’Ik heb het nu toch best goed’

Mark Oldenbroek (17) uit Zwolle werd op zijn vierde jaar uit huis geplaatst en groeide op in internaten. Tegenwoordig woont hij op kamers en volgt de mbo-opleiding tuincentrum.

’Als de jeugdzorg niet had ingegrepen, dan was ik de lul. Dan was ik thuis gebleven en dat zou wel eens op een ramp hebben kunnen uitlopen.

Ik ben in Almelo geboren met een hele bende broers en zusjes. Vier boven mij, twee zusjes en een broer onder mij, geloof ik. Eentje is vlak na zijn geboorte overleden.

Herinneringen heb ik niet meer aan thuis, ik heb tot mijn vierde bij mijn ouders gewoond. Er waren verdenkingen van mishandeling, daarom moesten wij weg. Mijn ouders hadden wel geld voor alcohol, maar niet voor ons. Verwaarlozing, en ook wel slaan en zo. Ik heb gehoord dat vooral mijn moeder dat deed, mijn vader werkte veel, in een fabriek aan de lopende band.

Van mijn vierde tot mijn tiende zat ik op het internaat in Hellendoorn. Je leefde met een groep, altijd samen, dat was gezellig. Mijn ouders zijn wel eens langs geweest, maar ze hielden zich nooit aan afspraken. Dat was voor mij niet leuk en toen is besloten dat het beter was als ze niet meer kwamen.

Daarna ging ik in Zwolle naar een ander internaat, dat was ook prima. Op mijn veertiende volgde een gezinshuis, dan heb je twee vaste mensen die voor je zorgen. Maar de laatste maanden was ik daar uitgekeken, toen heeft de gezinsvoogd geregeld dat ik begeleid kon gaan wonen. Dat doe ik sinds een maand.

Vanaf mijn zevende heb ik ook een gastgezin, dat heeft de jeugdzorg geregeld. Daar ga ik om het weekeinde heen, nog steeds. Het zijn toffe mensen. Ik zie ze als mijn ouders. Als ik ze papa en mama zou mogen noemen, zou ik dat doen. Dat kon alleen niet, omdat ze steeds niet wisten hoe lang ik bij hen zou blijven komen. Ik heb de laatste zeven jaar dezelfde gezinsvoogd, zij heeft echt veel voor mij verzorgd en mij in contact gebracht met mijn oma en mijn twee jaar oudere broer Michael. Probleem is – en dat is altijd met mijn familie – dat hij zich niet altijd aan de afspraken houdt.

Mijn oma heeft zelf jeugdzorg benaderd toen ik twaalf was, en naar mij gevraagd. Met de gezinsvoogd heb ik haar sindsdien zo’n twee keer per jaar bezocht tot ze twee, drie jaar terug is overleden.

Mijn moeder heb ik nooit meer gezien, mijn vader was op de begrafenis van mijn oma. Hij zei ’Hoi, leuk dat je er was’ en dat was het. Buiten Michael spreek ik niemand van mijn familie. O ja, sinds die begrafenis heb ik twee keer een kaartje gekregen van een tante Jacqueline, maar ik heb geen idee wie dat is.

Vier dagen in de week werk ik nu bij Intratuin en één dag ga ik naar school. Later wil ik iets agrarisch doen, in loondienst bij een boer bijvoorbeeld. Ik had graag gewone ouders gehad en thuis gewoond, maar dankzij de internaten en het gastgezin heb ik het nu toch best goed.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden