Ik geloof niet in de lichamelijke opstanding van Jezus

Met het verschijnen van ’De profeet in de vis’ lijkt emeritus predikant en auteur Nico ter Linden (Amersfoort, 1936) klaar met zijn ’hervertellingen’ van de Bijbel. Ter afronding beantwoordt hij vragen van Trouw-lezers over de Bijbel en het geloof. „Ik werd iedere dag getroffen door het meesterschap van die oude vertellers.”

Twaalf jaar geleden vertrok dominee Nico ter Linden bij de Amsterdamse Westerkerk om zich met ’onverdeelde aandacht’ aan de Bijbel te wijden. Beter gezegd: aan het hervertellen van de Bijbel, met de broodnodige uitleg.

Eerst verscheen de succesvolle, zesdelige serie ’Het verhaal gaat...’, die Ter Linden zelf eens omschreef als een ’kinderbijbel voor volwassenen’. Daarna werkte Ter Linden aan een kinder-kinderbijbel. Drie delen. Nu is het laatste deel verschenen: ’De profeet in de vis’.

De Bijbel is uit, Ter Linden is klaar. Tijd om terug te blikken.

Daarom riepen we lezers van Trouw op Ter Linden de vraag over de Bijbel te stellen die zij altijd al hadden willen stellen. Uit de stortvloed van e-mailtjes, brieven en kaartjes maakten wij een selectie. Vaak terugkerende vragen hebben wij veralgemeniseerd, specifieke vragen staan in het verslag van het gesprek met naam en toenaam genoemd.

Wie twaalf jaar onafgebroken met de Bijbel aan het werk is, moet veranderen. Hoe? Dat wilde mevrouw Uijttewaal uit Amsterdam weten: met welk idee over de Bijbel begon u ooit te schrijven, en zijn die ideeën veranderd? Bent u schrijvend anders over de Bijbel gaan denken?

„Eerst het idee. Je hebt de Bijbel, een eeuwenoud document, in deze vorm niet voor consumptie geschikt. En je hebt boeken van theologen, vaak alleen voor theologen, die proberen dat document te verhelderen. Ik heb getracht die twee tezamen te brengen: vertellen, want die verhalen zijn onovertroffen, en tegelijkertijd uitleggen, want anders begrijp je er niets van. (Zie de levensgrote misverstanden en onzin van boekjes als Het evangelie van Julius Caesar.)

Ik ben in zoverre anders gaan denken, dat ik iedere dag opnieuw getroffen werd door het meesterschap van die oude vertellers. Wat je er verder nog meer over kunt vertellen, het is wereldliteratuur.”

U hebt uw visie op de Bijbel vaak samengevat in: niet echt gebeurd maar wel waar. Daarmee, zo spreekt uit veel brieven, heeft u zich het nodige op de hals gehaald.

„Ja. Velen hechten aan de historiciteit van die verhalen. Zij ontlenen er hun geloofszekerheid aan, en als ik die tak doorzaag, tast ik hun geloofszekerheid aan. Dat doe ik niet graag, maar anderen verliezen hun geloofszekerheid wanneer je die historiciteit overeind wilt houden. Wat geloofsreddend is voor de een, is voor anderen een bedreiging voor hun geloof. Ik kies dan maar voor de eersten, die anderen redden zich wel.”

Vanwaar die gehechtheid aan de historiciteit van die bijbelse verhalen?

„Dan hebben we hier beneden iets van God: ’De Bijbel is het woord van God, en wie aan dat woord komt, komt aan God.’ Maar dat de Bijbel het woord van God is, dat is geen woord van God, dat is een visie, een uitspraak van mensen. Kuitert zegt terecht: ze hangen hun geloof op aan een spijkertje dat ze eerst zelf in de muur hebben geslagen.

Iets vergelijkbaars geldt voor de verhalen over Jezus. Het is allemaal echt gebeurd, want dan hebben we beneden iets van God, een door God gezonden mens. En krachtens die goddelijke herkomst kan hij over het water lopen, broden vermenigvuldigen en doden opwekken. Als dat niet echt gebeurd is, is het in veler ogen fantasie, en dan is het fundament van het geloof zoek.

Maar ik zeg: wij hebben hier beneden geen boek dat uit de hemel is neergedaald, een tastbaar teken van God, en wij hebben hier beneden geen mens die uit de hemel is neergedaald, fotografeerbaar. Dat soort vastigheid is ons niet gegeven. We moeten het alleen van ons geloof hebben. Sola fide, en niets anders, heb ik altijd geleerd.”

Over dat geloof van u vraagt Rinus van der Molen: ’Jaren geleden bezochten we regelmatig de Westerkerk. Ds. Ter Linden heeft een geweldige voordracht. Soms leek het wel theater. Zijn stem, intonatie, mimiek etc. kortom: zijn performance was een 9 waard. Toch bekroop mij wel eens het gevoel van twijfel als ik hem zo bezig zag en hoorde: Je zet een geweldig verhaal neer, dominee, maar wat geloof je er zelf van?’

„Dan wil ik graag zeggen – maar dat is dan een geloofsuitspraak: de Bijbel is voor mij het woord van God. Ik bedoel daarmee: in die Bijbel staat het zoekontwerp van Israël naar God en ik ken geen mooiere verwoording van de zoektocht van de mens naar hun God. Ik geloof al van z’n levensdagen dat God achter hun zoeken zit, dat ze warm zijn, in Israël. Ik zeg het de heidense Ruth na: hun God is mijn God.

En vanuit mijn geloof wil ik ook zeggen – weer een geloofsuitspraak: Jezus is voor mij ’Gods zoon’, sprekend zijn Vader. Hij had het begrepen, hij was warm. Hij heeft het beste uit zijn eigen geloofstraditie ingedronken en hij heeft er als geen ander uit geleefd en hij is er ook mee gestorven.”

Dus u heeft op de kansel nooit iets gezegd waar u niet achter stond?

„Nee. En als ik er zelf niet bij kon, dan zei ik: Het verhaal gaat dat... en dan volgde de verkondiging, want ik preek natuurlijk ook tegen mijzelf.”

Fred Grootenboer vraagt naar de inhoud van het geloof van Jezus. Hij schrijft: ’Ik ben niet zo geïnteresseerd in het geloof in Jezus als wel in het geloof van Jezus. Ik weet dat er van de historische Jezus niet zoveel of beter gezegd heel weinig bekend is.’

„Ik denk dat die vragensteller op veel Jezusprediking is afgeknapt en daar kan ik mij van alles bij voorstellen. Het gaat ook helemaal niet om het geloof in Jezus, Jezus wilde het geloof in Israëls God nieuw leven inblazen, zoals het tot hem kwam in de Thora. En als we het geloof van Jezus in kaart brengen, dan komen we uit bij wat hij zag als de kern van de Thora: ongeloof in de goden van geld en macht en andere verslavingen, zodat er ruimte en tijd en geld vrijkomt voor daden van liefde en barmhartigheid en gerechtigheid. Dat is een vrij hinderlijke boodschap, de verkondiging helpt ons om bij de les te blijven.”

Laat ik een aantal concrete vragen op u loslaten: Wat is dat voor een God, die van Abraham vraagt dat hij zijn zoon Isaak offert?

„Ik kan niet vaak genoeg herhalen: dat is de God van de verhalenverteller. Je kunt ook zeggen: dat is de God zoals die aan Abraham in een visioen verschijnt. Maar ik geef toe: het is en blijft een vreemd verhaal. In mijn ’kinderbijbel’ Het land onder de regenboog laat ik een kind zeggen: ’Ik ben blij dat Isaak die droom niet gedroomd heeft’. Omdat hij anders gedroomd had dat zijn vader hem zou vermoorden. Stel je voor wat dat voor trauma zou hebben opgeleverd.”

En de God die geweld predikt tegen Amalek, hoe is die te rijmen met de God die liefde is, en van wie gezegd wordt dat er in Hem geen duisternis is?

„Opnieuw: dat is de God van de verhalenverteller. Eigenlijk zegt hij: Ik denk dat God wil dat wij de tirannie van Amalek (die staat in het Oude Testament voor Hitler, voor Stalin, voor Saddam Hoessein en noem al hun trawanten maar op) met wortel en tak (’vrouwen en kinderen’) uitroeien. Het gaat die oude verteller om ’godsdienstoorlogen’, om het eeuwige gevecht tussen goed en kwaad. (Je zou overigens wel wensen dat die oude vertellers voor hun profetische verkondiging een beeldspraak hadden gekozen die niet aan het militaire bedrijf ontleend is.)”

Paulus zegt dat zonder de opstanding van Jezus ons geloof en onze prediking zonder inhoud is. Maar, zo schrijft onder anderen Mieke Lensink, Ter Linden loochent de opstanding. Hoe kan dat? En hoe zit het volgens Ter Linden met ’het eeuwige leven’?

„Ten eerste: ik loochen de opstanding helemaal niet, maar ik geloof niet in de lichamelijke opstanding van Jezus. Als morgen het stoffelijk overschot van Jezus gevonden wordt, verandert dat niets aan mijn geloof. Ik zeg met Paulus: er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, er wordt een geestelijk lichaam opgewekt. (Paulus noemt ook nergens het lege graf.) Mijn geloof in de opstanding ontleen ik niet aan de lichamelijke opstanding van Jezus, maar aan het geloof van Israël. Ook Jezus putte uit dat geloof, en ik volg hem daarin.

Vriendschap met de Eeuwige is eeuwige vriendschap, heeft Kuitert gezegd, en ik vind dat mooi. Ik leef voor Gods aangezicht (dat vind ik een aardige definitie van geloven, al breng ik daar eerlijk gezegd niet veel van terecht), ik zal proberen voor Gods aangezicht te sterven en ik geloof niet dat als ik mijn ogen heb gesloten, God mij uit het oog verliest. We’ll see.

En ik fantaseer graag over de hemel. Daar weten we natuurlijk niets van af, maar mediteren over het hiernamaals levert in ieder geval vruchtbare gedachten voor het hiernumaals op. Zoals Gods wil in de hemel geschiedt, zo, als het even kan, ook op aarde.”

Zijn er, vraagt Ben Holtkap, bijbelfragmenten die wél letterlijk genomen moeten worden?

„Ja hoor, genoeg. Dat Jezus is geboren, bijvoorbeeld. Maar of hij in Betlehem is geboren, is al hoogst twijfelachtig. Maar let op: daar zit weer wél een ’historisch idee’ achter, want de evangelisten zien in Jezus de langverwachte ’zoon van David’, en dat geloof dragen ze dan uit door Jezus in de stad van David geboren te laten worden. Ze zuigen die verhalen dus niet uit hun duim, ze zuigen die verhalen uit het leven van Jezus. Lucas laat hem in een stal geboren worden, Matteüs gewoon thuis. Wie historiserend leest, kan deze twee ’biografische’ gegevens niet rijmen, maar de evangelisten laten hun twee verhalen rustig naast elkaar staan, want ze houden zich nu eenmaal niet met geschiedschrijving in onze zin bezig.”

Dan was er nog een briefschrijver die geen vraag stelde maar een heel exposé gaf waarom uw ideeën verwerpelijk zijn. Hij schreef: Ter Linden wil de Bijbel begrijpelijk maken voor de moderne lezer, hij is bang dat zijn lezers weglopen als hij het niet uitlegt.

„Ik kan niet anders dan hem gelijk geven. Maar ik ben zelf die moderne lezer, en ik loop zelf weg als ik moet geloven dat de geboorte uit een maagd mythologie is in Rome en Athene en gynaecologie in Betlehem. Heeft die vragensteller dan niet in de gaten dat hele volksstammen afhaken omdat ze van de bijbelse verhalen geen chocola meer kunnen maken?

En dan nog iets: laat niemand denken dat het privéketterijen van mij zijn, wat ik schrijf is volstrekt onorigineel, het wordt aan geen behoorlijke universiteit ter wereld anders gedoceerd. Het komt alleen bar slecht door op de kansels. Ik lees op dit moment de biografie over Conrad Busken Huet, die 150 jaar geleden leefde. De kerk zeurt al meer dan anderhalve eeuw over hoe letterlijk de Bijbel gelezen moet worden. Met fatale gevolgen.”

Tot slot een vraag waarvan ik een deel citeer omdat ze de kern raakt van het geloofsleven van de afgelopen 50 jaar. Simon Bakker schrijft: ’Ik ben oud-directeur van een school voor middelbaar onderwijs en gaf met liefde zelf de lessen Godsdienst. Ik ben belijdend lid van de Gereformeerde kerk PKN en trouw kerkbezoeker. Ik volg de schrijver Ter Linden al jaren en ben in het bezit van veel van zijn werk. Hij behoort, met Harry Kuitert en Den Heijer, tot diegenen die mij een andere kijk op de Bijbel mogelijk hebben gemaakt. Veel van wat ons geleerd is over de Bijbel en waar we mee worstelden, blijkt door hun werk niet onverteerbaar. Daar ben ik hen dankbaar voor. Tegelijkertijd kan ik na alles wat ik van hen gelezen heb, niet ontkomen aan een gevoel van leegte en verlies. Waar kan ik nog echt in geloven als zoveel oude waarheden niet meer gelden? Ik ben aan van alles gaan twijfelen, zelfs aan God. Soms kan ik zo verlangen naar dat kinderlijke geloof waarin God reëel en dichtbij was. Kan Nico ter Linden mij helpen een manier te vinden om de winst – want zo zie ik het – van zijn bijbelinterpretatie te behouden, maar ook mijn geloof in God? Waar kan ik nog wel in geloven?’

„Dit vind ik de mooiste vraag. Ik herken dat gevoel. Nooit kun je meer geloven zoals vroeger, God was vlakbij, je wist je geborgen. Toen ik kind was, was ik als een kind, maar ik heb dat kinderlijke afgelegd, het is niet anders. Herkenbaar heimwee, onherstelbaar gemis. Het enige wat ik ervan kan zeggen is dit: koester de herinnering en aanvaard dat je iets kostbaars hebt verloren, zoals je in je leven onontkoombaar zoveel kostbaars verliest. Koester ook wat je gebleven is, want dat is niet gering. En koester ook je winst, want alleen met die winst kun je je geloof geloofwaardig overdragen aan wie na ons komen.

Ik zal u een verhaal van mijn vader vertellen. Hij werd 95 jaar en dat vierden wij te onzen huize met een diner. Alle kleinkinderen mochten hem van tevoren schriftelijk een aantal vragen stellen. Aan tafel heeft hij die beantwoord. Vraag: ’Grootvader, wij weten dat u een gelovig man bent. Is dat geloof in de loop van uw lange leven veranderd?’

Antwoord: ’Vroeger geloofde ik alles. Nu geloof ik nog steeds alles. Maar alles anders’.’’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden