Ik geloof zelfs dat ik gelukkig ben

Een mens verhoudt zich een leven lang tot veel of weinig anderen: tot familie, collega's, geestverwanten, vrienden, geliefden, en soms tot God. Maar ook tot plaatsen, muziek, een landschap, een ideologie. 'Waar hoor ik bij' is de vraag waarop het levensverhaal een antwoord geeft. Deel 7 (slot)

Marcella Baete (1939). Vlaams schrijfster. Debuteerde op haar tweeënvijftigste met de autobiografische roman 'Ze zeggen dat ik gek ben'. Er volgden tien romans in acht jaar.

,,Kijk maar niet naar de dozen, binnenkort gaan we weer verhuizen. Voor de zestigste keer. Wel veel, ja. Beschouw het maar als een soort vlucht. Sinds we in de oorlog te voet gevlucht zijn naar Frankrijk met een handkar met alle onze spullen erop en ik daar weer bovenop, - en terug omdat mijn moeder heimwee kreeg - droom ik altijd over vluchten. Het was, is, het thema van mijn bestaan.'

,,Kerstmis 1987. Ik woonde in een kamer boven een café. Die avond ging ik wandelen en overdacht mijn leven. Veel mooie dingen kon ik er niet aan ontdekken, wel een hoop mislukkingen. Ik had geen idee hoe ik verder moest. Ik heb toen alle pillen ingenomen die ik in huis had. Ze weggespoeld met water, niet met alcohol omdat men dan gezegd zou hebben: 'Ze is toch nog aan de drank gestorven' en dat wilde ik niet. Ik raakte buiten bewustzijn. Later op de avond kwam mijn dochter Lea onverwacht langs. Ze heeft me naar het ziekenhuis gebracht. Ik heb zes dagen in coma gelegen. Gelukkig heeft dat mijn geestelijke vermogens niet aangetast. Wel heb ik er ik er een bijna-dood-ervaring aan te danken die grote invloed op mijn leven heeft gehad. Ik ben het licht niet gepasseerd, maar heb ingezien dat ik niet bang hoef te zijn voor de dood. Ik was altijd een fanatiek atheïste en ben in het land der levenden teruggekeerd als een agnosticus. Niet als een gelovige. Althans niet in de gangbare betekenis van het woord. Maar wel ben ik er sindsdien van overtuigd dat er een hogere macht is. En zoiets als een lotsbestemming. Ik mocht het niet opgeven, mijn tijd was nog niet gekomen.'

,,Toen ik uit het ziekenhuis kwam bleek dat de cafébaas de huur had opgezegd. Hij was waarschijnlijk bang dat ik nog een keer een poging zou wagen. Ik ben bij mijn vader gaan wonen. Via hem heb ik Désiré, mijn huidige man, leren kennen. Het was liefde op het eerste gezicht maar of hij de goede voor mij was wist ik toen nog niet. Nu wel, hij is zonder twijfel de goede. Ik ben bij Désiré ingetrokken en het was alsof er een last van me afviel. Niet veel later ben ik begonnen aan mijn eerste boek.'

,,Dat boek heb ik geschreven op een schrijfmachine die ik vond bij het groot vuil. Op een nacht liep ik naar huis en zag tussen allerlei afgedankte spullen een oude schrijfmachine staan met van die ronde toetsen. Ik had geen geld voor een nieuwe dus nam ik hem mee. Hij bleek het nog prima te doen alleen ontbraken er twee letters: de n en de d. Dat wist ik dan, die zou ik er wel met de hand bijschrijven. Ik heb het getypte manuscript met de met pen ingevulde letters opgestuurd naar de uitgever. De combinatie van de titel 'Ze zeggen dat ik gek ben' met dat rare woordbeeld intrigeerde hem, hij is erin gaan lezen en een week later kreeg ik bericht dat hij het wilde uitgeven. Sindsdien zijn de verhalen blijven stromen. Ik ben nu bezig aan mijn twaalfde roman. 'Het leven kan wreed schoon zijn' is het boek dat me het meeste pijn doet en dat ik ook niet meer herlees. Ik heb daarin het verhaal verwerkt van mijn tweede dochter. Op een dag vertrok ze van huis waarna we drie jaar taal noch teken van haar vernamen. Na al die tijd belde ze op. Ze zat in Frankrijk, wilde naar huis maar had geen geld. Mijn zoon is haar gaan halen. Ze bleek getrouwd met een drugsgebruiker, die haar fysiek en geestelijk mishandelde. Nu, jaren later, is alles nog steeds niet in de plooi. Door de grote psychische druk waar ze onder had gestaan kon ze de zorg voor haar kinderen niet aan. Die zijn tijdelijk uit huis geplaatst. Ze zocht haar heil soms in de fles, - dat zit blijkbaar in de genen -, kon nergens aarden, was een poos dakloos. Maar inmiddels gloort er hoop. Ze heeft werk en een huisje en in mei krijgt ze haar kinderen terug.'

,,Mijn oudste zoon vergeeft me niet dat ik gedronken heb. De andere vijf wel, die begrijpen dat ik dronk uit psychische nood, maar hij is erg kwaad op me. Dat is hij overigens pas later geworden. Wat precies de omslag in zijn gedrag heeft veroorzaakt weet ik niet. Het is wel zo dat mijn ex-man tegen de kinderen heeft gezegd dat ze bij hem niet welkom zijn wanneer ze contact met mij hebben. Mijn zoon heeft gekozen voor zijn vader, de andere kinderen voor mij. Ik zie hem nu niet meer. Gelukkig gaat het goed met mijn andere zoon en dochter en mijn beide adoptiefdochters. Mijn gehandicapte adoptiefkind is misschien wel het kind dat het dichtst bij me staat. Ik vermoed omdat ze zo hulpeloos is. Ze is gevonden in een vuilnisbak en buiten mij heeft ze geen mensen die zich om haar bekommeren. Het is mijn kind omdat het het kind is van niemand anders. Ze kwam - twee maanden oud - als een gezonde baby bij ons. Toen ze zeven maanden was moest ze ingeënt worden. De kinderarts maakte zich er snel vanaf omdat hij zijn vakantievliegtuig naar Korfoe niet wilde missen. Hij gaf de injectie zonder haar te controleren en daardoor zag hij een beginnende keelontsteking over het hoofd. Die nacht kreeg ze zo'n hoge koorts dat we haar in een deken hebben gerold en naar het ziekenhuis hebben gebracht. Daar kreeg ze vijf uur lang onafgebroken stuiptrekkingen. Daarna was haar hersenschors beschadigd. Ze kan niet spreken, zich niet concentreren, zich niet beheersen. Op haar vijfde is ze uit huis geplaatst omdat ik het niet meer aankon, maar gelukkig komt ze regelmatig hier.'

,,Ik ben altijd te naïef geweest. Een standaarduitdrukking van mijn grootvader was: 'Pas op voor mensen, ze zijn niet allemaal je vrienden omdat ze naar je lachen'. Ik zie niet altijd wanneer iemand me kwaad wil doen en als ik het wel zie heb ik niet de moed om er boos over te worden. Neem nu mijn vader. Ik hou van hem, dat is eigenaardig, ik weet het. Tegelijkertijd heb ik een afkeer van hem. Ik kan hem geen kus geven of aanraken. Liefde en afkeer gaan hand in hand. Ik heb nooit met hem gesproken over die incest. Zoals de hoofdpersoon in Jeannetje van Diependaele zegt: 'Die dingen zijn gebeurd en ze zijn gebeurd'. Ik was vijftien. Heb er met niemand over gepraat. Ook met mijn moeder niet. Ze heeft het nooit geweten. En op een bepaald moment heb ik het verdrongen. Ook omwille van haar. Na haar dood heb ik mijn vader zeven jaar niet willen zien. Hij heeft nooit begrepen waarom en ik heb het hem nooit durven zeggen. Bang voor de confrontatie. Toen hij na zeven jaar in financiële nood kwam te zitten vroeg hij mijn hulp. Ik heb er goed over nagedacht maar ik ben gegaan. Heb hem geholpen. Ik had mijn moeder beloofd dat ik goed voor mijn vader zou zorgen en wilde me niet aan die belofte onttrekken. En nu, ach, het wordt makkelijker. Hij is zo oud, begint te dementeren.'

,,Ik was erg verliefd op mijn eerste man. Hij was mijn jeugdliefde. Voor mij bestond er maar één, dat was hij. We waren ook gelukkig tijdens ons huwelijk, anders hadden we na ons vierde kind er niet nog twee geadopteerd. Hij is na zeventien jaar bij me weggegaan omdat hij een ander had, maar ik vermoed ook dat onze gehandicapte dochter hem te zwaar viel. In die periode is het drinken begonnen. Ik sliep slecht, lag nachtenlang te piekeren. De dokter wilde me geen pillen geven en raadde me aan om voor het slapen gaan een whisky te drinken. Dat deed me goed en die ene whisky werden er al snel twee, drie, vier, vijf. Veertien maanden later was ik een alcoholist. Overdag zorgde ik voor het gezin en gaf ik les op een middelbare school. 's Nachts dronk ik. Ik sliep kort en nam 's morgens een glas water met een scheut ammoniak om te ontnuchteren. Mensen in mijn omgeving merkten niets aan me maar ik voelde zelf wel dat ik veranderde. Ik ging er minder goed uitzien, verloor het overzicht over mijn leven, het lesgeven ging slecht. Ik raakte uitgeput, vroeg het ministerie om een andere functie, des noods toiletjuffrouw, als ik maar geen les meer hoefde te geven. Mijn kinderen merkten uiteraard wel dat ik dronk. Ze maakten zich zorgen en hebben aan de bel getrokken. Op een nacht ben ik opgehaald en naar een psychiatrische inrichting gebracht. Daar moest ik voor een drietal heren over een denkbeeldige lijn lopen waarna het vonnis werd geveld: ik was voor vierenzeventig procent gek. Die verklaring betekende het definitieve einde van mijn leraarschap. Na drie maanden ben ik vertrokken uit die inrichting. En doorgegaan met drinken. Ik dronk alles waar maar alcohol in zat. Als ik bier dronk, dronk ik een krat bier per dag, en als ik whisky dronk, dronk ik een hele fles met nog wat bier erbij. De momenten waarop ik gedronken had waren de enige momenten waarop ik kon lachen. De drank gaf me een prettig gevoel.'

,,Mijn tweede man diende zich aan. Een mooie man, maar ik ben niet echt uit liefde met hem getrouwd. Ik dacht: die verdient goed zijn brood - hij was slager -, hij zal mijn kinderen wel helpen te studeren. Ook voor hem was het een verstandshuwelijk. Hij had me nodig als werkpaard. Hij had vier kinderen en twee beenhouwerijen, dus dat was werken geblazen. Van lerares werd ik slagersvrouw en moeder van tien kinderen. Mijn tweede man dronk ook. We werden maatjes in het drinkgelag maar niet lang. De drank beurde me niet meer op, maar maakte me triest. Ik moest ervan huilen. Ik wilde ervanaf. Eerst heb ik aangeklopt bij de AA. In België luidt de derde stap van het reg lement van de AA nog: 'God heeft me ertoe aangezet om te stoppen met drinken'. Ik kon daar niet mee uit de voeten. Waarom had God me er dan niet van afgehouden te beginnen?'

,,Bovendien moest iedereen in die bijeenkomsten zijn ellende op tafel leggen terwijl ik al genoeg had aan mijn eigen miserie. Ik heb de AA vaarwel gezegd en ben naar de dokter gestapt. Hij heeft pillen onder mijn buikwand geïmplanteerd die je doodziek maken wanneer je drinkt. Na acht maanden waren de pillen verteerd en was ik van de drank af. Soms heb ik er nog wel zin in, vooral wanneer ik iets nieuws zie. Neem nu het kasteelbier, dat schijnt heel lekker te zijn. Ik vind het jammer dat ik het niet geproefd heb, maar ik weet dat het eerste glas me de das omdoet.'

,,Het huwelijk met mijn tweede man was achteraf beschouwd een absurd huwelijk. Ik dacht dat hij rijk was maar hij ontkende dat. Benadrukte altijd dat we op de kleintjes moesten letten. De kinderen hadden maar één paar schoenen, hij telde de sinaasappels in de fruitschaal. Toen we negen jaar samen waren herhaalde de geschiedenis zich. Hij kreeg een verhouding met een Marokkaanse die bij ons werkte en is met haar en al het geld - waarvan ik niet wist dat hij het had - naar het buitenland gevlucht. De slagerij ging failliet. Ik moest in mijn eentje zorgen voor de afbetaling van ons huis. Ik heb wel eens gedacht: misschien is dit mijn straf omdat ik niet uit liefde met hem getrouwd ben. Later is hij teruggekomen naar België. Platzak. Hij leeft nu van de bijstand.'

,,September 1983 was ik met de auto op weg naar mijn zoon. Het waaide en regende. Op een bepaald moment passeerden twee Nederlandse vrachtwagens me aan de verkeerde kant, ik raakte de vangrail, verloor de controle over mijn stuur en kwam tegen een paal tot stilstand. Ik brak mijn nek. Heb nog geluk gehad, want ik had verlamd of dood kunnen zijn. Nu had ik alleen kapotte zenuwbanen. De dokter zei: 'Mevrouw u bent door het kleinste gaatje van het kleinste naaldje gekropen'. Ik heb elf maanden in het ziekenhuis gelegen. Daar deelde ik een kamer met een kloosterzuster die haar kap aan de haak wilde gooiden. Je gelooft het niet maar ik heb een non voor haar roeping behouden. Nadat ik haar mijn levensverhaal had verteld besloot ze in het klooster te blijven.'

,,Toen ik uit het ziekenhuis werd ontslagen bleek dat mijn huisbaas al mijn meubels had laten opslaan en het huis had verhuurd. Die nacht heb ik onder de bruggen van Gent geslapen te midden van een aantal zwervers. Ze lieten me met rust maar vroegen zich wel af of ze met een vrouw of een man te maken hadden. Ik heb niet zo'n vrouwelijke uitstraling, mijn haar was kort en ik zei geen woord. Het was een aparte ervaring. De volgende dag heb ik een kamer gehuurd. Mijn twee jongste kinderen waren tijdens mijn ziekenhuisverblijf in een internaat geplaatst, de oudste drie woonden al zelfstandig. Ik ben naar de rechter gestapt om mijn eerste man te verplichten de jongsten in huis te nemen. Je kunt me misschien verwijten dat ik dat zelf niet deed maar ik kon niet meer. Ik was op.'

,,Niet veel later kwam mijn moeder om bij een auto-ongeluk. Een grote klap. Ze was zo'n speciale vrouw. Werkmansmens, maar wel één die mij vanaf mijn zesde meenam naar de opera. Na haar dood ben ik gevlucht. Gaan zwerven. Ik wilde weg. Iedereen en alles achter me laten. Ik ben te voet naar Santiago de Compostella gegaan, vervolgens heb ik door Portugal, Frankrijk en Italië gezworven en toen ben ik via Duitsland teruggegaan naar België. Ik sliep bij boeren, onder de blote hemel, bij iemand thuis en wanneer ik geld had huurde ik een kamer. Door het ongeluk had ik een kleine uitkering van het ministerie van onderwijs en daarnaast verdiende ik bij door af te wassen in hotels. Ik ben een kleine twee jaar weggebleven. Ik heb veel geleerd. Onder andere dat in de samenleving van zwervers dezelfde hiërarchie heerst als in de gewone samenleving, dat vrouwen er gediscrimineerd worden, dat er veel vriendschap is maar ook verraad. Een voorbeeld. Ik heb vrij lange tijd in Parijs gezeten. Daar sliep ik onder de bruggen. Op een gegeven moment werd het zo koud, dat we een slaapplaats moesten vinden. Ik hoorde dat er een plek vrij was in een opvanghuis, vertelde een ander dat ik daar naartoe ging waarop hij mijn plaats inpikte.'

,,Maar er was ook vriendschap. Zo leerde ik in Parijs BenoŒt kennen, een eigenaardige man. Hij was professor geweest aan de Sorbonne, maar woonde nu onder een brug. Hij had wel een huis maar daarin liet hij zijn studenten wonen. Hij had een afkeer van de burgerlijke waarden en de wereld de rug toegekeerd. Ik begreep alleen niet waarom hij zijn huis aan studenten gaf. Misschien dat hij met al zijn weerzin tegen burgerlijkheid wel de waarde van het studeren inzag. Ik weet het niet. Het was een vreemd mens, maar ik heb veel aan hem te danken. Hij heeft me ook gestimuleerd om te gaan schrijven.'

,,Ik doe alles met een grote heftigheid. Leven, drinken, schrijven. Daarom was het zo'n klap dat ik het chronisch vermoeidheidssyndroom ME kreeg. Op het dieptepunt kon ik hoogstens twee uur schrijven per dag, terwijl ik vroeger soms wel veertien uur schreef. Ik heb er jaren mee gesukkeld. Nu gaat het iets beter. Die drang tot schrijven ligt in het schrijven zelf, in het verlangen gelezen te worden, in de hoop dat de lezer zich herkent in de emoties. In de bibliotheken worden mijn boeken het vaakst uitgeleend, maar de critici hebben me niet altijd even aardig behandeld. Ze kunnen me nergens plaatsen. Hebben moeite met de rauwheid van mijn taal. Maar je moet niet vergeten dat ik in een werkmansmilieu ben opgegroeid. Mijn vader was rivierarbeider, dat is het laagste soort Daarna zat hij in het kolenvervoer. Mijn moeder was vlasspinster en is later een snoepwinkeltje begonnen. In ons milieu zeggen we de dingen zoals ze zijn. We draaien niet rond de pot want daar is geen tijd voor. Dat lees je terug in mijn boeken. Ik heb altijd een hekel gehad aan aanstellerij. Daar kwam bij dat het een arm milieu was. Tijdens de oorlogsjaren aten we de ene dag de aardappelen, de andere dag de schillen. Na de oorlog was het ook geen vetpot. Ik ging op sloffen naar school. Had maar één onderbroek en als die gewassen moest worden en hij was niet droog, dan ging ik zonder onderbroek. Uit een deken werd er een jasje voor me genaaid. Ik was veertien jaar toen ik op aandringen van de directrice van de school een bh kreeg. Daar had mijn moeder geen oog voor.'

,,Waar mijn ouders wel oog voor hadden waren de sociale verhoudingen. Beiden waren uitgesproken socialisten. Daar liggen misschien ook de wortels van mijn kortstondige politieke carrière. De CVP vroeg me of ik met mijn linkse gedachtegoed de verbreding in de partij wilde ondersteunen. Ik heb toegezegd maar vervolgens hebben ze een vuil spel met me gespeeld. Ik kwam achthonderd voorkeursstemmen tekort om rechtstreeks in de senaat gekozen te worden. Mijn stemmen hebben ze toen aan iemand anders gegeven en die is in mijn plaats senator geworden. Ze vonden me waarschijnlijk niet goed genoeg, of te links. Je begrijpt dat het daarna voor mij afgelopen was met de CVP. Ik ben er niet rouwig om. Er is nog zoveel meer in het leven. En nu probeer ik er niet meer voor te vluchten maar ervoor te gaan. Ik geloof zelfs dat ik gelukkig ben. Ik ben aan het genezen van mijn ziekte, ik heb een fijne man, met vijf van mijn zes kinderen gaat het goed. De enige schaduw over mijn geluk is de angst het te verliezen, maar het volmaakte geluk is nu eenmaal een illusie. Zoveel heb ik wel geleerd van het leven.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden