Ik gniffel niet langer

Wat beweegt miljoenen Nederlanders - de nieuwe spirituelen? Jan Oegema vindt frappante parallellen met de Experimentelen uit de jaren vijftig.

Op het gebied van religie en spiritualiteit signaleren kenners al decennialang verbrokkeling en vervaging en een groeiende behoefte aan individualiteit. Is dat terecht? Ik geloof juist dat we veel meer met elkaar delen dan we ons bewust zijn.

Aan de oppervlakte zijn we vrijzinnig christelijk of zenboeddhist, atheïst of agnost, natuur- of literatuurgelovige, maar daaronder gaan waarden en verlangens schuil die ons op verbinden. Als we verschillen, dan in de tradities en talen die we kiezen om die waarden en verlangens uit te drukken. Intussen ontgaat ons hoezeer we dezelfde kant op bewegen, hoe zeer we deel zijn van een en dezelfde, maar veelkoppige experimentele beweging.

Dat zeg ik zo, omdat we mét al onze verschillen wel eens de voortzetting zouden kunnen zijn zijn van de experimentele dichtkunst en schilderkunst van de jaren vijftig, een poëzie en kunst waarin oude en vertrouwde vormen werden losgelaten en waarin voor het eerst werd geprobeerd om betekenis te geven aan de nog altijd ontroerende woorden van Paul van Ostaijen, neergeschreven in een grote crisis: ik wil bloot zijn en beginnen.

Bloot zijn en beginnen, je ideologische zekerheden durven loslaten, je behoefte aan rationele controle durven onderzoeken, proberen minder mentaal te zijn en meer te luisteren naar je lichaam, proberen oog te krijgen voor de zachtmakende en vrijmakende kracht van twijfel en onzekerheid: volgens mij zijn dit kenmerken van de experimentele levensbeschouwing van nu, verwant aan de experimentele kunsten van toen.

Laat me van de nieuwe zin voor experiment een voorbeeld geven. Op de website van het Emmaüsklooster in Velp (Noord-Brabant) is de aankondiging te vinden voor een midweek mystiek zingen, bedoeld om de blik naar binnen te richten, met lichaamswerk, houdingscorrectie, adembewustwording en spelen met de stem. Technieken die leiden naar zoiets ongrijpbaars als een 'heelhuids weten', zoals de experimentele kunstenaars het graag noemden.

Het voorbeeld uit Velp zal bij menigeen stil gegniffel losmaken. Ik begrijp dat, ik heb tot voor een paar jaar terug veel gegniffeld. Met veel praktische spiritualiteit is het net als met seks: van dichtbij is het heel speciaal, van een afstandje bezien wordt het al snel koddig.

Ik vind het niet meer zo interessant om afstand te nemen. Hoe eng ik het soms vind, ik waag me eraan en ben nu inderdaad exemplarisch voor de experimentele religie en spiritualiteit van nu.

Sommige vrienden durven er niet naar te vragen, want ze vermoeden erge dingen en ze vermoeden die terecht. Ik zit op een meditatie- bankje, doe aan yoga, zing soetra's, zing psalmen en nét zichtbaar onder mijn overhemd draag ik een yogamala die ik onlangs van mijn vriendin cadeau kreeg. Het lijkt wel alsof ik de schaamte voorbij ben. Maar dat lijkt alleen maar zo, schaamtes zijn uitgestrekte vlakten.

Intussen ben ik nog steeds de scepticus die ik altijd al was. Ik ben een bewonderaar van Montaigne die op de plafondbalken van zijn bibliotheek vierenvijftig citaten in het Latijn liet schilderen en daaraan een eigen vraag toevoegde: Que sais je? Wat weet ik? Dat was zijn lijfspreuk, zijn ode aan de waarde van twijfel en onzekerheid, zijn credo van niet-weten.

Ik op mijn beurt zou daar graag een spreuk naast schilderen, de 56ste dus; Qu'est-ce que c'est 'je'? Wat is 'ik'? Ik geloof namelijk dat een van de belangrijkste spirituele opdrachten is te erkennen en te aanvaarden hoezeer elk mens voor zichzelf een raadsel is. Vraag mij niet waarom ik doe wat ik doe, waarom ik een stuk schrijf met de uitdrukkelijke uitnodiging de religie en spiritualiteit van nu anders te bekijken en daarin de onderliggende parallellen te herkennen.

Natuurlijk, ik heb mijn motieven en redenen.

Maar ten diepste weet ik niet waarom ik dit stuk schrijf, ik ken mijn eigen broncode niet.

"De ziel is niet gemaakt om te begrijpen", zegt Thomas Moore, de ex-monnik die psychotherapeut werd en succes vond met zelfhulpboeken geïnspireerd op het beeld van de donkere nacht, ontleend aan de Spaanse karmeliet Johannes van het Kruis. Wanneer zo'n zin opduikt in een zelfhulpboek, dan is duidelijk dat het idee van niet-weten niet langer een tic is van meditatieve kasteelheren als Montaigne maar dat het in brede lagen wordt herkend.

Het is dit idee dat we ongemerkt met elkaar gemeen hebben en waar we, elk in onze traditie en met de taal die ons het dierbaarst is, uitdrukking aan geven.

Misschien vreemd om te horen, laat me daarom ter adstructie een aantal auteurs citeren met zeer verschillende achtergronden.

Eerst een boeddhist, Nico Tydeman, zenleraar in Amsterdam. In zijn boek 'Dansen in het duister' schrijft hij: "Ik ben een religieus mens, niet omdat ik behoor tot een bepaalde religieuze traditie, maar omdat ik weet dat ik niet weet." Een opmerkelijke uitspraak voor iemand die al decennia een eigen centrum leidt en in woord en daad het zenboeddhisme uitdraagt. Het zenleraarschap is voor hem kennelijk niet het beslissende feit van zijn identiteit. Het eigenlijk religieuze of spirituele schuilt voor hem ergens anders.

Dan een romanschrijver, de Vlaming Erwin Mortier, die in een essay noteert: "Voor mij is de essentie van het moderne schrijven dat het zich presenteert als een weten dat niet goed weet wat het zal weten, of anders gezegd: een schrijven dat elk vooropgesteld weten afwijst."

Hij is schrijver genoeg om te weten dat hij speelt met het niet-weten, dat dit spelen een keuze is - de keuze om een van de grondstemmingen van het menselijk bestaan de voorkeur te verlenen boven andere.

Dan een katholieke intellectueel, Cornelis Verhoeven, classicus, filosoof en oud-Trouw-columnist, die in het begin van de jaren zestig aandacht trok met zijn essay 'Rondom de leegte'. "De reflecterende gelovige is een atheïst die niet in zijn atheïsme berust en van de leegte geen nieuwe afgod wil maken. Hij houdt de leegte in het gevoeligste deel van zijn bestaan open." Ook hij zoekt het allerbelangrijkste buiten de cirkel van het weten. En typeert dat als 'gevoeligheid'.

Misschien is niet-weten wel dé verborgen mantra van deze tijd, zoals ook de Vlaamse schrijfster Anne Provoost gelooft. Ze is een verklaard atheïste, zij het van een bijzonder soort. Ze heeft grote moeite met de stelligheid waarmee atheïsten gewoonlijk het religieuze deel van de mensheid en in het bijzonder het christelijke de maat nemen. Die stelligheid vindt ze niet alleen benauwend, ze wil als atheïste juist opnieuw aansluiting vinden bij de zachte waarden van het christendom, schreef ze in een pamflet. "Ik geef toe, ik moet al mijn cynische en zelfrelativerende reflexen uitschakelen om het weer over opoffering, barmhartigheid en bezinning te hebben, maar het moet dan maar. Ik wil voor die woorden weer hoofdletters gebruiken." Ook 'soberheid', 'inkeer' en 'zending' herstelt ze in ere. "Zelfs het woord schepping wil ik reclameren. De wereld zoals hij voor ons ligt een gave noemen, het in stand houden ervan een opgave. Ik wil onze planeet weer als heilig bestempelen."

Ik vind dit indrukwekkende woorden. En bijna historische, want ik zou zo snel geen passage weten waarin het vertrouwde religieuze hokjesdenken zo achterhaald blijkt als hier. Woorden ook die laten zien hoezeer we nu leven in een tijdperk van gisting en herontdekking, van des- en reoriëntatie. Kortom: van transformatie. Essentieel daaraan is dat we elk op onze eigen manier de kwaliteit ontdekken van niet-weten en openheid, van gevoeligheid en ontvankelijkheid. Om me heen zie ik die ontdekkingen: in kunstenaarsateliers, kerken, boeddhistische sangha's, yoga-instituten, biodanzalokalen, poëzieworkshops, organisatieadvieswerk, leeskringen, bijschoolcursussen psychosynthese.

Niet-weten en openheid: twee sleutelwoorden in de experimentele religie en spiritualiteit van nu. Maar wat betekenen ze precies? En wat delen de experimentelen van nu, wat is hun levensbeschouwelijke profiel?

Wat ze om te beginnen gemeen hebben is dat ze, in vergelijking met de generaties vóór hen, onzekerheid anders waarderen. Onzekerheid berooft je van controle en macht, maar verhoogt je mededogen, je zin voor schoonheid en complexiteit. Verschillende filosofen en kunstenaars hebben de afgelopen eeuw de lof der onzekerheid gezongen, overtuigd door de bescha- vende werking die ervan uitgaat. Onzekerheid heeft eigen kwaliteiten, zoals blijkt uit werkwoorden die in de 20ste eeuw opvallend populair geworden zijn: zoeken, tasten, aftasten, verkennen, evoceren, suggereren, aanraken. Opgekomen binnen kunst en filosofie, zijn ze innig omarmd binnen religie en spiritualiteit.

Niet alleen is de stelligheid over metafysica en wereldbeeld vervaagd, ook hun 'ik' ervaren de experimentelen van nu anders - het is een raar woordje dat hun zowel doet wanhopen als schateren. En let wel: ze wanhopen en schateren niet om hun idealen, want die koesteren ze net als iedereen. Ze geloven alleen niet in hun ik. Het argeloos ikkende ik benauwt hen, zij kunnen geen (geloofs)zin uitspreken die begint met de eerste persoon enkelvoud of het gevoel bekruipt hun neergelaten te worden in een labyrint zonder middelpunt of uitgang.

Deze ongewone zelfbeleving blijft niet zonder gevolgen, ze leidt als vanzelf tot een houding van mindfulness of, neutraler, van medita- tieve aandacht. De experimentelen proberen zich bewust te zijn van de grillen van hun bewustzijn en te onderkennen wat het denken doet met hen als denkenden - ook en zeker niet in de laatste plaats het religieuze en spirituele denken. Zij hebben heus niet minder dogma's dan anderen, laat niemand zich daarover een illusie maken. Levensbeschouwing is ook bij hen het terrein van de sterke waarderingen. Maar juist vanwege de hitte en de intensiteit die het denken hier bereikt, is wat hen betreft extra waakzaamheid geboden. Vandaar het belang dat zij hechten aan contemplatie, aan de verzachtende inwerking van de stilte die zij vinden op een meditatiebankje, achter de schrijftafel of fietsend door de Ooijpolder.

Dat fietsen leidt naar een volgend kenmerk. Zoals de Vijftigers een lichamelijke poëzie predikten, zo zijn voor de experimentele levensbeschouwers van nu religie en spiritualiteit niet meer denkbaar zonder aandacht voor het lichaam. Hun bewustzijn van het bewustzijn is zo groot geworden dat ze een louter mentale benadering van religie en spiritualiteit incompleet achten.

Veel van de godsdienst waarmee ze zijn opgevoed was vergeestelijkt, of het nu ging om de neocalvinistische theologie gepredikt vanaf de dorpskansel of om de mystiek-esoterische wereldleer van mevrouw Blavatsky, die sinds het begin van de vorige eeuw grote invloed had op het vrijzinnige geloofscircuit. De zondagse wandeling van de traditionele kerkgangers en de doordeweekse euritmie-avond van de antroposofen zijn nu uitgebreid met een scala aan alternatieven: chanten (langdurig zingen van één woord of tekstregel), langeafstandswandelen, pelgrimstochten, dagelijkse yoga- of tai chi-oefeningen, yogadance, sacraal dansen, biodanza, langdurige zitmeditatie (ingeburgerd in een aantal Nederlandse kloosters), mindfulnessmeditatie met haar gebruikelijke bodyscan... Allemaal mogelijkheden om vertrouwd te raken met het heelhuidse weten (of niet-weten) van de vroegere experimentelen.

Dit is slechts een signalement. Ik verdedig niets, want er valt niets te verdedigen. Niet-weten duidt op een grondstemming waarmee je behept bent of niet, daar helpt geen lievemoederen aan. Ze manifesteert zich bij de een krachtiger dan bij de ander. Alleen blijkt het altijd weer lastig uit te leggen hoe dat werkt. Niet-weten richt zich niet tegen het weten, het maakt dat je je anders verhoudt tot het weten.

Niet-weten is niet strijdig met moraliteit, want als gezegd: niet-weters zijn even gevoelig voor de lokroep van de grote hartswoorden als om het even wie. Een aangrijpender pleidooi voor Barmhartigheid, Opoffering en Gerechtigheid dan het geciteerde pamflet van Anne Provoost is in jaren niet verschenen. Geen eigen- tijdse literatuur die je zo diepgeraakt laat instemmen met visioenen van solidariteit en medemenselijkheid als die van Lucebert en Bert Schierbeek, twee prominente Vijftigers.

Niet-weten sluit dus allerminst uit dat je grote waarde toekent aan kennis en wetenschap, aan goed onderwijs of een helder ontwikkelde moraliteit. Niet-weten is bovendien al vele eeuwen een vertrouwd thema in de oosterse en westerse mystiek en gaat heel goed samen met waardering voor deze of gene levensbeschouwelijke traditie. Er zijn joodse, christelijke, boeddhistische, islamitische, humanistische, intussen ook nieuwetijdse en atheïstische niet-weters; hun aantal en variëteit groeit ongemerkt.

Wel wil altijd iets in hen weg van de beweerde autoriteit van het weten of van het veronderstelde gezag van een traditie. Zij voelen zich slecht thuis bij de gebruikelijke retoriek rondom weten en traditie, bij alles wat een zeker fundament heet te bezitten. Zij voelen zich eerder thuis bij het voorlopige, fragmentarische, aforistische, dubbelzinnige, oningevulde, onderzoekende, onzekere, meerduidige.

Zo zijn ze gemaakt, deze nieuwe kinderen van Montaigne, met die voorliefde voor de soms ernstige, soms speelse scepsis die de experimentele dichters met aanstekelijk elan exploreerden in hun zogeheten 'proefondervindelijke' poëzie.

Scepsis? Proefondervindelijkheid? 'er gaat niets nergens recht af/ op de helder kloppende ruimte', dichtte Lucebert.

Jan Oegema is publicist en uitgever. In 2005 muntte hij de term 'soloreligieuzen'. Onlangs verscheen van hem 'De stille stem. Niet-weten als levenshouding'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden