'Ik heb geen invloed meer. Geeft niet'

AMSTERDAM - “Twee jaar heb ik nodig gehad om een beetje tot rust te komen. Ik weet nu: Als ik geen energie heb, hoeft er ook niets meer. Dan blijf ik liggen op mijn sofa. Maar kom ik van de sofa af, dan moet het ook de moeite waard zijn. Het moet anders zijn dan wat ik deed. Het moet van belang zijn, het mag niet full-time zijn, er moeten buitengewoon leuke mensen bij betrokken zijn en ik moet gevraagd worden. Nou, kun je nagaan.”

De dag na de presentatie van zijn dagboek 'Een calculerende terriër', zit oud-directeur van het Groninger Museum Frans Haks languit op zijn 19de eeuwse sofa, thuis in Amsterdam. Hoewel hij sinds zijn gedwongen vertrek eind 1995 officieel nog steeds als adviseur van de gemeente Groningen actief is, komt hij er weinig meer. Het adviseurschap, geeft hij onomwonden toe, stelt ook niet veel voor. Het is een onderdeel van de afvloeiingsregeling die hij trof met de gemeente Groningen, een formaliteit, meer niet. “Ik ben een of twee keer voor iets gevraagd om te adviseren. Verder geef ik zo nu en dan nog wel eens een tip bij een aankoop van een nieuw werk voor het museum. Dat is het.”

Geen behoefte om zitting te nemen in Mondriaanstichtingen of kunstraden?

Haks, met een afwerend gebaar: “Zonde van mijn tijd. Ik weet dat ik me daarmee totaal buiten spel zet. Ik heb geen invloed meer. Geeft niet. Als ik maar niet hoef te denken: O, ik ben nog zo nuttig bezig.”

U ziet evenmin een taak weggelegd in het ontdekken van nieuwe kunstenaars?

“Nee, daar heb ik eigenlijk ook mijn buik van vol. Het kunstwereldje ken ik. Wat er te doen viel, heb ik gedaan en daarmee is de kous af. Dus loop ik nu alleen mijn neus achterna die zegt: Alles wat me leuk lijkt, doe ik.”

Naar voren hellend: “Ik zit graag achter mijn bureau. Ik observeer iets, denk erover na en probeer dat vervolgens op schrift weer te geven. Daar heb ik aardigheid in. Verder wil ik nog niet denken. Komt er wat, dan komt het en laat ik wel weer van me horen.”

Zeventien jaar lang was Frans Haks (1938) de spraakmakende directeur van het Groninger Museum. Haks' eigenzinnige opvatting over kunst en de manier waarop een museum die moest presenteren (Haks introduceerde de 'kitsch' van Jeff Koons en verwierp het l'art pour l'art-idee voor de gedachte dat kunst niet boven het alledaagse verheven was en dus ook met platte business en reclame gecombineerd mocht worden), leidde al snel tot botsingen met zijn eigen conservatoren en de Groninger ambtenarij. De stadscollectie en de afdeling archeologie hadden volgens zijn medewerkers zwaar te lijden onder zijn trendy beleid en dat was niet alles. Haks was bovendien een egotripper, die niet kon luisteren en heerste als een verlicht despoot.

Haks nu: “Je kunt niet altijd met iedereen overleggen. Daarbij was het werk van bijvoorbeeld de historische afdeling gewoon onder de maat. Ze hadden er geen idee van hoe je een goede historische tentoonstelling moest maken. Geen gevoel voor presentatie. Onderwerpen waarvan je dacht: Maak er een mooi boek van, maar geen tentoonstelling, want er valt niets te zien. Dat zij mij dus lastig vonden, begrijp ik wel.”

Daar bleef het niet bij. Een volgende stap was het prestigieuze plan voor een nieuw museum. Het kon er vooral komen dankzij de steun van de Gasunie, die al in een vroeg stadium 25 miljoen gulden toezegde. Uiteindelijk kreeg Haks bijna in alles zijn zin. Tegen alle stromen in, kreeg zijn favoriete architectengroep onder leiding van Alessandro Mendini de opdracht en kon het nieuwe, als toetje in het water ontworpen, gebouw in 1994 geopend worden.

Toch kwam de directeur niet ongeschonden uit de strijd. Of het een streek is geweest van de Groningse politiek weet Haks nog steeds niet, maar opmerkelijk is wel dat hij net in de tijd dat zijn relatie met het museumbestuur een dieptepunt had bereikt, aangeklaagd werd voor heling en valsheid in geschrifte omdat zijn vriend en partner Johan Ambaum ten onrechte een sociale uitkering genoot. Hoewel Haks niet zo veel zin heeft er opnieuw over uit te weiden ('lees het boek maar'), benadrukt hij dat hij altijd open kaart gespeeld heeft tegenover de gemeente. Verder zwijgt hij, omdat hij 'nog steeds niet weet wat hij ervan moet denken'. Wel wist Haks dat hij koste wat kost tot het einde toe bij de nieuwbouw betrokken wilde blijven, hetgeen hem ook lukte. Haks: “Ik bleef tot het einde inhoudelijk verantwoordelijk en bemoeide me dus ook met de vorm van de taartjes in het restaurant, maar wist ook dat ik daarna nog maar een jaar zou blijven. Ja, en nu? Nu mag ik slechts hopen dat er in de loop van de tijd iets van mijn werk overblijft. Maar daar heb ik geen invloed meer op.”

Dan, wijzend op het manuscript van zijn dagboek: “Nou ja, nu is er dan dit boek. Dat zou je kunnen lezen als een groot advies over de manier waarop er met het museum omgegaan zou kunnen worden.”

U mag niet over uw graf heen regeren, maar had u die tentoonstelling van Andres Serrano begin dit jaar willen organiseren?

“Nee. Serrano had ik niet toegelaten. Serrano is duidelijk een 'post-mijn-tijdperk-idee'. Ik had veel gezien in een expositie over geënsceneerde fotografie, werk in de geest van Inez van Lamsweerde en Rineke Dijkstra. Serrano is gewoon een documentaire-fotograaf. Bij hem zie je alles. Neem die foto met die 'plas-seks'. Je ziet zelfs het schaamhaar van dat meisje. Ik hou daar niet van. Het mag wel wat raadselachtiger. Ik had het aardiger gevonden als je je als kijker afgevraagd zou hebben: 'Spuugt hij nou omhoog of plast zij naar beneden? Maar zoals ik al zei, Serrano past niet meer in mijn periode.”

Die beperkt zich tot de jaren tachtig?

“Ja, het begint eind jaren zeventig. Ik was uitgekeken op de minimal art en de conceptuele kunst. Had behoefte aan iets nieuws. En toen kwam Fuchs aanzetten met werken van Baselitz en Kiefer. Eigenlijk vond ik daar helemaal niets aan, maar er was niets anders. Tot ik in Stuttgart overzichtstentoonstelling zag met geweldig werk van Italianen als Cucchi en Clemente. Na enig speurwerk bleek al snel dat er ook elders mensen waren, die zich met vergelijkbare kunst bezighielden. Het spannende was dat het zo reactionair was. Ik dacht: 'Er komt iets nieuws'. Maar er kwam helemaal niets. Men schilderde gewoon schilderijen. Moet je nou toch kijken! Maar later kreeg ik door dat er wel degelijk iets aan de hand was en dacht: Als jij iets nieuws wil brengen, dan is dit nieuws.”

“Achteraf ging het om de kunst die we later post-modern zijn gaan noemen. Het ging om een herhaling van stijlen, alle stijlen waren erin vervat, de Griekse, de romaanse, alles. Men verwees terug naar het verleden om daar weer nieuwe dingen mee te doen.”

Toch blijft dat vreemd. Dat u als criterium voor vernieuwing kiest en niet voor 'smaak'.

Haks: “Eigen smaak bestaat niet. Op zeker moment is er sprake van een bepaalde bezetenheid, die ebt weg en dan ontstaat er weer een nieuwe bezetenheid . . . die probeer je te vangen.”

Dus u gedraagt zich meer als historicus. U kijkt wat er op een bepaald moment is...

“Ja, ik maak kunstgeschiedenis. Ik bestudeer haar niet, maar maak haar.”

Maakt het voor u uit wat er overblijft?

“Nee. Iedereen heeft natuurlijk het idee dat hij bezig is voor de eeuwigheid. Wat je kunt doen is kijken welke kunstenaar en welk werk als beste beschouwd wordt in een bepaalde periode. Maar die methode hang ik niet aan. Ik koop juist zo breed mogelijk in. Als Jantje, Pietje en Klaasje een nieuwe stroming vertegenwoordigen, dan neem ik van alle drie wat. Daar zal het beste dan ook onder zitten. Het aardige van die methode is dat het mindere later ook te zien is. Sandberg van het Stedelijk Museum wilde van het kubisme bijvoorbeeld alleen het beste en typerende hebben. Dus kocht hij anderhalf stuk en dat was het. In Bazel daarentegen hangen drie zalen vol. Niet alleen met Picasso en Braque maar met allerlei kubisten, zodat je tot op de dag van vandaag kunt zien hoe dat kubisme leefde. Dat is veel interessanter om te zien. Nou, zoiets heb ik in Groningen ook geprobeerd. Als je de jaren tachtig wilt zien en bestuderen, dan kun je niet om Groningen heen. Die collectie is amper nog door andere musea te benaderen. Nu al niet meer. Al is het maar vanwege de mentaliteit van het museum zelf. Mendini zelf past perfect in de collectie. Het gebouw getuigt van die mentaliteit. Het verwijst naar honderdduizend dingen. Dat is ook het mooie van die samenwerking die hij had met meerdere architecten. Het is een groepstentoonstelling geworden. In alle opzichten.”

Een van de weinige teleurstellingen bij de bouw was het afhaken van de Amerikaanse kunstenaar Frank Stella. Haks: “Stella had een pracht-ontwerp gemaakt. Hij wilde een soort tentdoek over een van de paviljoenen spannen. Van de zijkant zag het er uit als de boeg van een schip, maar het had ook de organische vormen van een paar bladeren. De constructie was echter te kwetsbaar en bovendien speelde ook zijn reputatie een rol. Hij wilde totale zeggenschap over de uitvoer van zijn ontwerp en dat konden wij hem niet garanderen. Ik heb hem daarna nog gevraagd of hij iets wilde maken voor onder de brug van het museum. Maar hij wilde niet meer. Ik kreeg een bits briefje met daarin de volgende tekst: I'm not interested in the bottom of a bridge. Schaterend: “Nou, toen was het helemaal afgelopen.”

Ongevraagd: “Ik had graag nog een tentoonstelling willen maken. Over het verband tussen de jaren tachtig en de vorige eeuw. Ik zie een grote overeenkomst in mentaliteit. Moet je hier eens kijken. Hier zie je een negentiende eeuws ameublement en daar een beeldje van een mannetje. Allemaal kitsch, veel goud en gedoe en franje. Allemaal 1850. Dat heeft Johan gekocht op een veiling.”

“Die neo-stijlen van de negentiende eeuw had ik graag bij elkaar gebracht en in verband gebracht met de kunst van de jaren tachtig. A, om te laten zien dat dat begrip 'kitsch' kolder is en B, omdat je ziet dat die moderne, lege jaren tachtig interessanter zijn geweest dan iedereen wel dacht. Nu hoor je vaak zeggen: dat is alweer voorbij. Dat was maar een gril. Gril? Niks gril. Het was een levendige periode in de moderne kunstgeschiedenis . . .”

. . . waarvan Haks de geschiedschrijver is . . .

“Ja, zo kun je het noemen. Want, zoals ik net al zei, ik maak kunstgeschiedenis. Ik wil behoren bij het bronnenmateriaal. Niet bij de afgeleide literatuur.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden