Ik heb lichte vleugels, ik kan zo weer weg

Vier jaar lang heeft schrijfster Lieve Joris zichzelf verloren in stoffige straatjes en klamme winkeltjes in Afrika en China. Ze komt terug met een boek over 'globalisering van onderop' en de kracht van kleine scharrelaars.

Zoals ze daar zit: tengere gestalte naast een goed gevulde boekenkast. Zoals ze de wereld analyseert in mooie, vertakte zinnen; zo is schrijfster Lieve Joris (60) de intellectueel, die je in een studeerkamer of universiteit zou situeren. Niet direct in een winkeltje vol rubberlaarzen, schoppen en thermoskannen in Doebai. Of in de klamme straten van Chocolate City, een Afrikaanse wijk in de Chinese stad Guangzhou.

Toch bracht Joris daar vele maanden door voor haar zojuist verschenen boek 'Op de vleugels van de draak. Reizen tussen Afrika en China'. Ze volgde Congolezen die in China containers vol nep-merkkleding kopen om thuis te verhandelen. Ze hing rond in een Chinees winkeltje in Zuid-Afrika en ontdekte "een fijnmazig net" van kleine visjes en scharrelaars. Haar verhaal gaat niet over grote multinationals, maar over gewone Afrikanen en Chinezen die elkaar blijkbaar iets te bieden hebben, over de 'globalisering van onderop'.

"Ik was weer echt op ontdekkingstocht", vertelt Joris in haar appartement in de Amsterdamse binnenstad. Vier jaar duurde die tocht, die onder meer door het grote, nog niet zo vertrouwde China voerde. "Ik voelde me weer klein en nietig."

Waar zat voor u de urgentie? Waarom moest dit boek er komen?

"In Afrika was ik aan het einde van mijn verhaal gekomen. Ik had jaren door Congo gereisd, er vier boeken over geschreven, de oorlog van dichtbij meegemaakt. En daarachter hobbelde steeds de hulpindustrie. Die irriteerde me: altijd maar weer mensen helpen, alsof ze zelf niks kunnen! En wat voor hulp is dat? In Goma zag ik hoe een organisatie die kinderen in oorlogsgebieden helpt met grote four-wheeldrives door de stad reed. Ineens brak de oorlog uit, muiterij, rebellen, en werd één van hun hulpverleensters verkracht. Natuurlijk is dat vreselijk, maar die hele organisatie verdween uit de stad. Dan denk ik: Welke kinderen helpen? Je eigen kinderen!

"Maar ik zag de laatste jaren ook iets anders: Afrikanen die door de oorlog afgesloten waren van de hoofdstad, en die nieuwe wegen zochten om aan spullen te komen. Zij trokken ineens oostwaarts: Doebai, China! Kleine zakenlui gingen reizen, kwamen terug met volle containers, deden dingen op eigen kracht, waren niet afhankelijk van hulporganisaties. Dat vond ik een interessante ontwikkeling.

"Ik zat in een drukke wijk van Brazzaville om me heen te kijken en dacht: Iedereen hier is van onderaf opgeklommen. De man die inmiddels zijn eigen winkeltje beheert, begon als ambulante handelaar. Over die kracht wilde ik schrijven."

Maar als u in China Afrikanen met tassen vol goedkope rommel ziet, wordt u ook verdrietig. U schrijft: 'Al dat gesjouw van het ene continent naar het andere - kan Afrika dan niets zelf maken?'

"Ik zat daar tussen mensen die gewoon spulletjes aan het verslepen waren. Sommigen zijn analfabeet, ze reizen naar China voor T-shirts en zonnebrillen maar denken niet na over China zélf. Daar zit iets droevigs aan. Daarom ging ik op zoek naar Afrikanen die dingen willen máken. De Congolese zakenman die van China wil leren hoe je zakken fabriceert om grondstoffen in te vervoeren. De Rwandees die een fabriek wil bouwen om biologisch afbreekbaar plastic te produceren. Die verdiepen zich in de Chinese cultuur, sommigen leren Chinees. Zij zijn op een ander niveau bezig dan de handelaar die naar mij kijkt en alleen maar denkt: 'Holland: melkpoeder'."

Is dat iets voor u, een melkpoederhandeltje? Een leuke bijbaan?

"Mijn Malinese vriend Cheikhna stelde zoiets voor, toen heb ik het uitgezocht. Weet je wat mijn aandeel zou zijn? 50.000 euro. Dat is niet niks hè? Je gaat een container vullen, die moet wel volzitten. Vervolgens moet je douanes onderweg corrumperen. In Congo-Brazzaville vervoer je containers per vliegtuig, want de trein wordt steeds overvallen. Voor een boek zou ik zoiets best een keer willen doen, maar niet voor mezelf. Ik wil niet in zak en as komen voor niks."

Voor niks? Misschien kunt u er geld mee verdienen.

"Nee, ik heb geen handelstalent, ik heb nog nooit ergens munt uitgeslagen. Zo kijk ik gewoon niet naar de wereld. Ik heb een ander talent: ik kan een passie opbrengen voor één onderwerp, voor één boek. Ik kan mezelf verliezen, zelf een beetje Chinees of Afrikaan worden. Dáár ben ik goed in."

Hoe doe je dat, jezelf verliezen?

"Het is een soort niksen. Ik zat urenlang, wekenlang voor winkeltjes in Doebai, Brazzaville en Guangzhou. Ik hing elke zondag in Peking rond met Théodore, een Congolese student, een soort filosoof. We gingen naar het park, naar een museum, naar de viering van de zestigste verjaardag van de revolutie. Alles wat ik meemaakte legde ik aan hem voor: 'Wat vind jij daarvan?'

"Dit boek schreef ik grotendeels in China, in het atelier van mijn Chinese vriend Shudi. Een Nederlandse vriend kwam bij me op bezoek, ik leidde hem rond langs de campus aan de overkant, die ene Oekraïense bakker met lekker brood, een winkeltje met gestoomde gerechtjes, een bar die ik na zes maanden had ontdekt. Mijn vriend vroeg: Is dit het? Ja, zei ik, dit is het. Het is het dorpsmeisje in mij: dat kan simpel leven op een heel klein niveau. Naar de markt gaan, groente en bloemen kopen, zwaaien naar de man die popcorn maakt in een zwartgeblakerde ton. Ik voelde me daar thuis."

U beschrijft een wereld van passanten, u bent er zelf ook één. Wat typeert de passant?

"Het zijn mensen die thuis aan het einde van hun mogelijkheden zijn gekomen. Die denken: 'Er gaat hier niet veel nieuws gebeuren. En ik kan méér, dus moet ik weg.' Zo komt een Congolees in Zuid-Afrika terecht, waar hij gaat werken in de winkel van een Chinees, die zelf zijn land is ontvlucht omdat hij daar zijn plafond had bereikt. En de meesten worden er beter van.

"Ik ben zelf op mijn negentiende weggegaan uit Neerpelt, mijn geboortedorp in België. Want ik dacht: 'Blijven is hetzelfde als een schop nemen en mijn eigen graf graven.' Ik ben gaan reizen en schrijven, terwijl ik niet voorbestemd was om dit te doen. Als ik op mijn kamer zat te lezen, bonsde mijn moeder op de deur: 'Helpen jij, stof vegen!' Zij wilde dat ik zou trouwen met een ingenieur, dat was een mooie carrière voor mij. Mijn vader hoopte dat ik apothekersassistent zou worden. Ik kom helemaal nergens vandaan. Daarom begrijp ik die rondreizende handelaars, die passanten ook zo goed: ik heb zelf ook al die stappen gezet."

Mist u niets, tijdens uw lange reizen? Vastigheid, een anker?

"Nee, maar ik ben heel blij dat andere mensen wél verankerd zijn. Zonder de thuisblijvers zou het zo leeg zijn als ik terug kom. Ik heb op kostschool gezeten, en bezoek mijn vroegere lerares Nederlands nog wel eens in een klooster in Leuven. Soms skypen we, zelfs als ik in China zit. Zij heeft gestudeerd, ze leest veel, ze houdt zich met haar tuintje bezig... Binnen een paar minuten ben ik thuis bij háár."

Thuis in Amsterdam treft u Marek, uw partner. Kan hij goed overweg met uw uithuizigheid?

"Deze verhouding - we zijn samen sinds 1978 - had nooit kunnen standhouden als Marek niet een autonome persoon was geweest, die heel goed alleen kan zijn. Soms ben ik al vier maanden terug, en zegt hij: 'Ik ben nog steeds niet aan je gewend'. Ik heb geluk met hem. Je ziet wel eens dat er spanningen in een relatie ontstaan als één van de twee carrière begint te maken. Maar Marek heeft mij altijd gesteund, ook als mensen zeiden: 'Ben je gek, gaat je vrouw weer naar Congo?!' Weet je, mensen denken soms dat je die dingen alleen doet, maar dat is niet zo. Ik ben altijd blij om thuis te komen. Maar het is het werk dat ons scheidt, hè, c'est le travail qui nous sépare. Dat kennen andere passanten ook heel goed: dat werk hen naar de andere kant van het land of de wereld drijft."

Marek en u hebben geen kinderen. Was dat een bewuste keuze?

"Ja, toen ik vooraan in de dertig was, dacht ik wel: Hoe zou het zijn als Marek en ik een klein wezentje op de wereld zouden zetten? Zou het een Marekske zijn of zou het meer op mij lijken? Maar een kind paste niet bij onze manier van leven. Ik zou een andere persoon zijn geworden, jij zou hier vandaag niet gezeten hebben. Nu heb ik lichte vleugels: we hebben geen auto, we hebben dit huis pas gekocht toen ik net vijftig was geworden, we hebben geen huisdieren, ik heb één plant, maar die kan weken zonder water. En dat is het. Ik kan zo weg. Natuurlijk hebben we wat gemist, maar ik kan er niet om treuren omdat er zoveel voor in de plaats is gekomen."

Negen jaar geleden voelde u zich niet meer thuis in Nederland. U zag 'een samenleving die steeds meer zijn rug naar de wereld leek te keren'. Hoe ziet u ons nu?

"Het was 2004, Theo van Gogh was net vermoord. Een bekende vroeg me over mijn nieuwe boek en zei: 'Wéér Congo'. Ik herinner het me nog precies. Zo'n opmerking treft je als een speer.

"Ik vond de mensen ruw, ze stonden met hun rug naar mijn onderwerp toe, als ik de radio aanzette hoorde ik aldoor maar islam-bashing. Ik was overgevoelig voor wat ik op straat meemaakte, waarschijnlijk ook omdat mijn binnenwereld niet stevig genoeg was. Als je heel lang weg bent geweest, vervreemd je van je samenleving. Ik was zelf ook in crisis, rond de vijftig, misschien had de hormonale omslag er ook mee te maken.

"Ik weet niet waarom, maar het is weer in orde gekomen tussen mij en Nederland. Dit is toch wel een gezonde samenleving. Mensen roepen van alles, maar uiteindelijk klinken toch altijd weer die redelijke stemmen door. Als ik nu denk aan Nederland, denk ik aan de weldenkende notaris die ons geholpen heeft dit huis te kopen. Dan denk ik aan een vriend die een wetenschappelijke uitgeverij heeft en die zo'n rust uitstraalt. Je hebt maar een tiental mensen nodig om je ergens op je gemak te voelen."

Er zit in een Afrikaan in u hè. Kunt u die beschrijven?

"Mijn oudste broer is gestorven toen ik in Zuid-Congo zat voor mijn boek over een rebel. Na de dood van mijn moeder ben ik meteen weer naar Congo gegaan. Dat verdriet heb ik allemaal gedeeld met Congolezen. De rebel, hoofdpersoon in mijn boek, belde me op in België vlak na het overlijden van mijn moeder. Hij zei: 'Gefeliciteerd. Een moeder die sterft omringd door haar kinderen is gelukkig.' Toen mijn vader stierf, belde hij me weer: 'Nu hoef je helemaal niks meer te doen, je hebt allebei je ouders vergezeld naar de dood.' Ik was droevig op onze manier, huilde om mijn vader, maar tegelijkertijd begreep ik zijn boodschap. Op het moment dat je zo kwetsbaar bent, zo poreus van verdriet, en iemand zoiets tegen je zegt, komt dat echt binnen. De dood, maar ook ruzies en problemen rond de erfenis: ik kijk er soms naar als een Congolees. Als je oorlog, plunderingen, zoveel ellende hebt meegemaakt, ga je nooit meer helemaal terug naar je materialistische leven. Dan denk je: Wat maakt het nou uit?"

Zit er nu ook een Chinees in u?

"Mijn relatie met China is heel laat begonnen, maar ik was gefascineerd door de energie van het land. Zo'n Chinese professor die op zondag werkt, en tegen een Amerikaan zegt: 'Jullie kunnen je veroorloven op zondag vrij te nemen, maar wij nog niet.' De kracht van een volk dat iets nieuws aan het ontdekken is en daarvan geniet; die herken ik."

Geen gewone reisschrijver
Met de term 'reisverhaal' heeft Lieve Joris "een moeilijke verhouding". Haar werk kun je zo niet typeren, vindt ze zelf. Haast iedereen schrijft reisverhalen of -blogs: vaak verslagen van vluchtige ontmoetingen. Joris heeft een heel traag tempo: voor 'Op de vleugels van de draak' verbleef ze ruim anderhalf jaar in China, twee maanden in Doebai en vijf maanden in Afrika. Ze reist met een thema, vaak achter haar hoofdpersonen aan. Jarenlang werkte ze in Congo, waar de kogels haar om de oren vlogen. Maar dat maakt haar nog geen oorlogscorrespondent. "Terwijl ik in China zat zeiden mensen: moet jij niet naar Syrië? Maar daar zaten de hoofdpersonen van mijn boek 'De poorten van Damascus' helemaal niet meer. Waarom zou ik me dan in Syrië een been laten afschieten?"

Steeds terug naar 'het zieke Congo'
Congo heeft in Lieve Joris diepe voetstappen gezet. "Ik heb een heel intieme relatie met de Congolezen". Ze leerde het land kennen via een oudoom, die er missionaris was. Tijdens bezoeken aan België dronk hij whisky en vertelde hij verhalen over Congo. Als schrijver trad Joris in zijn voetstappen: ze schreef onder andere 'Terug naar Congo' (1987) en 'Het uur van de rebellen' (2006). Toen ze werkte aan een ander boek, 'Dans van de luipaard' (2001), en zichzelf volkomen had verloren in dat verscheurde land, rolde er een fax binnen met een leuke mededeling: Joris kreeg de Cultuurprijs van de Vlaamse gemeenschap. "Ik heb gewoon gehuild", zegt ze. "Ik was mezelf vergeten, het was alsof ik aan het bed van een zieke zat, als een mantelzorger van het zieke Congo. En plotseling die fax... Ik was zo ontroerd: iemand dáár was mij niet vergeten."

Joris kreeg meer prijzen, waaronder de Henriëtte Roland Holstprijs voor 'De melancholieke revolutie' (1990), haar boek over Hongarije. Ze is nummer vijf uit een Belgisch gezin van negen kinderen. In 1975 vestigde ze zich in Nederland, waar ze de School voor Journalistiek in Utrecht volgde en haar carrière begon bij de Haagse Post. Haar werk bracht haar van Europa tot Afrika, de Arabische wereld en Azië.Iris Pronk

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden