'Ik heb recht op de hemel'

Rudi Fuchs komt wat traag op gang, deze ochtend. Het is laat geworden. Te veel whiskey ook - 'nee, dat was geen appelsap in mijn glas' - tijdens en na afloop van het tv-programma 'Barend en Van Dorp', waarin hij mocht komen vertellen hoe het voelt om meer dan een jaar verdachte te zijn in een fraude-onderzoek.

In zijn kamerjas en op blote voeten scharrelt hij wat ontheemd door het huis. Zijn vrouw zit op een congres en het huis is al even rommelig als zijn geest. Er slingert speelgoed rond van de kleinkinderen en het telefoonnummer van de kapper kan hij ook al niet vinden. Hij moet nodig 'getrimd' worden, constateerde hij toen hij zichzelf terugzag in de herhaling. ,,Vroeger had ik een secretaresse die dit soort dingen voor me regelde.'' Sinds hij begin dit jaar vertrok als directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, is hij zijn eigen secretaris geworden.

Maar eenmaal door de fotograaf voor een doek van zijn favoriete schilder Baselitz geposteerd, begint het langzaam op te klaren in zijn geest. Of hij een schadevergoeding overweegt, omdat hij ten onrechte zo lang als verdachte is beschouwd, wil iedereen nu van hem weten, vertelt hij. Hoofdschuddend: ,,Daar gaat het me helemaal niet om. Ik wil eerst een gesprek met de bestuurders van deze stad. Die hebben nog heel veel uit te leggen en recht te zetten.'' De vloer hebben ze met hem aangeveegd, niets hebben ze overgelaten van zijn in dertig jaar opgebouwde reputatie. Hij zou het Stedelijk hebben laten verslonzen en ook als tentoonstellingsmaker jammerlijk hebben gefaald. Als een 'mastodont' hebben ze hem afgeschilderd en als een oplichter. Spotlachend: ,,Eigenlijk had ik al dood moeten zijn.''

Hij voelde nauwelijks opluchting toen het openbaar ministerie dinsdag bekendmaakte dat hij niet strafrechtelijk vervolgd zal worden voor vermeende fraude met vijf schilderijen van zijn vriend Karel Appel. ,,Ik wist voor mezelf dat er niets aan de hand was.'' Op verzoek van Appel schreef Fuchs vorig jaar een briefje dat de schilderijen voor het Stedelijk Museum waren bestemd. In dat geval hoeven geen invoerrechten te worden betaald. De schilderijen gingen echter naar Appel zelf en niet naar het museum, wat Fuchs ontging omdat hij maanden uit de roulatie raakte na een ernstig ongeluk. ,,Eigenlijk wil ik er niks meer over zeggen, behalve dat het onderzoek wel erg lang heeft geduurd en dat het naar mijn idee sommigen goed uitkwam dat ik ook nog als een mogelijke fraudeur kon worden afgeschilderd. Ja, dat zit me wel dwars, dat ze van alles over je kunnen roepen, zonder dat het waar is.''

In een krant las hij dat hij een verbitterd man was. ,,Hoe komen ze erbij? Ik ben niet bitter, ik ben kwaad en dat niet eens over die Appel-affaire, maar vooral over het feit dat deze stad nog steeds niet het mooie nieuwe museum heeft waar het recht op heeft en waar ik tien jaar voor geijverd heb. En ik voel me beledigd en geschoffeerd door het stadsbestuur, vanwege alle persoonlijke aanvallen, maar ook omdat het nooit de moeite heeft genomen mij om advies te vragen toen er te weinig geld bleek voor de nieuwbouw. Ze hebben toen zelf iets bedacht, een museum van de 21ste eeuw op de Zuidas. Dat klinkt mooi maar wat het inhoudt?''

In de tien jaar dat hij het Stedelijk leidde, heeft hij zes wethouders meegemaakt. Op een enkeling na, Bakker en Bruynes, hadden ze geen persoonlijke interesse in het museum, zegt hij. ,,Daar valt als museumdirecteur best mee te leven, maar toen het gemeentebestuur vorig jaar september mijn perspectief van een nieuw prachtig museum om zeep hielp met de mededeling dat er geen geld was voor de plannen die ik met architect Siza had gemaakt, heb ik overwogen om meteen weg te gaan. Maar ik ben gebleven om te voorkomen dat het Stedelijk inderdaad naar de Zuidas zou gaan. Maar ze hadden bij die gelegenheid ook tegen me kunnen zeggen: Rudi, eigenlijk vinden we dat je hier niet meer past'. Maar dat is niet gebeurd. Wel hoor ik wethouder Dales in een tv-programma zeggen dat ik niet meer de juiste man op de juiste plaats was.''

Niet alleen door de bestuurders van Amsterdam voelt hij zich in de steek gelaten. Ook de kunstwereld heeft hem laten vallen als een baksteen. Hoe vaak hij de afgelopen jaren niet heeft moeten horen en lezen dat 'hij er niks meer van kan', 'dat hij is blijven hangen in de jaren zeventig', 'dat hij niks van de hedendaagse moderne kunst snapt' en teert op het gezag dat hij in de jaren zeventig verwierf met spraakmakende exposities in het Van Abbe-museum. ,,Maar ik hoor die critici er niet over dat Grayson Perry, één van de genomineerden voor de Turner-prijs, twee jaar geleden al een expositie had in het Stedelijk. Zes jaar geleden heb ik al een kunstwerk van Perry gekocht. Hij maakt vazen van keramiek met daarop gruwelijke verkrachtingsscènes en dergelijke. Vroeger stonden er nymfen op dat soort vazen, Perry zet er pederasten op. Ik heb dus kennelijk nog steeds het vermogen om dingen te herkennen, ook al heb ik er persoonlijk niet veel mee. Maar dergelijke nuanceringen passen niet in het beeld dat ik ouderwets zou zijn.'' Het is net als met moderne muziek. ,,Ik hou er niet van, maar als iets echt goed is, kan ik dat intellectueel wel waarderen.''

Sinds twee weken geeft hij openbare colleges 'kunstpraktijk'. Als thema heeft hij gekozen voor 'Het laatste werk', geïnspireerd door een uitspraak van Henri Moore, de beeldhouwer. Toen deze ooit werd gevraagd hoe het toch kwam dat zijn laatste werken zo mooi vrijpostig waren, antwoordde hij: 'Als je zo oud bent zoals ik nu, kan het niet meer schelen wat andere mensen ervan zeggen'. Fuchs: ,,Jongere kunstenaars kijken altijd om zich heen wat de concurrentie doet. Die behoedzaamheid kan ertoe leiden dat bepaalde stappen niet worden gezet of juist wel en dan te snel. Maar als de kunstenaar ouder wordt, valt hij of zij vanzelf uit de avantgarde en komt in een situatie van bijna geïsoleerde reflectie. Juist dan vindt het werk een nieuwe verdieping.''

Volgens Fuchs is het in de kunstgeschiedenis normaal om de opbouw van het oeuvre van een kunstenaar te volgen met de tijd mee. ,,Ik vind het veel zinvoller een levenswerk te overzien vanuit het laatste, meest rijpe werk om van daaruit terug te kijken naar eerdere momenten.'' Voor zijn eigen carrière met roem in de beginjaren en een weinig glorieus einde lijkt die stelling niet op te gaan. Maar dat zien we helemaal verkeerd, riposteert Fuchs. ,,Jonge mensen zijn fris en hebben ideeën, maar daar wordt soms ook te veel waarde aan gehecht. In het Van Abbe hing ik een Mondriaan naast een Sol LeWitt, dat was nog nooit vertoond, men vond het shockerend, maar ik kwam op dat idee omdat ik anders de zalen niet gevuld kreeg. De collectie was niet toereikend, heel banaal. Maar we gingen het vaker doen omdat een Mondriaan naast bijvoorbeeld een Struycken heel anders ging spreken. Het is net als met een servies. Als je te kort komt, ga je dat uit armoede combineren met andere borden, maar het totaalresultaat kan veel mooier worden.''

Fuchs werd beroemd en iedereen ging hem nadoen. ,,Maar de kunst is wel om je eerste idee te verfijnen en daarin ben ik beter geweest dan de anderen. Ja, dat is zo. Mijn stelling dat je naar het laatste werk moet kijken, geldt dus ook voor mijn eigen oeuvre, met als hoogtepunt mijn afscheidsexpositie 'Tot zo ver' in het Stedelijk. Die bestond ook uit verrassende combinaties, maar wel oneindig veel subtieler dan mijn eerste exposities.''

Hij mag dan zelf vinden dat hij het ook in het Stedelijk goed heeft gedaan, toch was er de laatste jaren veel kritiek op Fuchs, niet alleen op de manier waarop hij museum leidde of beter gezegd niet leidde, maar ook op zijn brave tentoonstellingen. Ook zou hij te weinig voeling hebben met hedendaagse kunstenaars, kortom te ouderwets zijn. ,,Ook Rembrandt werd op het het laatst als een ouwe lul gezien. Niet dat ik me met Rembrandt wil vergelijken, hoor. Maar je hebt ook te maken met een veranderende omgeving, andere politieke opvattingen en met mode. Er kwam in de tijd van Rembrandt een Franse smaak: schilderijen moesten blond zijn. De donkere doeken van Rembrandt raakten uit de gratie. Rembrandt werd verguisd maar hij bleef wie hij was. Ik voel me niet verguisd maar ik pas niet meer bij de heersende smaak, die een voorkeur heeft voor video en fotografie. Ik kan daar niet in meegaan, want ik wil niet koste wat het kost modern zijn. Maar dat wil niet zeggen dat mijn voorkeuren fout zijn. Dat geldt ook voor mijn opvattingen hoe een museum er moet uitzien. Volgens de huidige tijdgeest moet dat een evenementencomplex zijn waarin het restaurant belangrijker is dan het licht in de expositiezaal. Ik prefereer een klassiek museum waar een verzameling kunst hangt die met de tijd groeit.''

Ook daarom is het misschien wel goed dat hij is opgestapt om te doen wat hij 'ten diepste' is: leraar zijn. Maar ook het zware auto-ongeluk, dat hem overkwam in Italië, heeft een rol gespeeld. ,,Als je bijna doodgaat, ga je inderdaad scherper selecteren wat echt belangrijk is in het leven. Dat ongeluk is in zeker opzicht een zegen geweest. Na de botsing ben ik als gevolg van bloedverlies flauwgevallen. Alles werd wit en ik dacht dat ik in de hemel was. Toen ik dat later vertelde aan Youp van 't Hek, zei die: 'Nou Rudi, dat is wel erg arrogant om te denken dat jij in de hemel komt'. Ik heb er nog eens over nagedacht maar ik vind dat ik wel recht heb op de hemel.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden