heeft gehad. Aan alle drie heeft hij beloofd: na de oorlog trouw ik met je. Maar uiteindelijk koos hij voor mijn moeder omdat ze zwanger was. Ze was misschien niet zijn grootste liefde, maar hij is wel bij haar gebleven. Ik geloof dat ze in feite wel een goede relatie hadden, maar hij kon het niet laten iets met andere vrouwen te beginnen. Nu, nu ik ouder ben dan hij ooit is geweest, begrijp ik het wel. Toen was ik alleen maar boos. Ik trok me terug. Ik werd een loner. In de jaren na mijn vaders dood heb ik mijn moeder nauwelijks gezien. Ze hertrouwde en ik kon met haar nieuwe echtgenoot helemaal niet uit de voeten. Het komt eigenlijk door Monique -zij kon heel goed met haar opschieten- dat mijn moeder en ik elkaar weer hebben gevonden. Mijn vader speelde zo'n grote rol in mijn leven, dat ik niet heb kunnen zien hoe groot haar aandeel is geweest. Ik heb haar beslist tekort gedaan en ik ben blij dat ik het nog op tijd heb kunnen bespreken; dat we op een goede manier afscheid van elkaar hebben genomen. Monique zegt altijd dat ik op mijn moeder lijk en ik begin in te zien dat ze daarin gelijk heeft. Als ik ooit een autobiografie ga schrijven, moet de titel zijn: De man die op zijn moeder leek.“

VI

Gij zult niet doodslaan

“Ik heb altijd een enorme doodsangst gehad. Vooral de gedachte dat ik in paniek zou moeten sterven. Ademnood. Stikken. Dat mijn vader al op zijn 51ste stierf heeft, wat die angst betreft, niet erg geholpen. Mijn broer en ik hebben dezelfde ziekte, maar voor ons zijn er medicijnen. Ik weet nog dat mijn broer 51 werd en ik hem feliciteerde: 'Je hebt het gehaald!' 'Nee', antwoordde hij, 'nog één maand en zestien dagen'. Hij was er kennelijk net zo sterk mee bezig als ik. Nu ik ouder ben dan mijn vader ooit was, heb ik het gevoel in een soort reservetijd te leven; ik kan mij nergens meer aan spiegelen.

Die angst voor de dood is helemaal weggeweest toen Nino stierf. Dat komt ook doordat -ja, dit klinkt misschien heel raar- het zo mooi, zo rustig, zo vredig verliep. Ik weet nog dat ik dacht: als dit het is, als je zo kunt sterven, is het misschien helemaal niet zo erg. Ja, tegelijkertijd blijft het natuurlijk een gruwel; hoe je kunt besluiten dat het beter is als iemand gaat. Ik heb dat later nog eens meegemaakt toen mijn moeder op sterven lag. Ze was echt aan het einde van haar leven. Ze had pijn. Ze kon niet verder. Wij, haar kinderen, hebben toen met de arts afgesproken haar een klein beetje meer morfine te geven. In feite hebben we haar op dat moment doodverklaard. Ik begrijp het wel, ik sta achter die beslissing, maar ik moet er nog vaak aan terugdenken. Ik vind het nog altijd een beangstigende gedachte dat mensen die zeggenschap hebben opgeëist. Dat we zelf kunnen beschikken over leven en dood.“

VII

Gij zult niet echtbreken

“Het huwelijk was een verachtelijk instituut, iets waar ik me verre van moest zien te houden. Ik had voortdurend de taferelen die ik bij mijn ouders had gezien in mijn achterhoofd. Ik had wel vriendinnen, maar zodra het serieus werd, haakte ik af. Achteraf weet ik wel waarom. Ik heb als negenjarige, vanwege mijn zware astma, een jaar in Davos gewoond. Alleen. Het is mijn sleuteljaar geworden. Het was het jaar waarin mijn zelfstandigheid ontdekte, maar het was ook het jaar waarin ik werd verlaten. Ik kan dat gevoel nog moeiteloos oproepen: totale eenzaamheid. Achtergelaten door de mensen van wie ik het meest hield. Ik weet nu wel dat dit de basis van mijn vrijgezellenbestaan is geweest, maar toen leefde ik gewoon het leven van mijn vader. Veel vriendinnen, soms tegelijkertijd. Rotzooi en leugens. Wat jij kon, kan ik ook! Pas toen het helemaal uit de hand dreigde te lopen en een van die vriendinnen zelfs zelfmoord leek te overwegen nadat ik het had uitgemaakt, besloot ik dat ik zo niet verder wilde.

Ik heb waarschijnlijk ook lang rondgelopen met het idee dat er zoiets bestond als een ideale vrouw, maar dat ik haar toch nooit zou vinden. Aan iedere vriendin mankeerde wel iets. En toen kwam ik Monique tegen. Ik raakte totaal bezeten van haar. Ik dacht: als dit de vrouw is met wie ik de rest van mijn leven moet delen, wil ik mijn bezwaren tegen het huwelijk wel aan de kant schuiven. Mijn keuze voor haar was net zo resoluut als mijn keuze voor het zigeunerachtige bestaan dat ik voor die tijd had geleid. Ik zie de verlokkingen buitenshuis wel, maar ik pieker er niet over om daaraan toe te geven. Ik ben met Monique en het is alles of niets.“

VIII

Gij zult niet stelen

“Als je veel hebt, moet je meer geven. Naar die regel probeer ik te leven. Monique en ik doen veel voor Unicef. We maken reizen, we zitten in een adviesorgaan, we -waar dat uit voortkomt? Schuldgevoel. Ja, een voortdurend schuldgevoel. Ik herinner me dat we een aantal jaren geleden naar het binnenste binnenland van Zimbabwe gingen waar we door aids getroffen gezinnen bezochten en ik daar een enorme crisis kreeg. Ik zag die gruwelijke, wanhopige toestanden en realiseerde me tegelijkertijd dat ik daar, zelfs als ik mijn hele salaris zou overmaken, helemaal niets aan kon veranderen. Ik moet je eerlijk zeggen dat ik hier, thuis, ook niet snel meer opkijk als ik die beelden uit Afrika zie. Daar heb je weer zo'n hongerig kind, denk ik dan. Dat geldt voor de meeste mensen.

We zijn afgestompt. Maar doordat ik het met mijn eigen ogen heb gezien, laat dat gevoel me niet meer los. Ik zie mezelf hier zitten, in mijn mooie huis en weet dat ze een paar uur vliegen hier vandaan, creperen van de honger. Ik móet het van me afschudden, ik kan het letterlijk niet in mijn eentje oplossen. Het enige wat ik kan doen is ervoor proberen te zorgen dat Unicef zijn werk kan voortzetten. Ja, ik voel me iets minder schuldig, maar ik weet ook dat wat ik doe niet genoeg is. Het is nooit genoeg.“

IX

Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Toen ik aan het boek begon, dacht ik: ik schrijf over een man met een soort posttraumatisch stresssyndroom. Ik kreeg ideeën, allerlei herinneringen borrelden op: het boek leek zichzelf te schrijven. Pas halverwege had ik in de gaten hoezeer de hoofdpersoon op mij leek. Ik ben Maurits niet, maar ik weet precies wat hij heeft doorgemaakt. Ik ben, net als hij, te lang doorgegaan. Ik denderde voort, om niet stil te hoeven staan bij alles wat mij was overkomen. Nu ik dat heb gedaan, nu ik alles heb herbeleefd -en ik kan je haast niet zeggen hoe louterend het is geweest- vind ik de gedachte terug die ik had toen Nino net was overleden: waar maak ik mij eigenlijk zo druk om? Waar gaat mijn leven over? Misschien ben ik, nu ik dit boek heb geschreven, eindelijk zo ver. Ik hoef niet meer zoveel.“

X

Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Ooit wil ik op Vlieland gaan wonen. Daar hebben we een huisje, een eenvoudig huisje, op een mooie plek. Zelfs in wind en regen is het er verrukkelijk. Als ik daar ben, weet ik: dit is voldoende, zo is het goed.“

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden