’Ík ga tenminste iets goeds doen!’

Ze wil iets nuttigs doen, in Afrika. Maar als de jonge Guusje eenmaal in Tanzania is, blijkt haar geld ingepikt. Ook zijn de beloofde weeskinderen helemaal geen wezen. Hilarisch beschrijft Renske de Greef de naïviteit van heel jonge idealisten.

Jann Ruyters

‘Als Renske de Greef zo over politiek zou gaan schrijven, als ze over seks schrijft, dan kunnen Heldring, Hofland en Blokker wel inpakken’, suggereerde Arnon Grunberg enkele jaren terug. De jonge schrijfster maakte furore met haar columns in het online jongerentijdschrift Spunk waarin ze met zelfspot en scherpte schreef over typisch eigentijdse beslommeringen als de eenzaamheid van de ’faghag’ (heterovrouw die graag vriendjes wil zijn met homomannen) en het verzet van de ’lingerie-atheïst’ (vrouw die niet in lingerie gelooft). Ze werd vergeleken met Bridget Jones en Carrie Bradshaw (’Sex and the city’) maar sloeg al gauw een eigen weg in met haar goed ontvangen, gevoeliger romandebuut ’Was alles maar konijnen’. Bij dat debuut werd ze in deze krant vergeleken met Arnon Grunberg. De Greef was soms wel wat flauwer dan die beroemde voorganger, maar toonde eenzelfde gevoel voor ironie en vervreemding.

Inmiddels is de 25-jarige De Greef aan haar vijfde boek en tweede roman toe en het lijkt erop dat ze de handschoen van Grunberg heeft opgepakt. ‘En je ziet nog eens wat’ gaat niet over seks maar over politiek, of tenminste, dat is de bedoeling in het begin.

Schoolverlaatster Guusje reist met vriendin Anouk af naar Tanzania om daar goed te gaan doen. Hun plan is niet de uitkomst van een doorleefd ideaal dat jarenlang warm is gehouden tijdens een voorspoedige middelbare schoolcarrière. Nee, Guusje wil naar Afrika om het nieuwe vriendje Willem van haar gehate zus Marte af te troeven. Deze rechtenstudent tergde haar tot het uiterste door met veel aplomb te beweren dat ontwikkelingshulp een illusie is. „Er wordt daar niets ontwikkeld.” Voor Guusje is daar maar een antwoord op. „Ik keek hem strak aan en zei met alle morele superioriteit die ik in me had: ’Ik ga proberen iets goeds te doen. En dat is meer dan jij kan zeggen.’”

Na deze hilarische openingsscènes die je regelmatig hardop doen grinniken belandt Guusje al op bladzijde 38 aan de keerzijde van de barmhartigheid. Thuis bleek al dat het bizar duur was om in Tanzania te gaan helpen, en eenmaal in het weeshuis aangekomen is de manager er met hun geld vandoor.

Het komt nooit meer helemaal goed met Guusje in Afrika. Ze betaalt te veel geld aan een taxi, de wezen blijken geen wezen, de enige vriend met wie ze een dag door de stad sjouwt wil achteraf betaald worden, en de prachtige Tanzaniaan met wie ze in bed belandt is getrouwd.

Guusje’s reeks aan cultuurschokken wordt door Renske de Greef vermakelijk en met veel vaart opgetekend. ‘En je ziet nog eens wat’ heeft een hoog ‘heb ík weer’ gehalte. „Het is als met duiven die op je hoofd poepen” meldt Guusje als ze ontdekt dat al hun geld weg is. „Je kunt er niets aan doen en toch voelt het alsof je het kosmisch hebt verdiend.”

Wel is de ironische De Greef meer op dreef als ze het over haar eigen wereld heeft, dan als het gaat over Afrika; ze is toch beter thuis in de seks dan in de politiek. Op den duur wordt het allemaal flauwer en voorspelbaarder. Deze roman geeft dan ook geen nieuwe draai aan de net weer door de Zambiaanse econome Dambisa Moyo aangejaagde discussie of ontwikkelingshulp wel goed is voor Afrika. Voor serieuze satire is het boek te licht.

Maar erg is dat niet. De Greefs zelfspot, haar scherpe blik op die wonderlijke combinatie van idealisme en narcisme, van zelfverzekerdheid en naïviteit die jongeren van nu eigen is, blijft bekoren. Me dunkt dat die blik onder Nederlandse schrijvers nieuw, fris en eigenzinnig genoeg is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden