Ik ga de dames ontbraven

Schreven Betje Wolff & Aagje Deken porno? Kees 't Hart dook in het leven van de braafste dames uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis. In zijn roman 'Ter navolging' mixt hij historische feiten met vuige leugens.

,,Ik vond het altijd enge trutten, maar dat is nu voorbij.'' Kees 't Hart (59) schreef een roman over Betje Wolff en Aagje Deken en hij is echt van ze gaan houden: ,,Ik heb veel gevoel voor ze gekregen, echt warm, sentimenteel gevoel. Wat een eigenwijze vrouwen, wat een leuke lui.''

Niet veel Nederlanders zullen op zo'n familiaire toon over de twee dames praten. Alleen al hun namen klinken versteend: Betje en Aagje, ze zijn muf en vermolmd en bijna vergeten. In de literatuurgeschiedenis zijn ze bijgezet als schrijfsters van de allereerste Nederlandstalige roman: 'De historie van mejuffrouw Sara Burgerhart' (1782). Ze schreven dus, ze woonden samen, ze waren privé misschien wel geestig en als schrijfsters heel begaafd. Maar van vlees en bloed? Nou nee.

De suggestie dat uitgerekend deze twee keurig nette mevrouwen porno hebben geschreven, is alleen daarom al hilarisch. Betje Wolff en Aagje Deken, de gouvernantes van de Nederlandse literatuur, ze zijn nu tweehonderd jaar dood en begraven (op de Haagse begraafplaats Ter navolging). Daar kan niemand zich ranzige taal en pompend vlees bij voorstellen.

Toch is dat wat hoofdpersoon Vincent Gorter ontdekt in 'Ter navolging', de nieuwe roman van Kees 't Hart: pornografische teksten van Betje Wolff en Aagje Deken. Gorter is een jonge, gestoorde, frauduleuze onderzoeker die zich heeft vastgebeten in het leven van de schrijfsters. Daarin vindt hij nog veel meer duistere zaken, waaronder drankzucht, nazaten, aardappelsmokkel en illegale loterijen.

De roman, die net als 'Sara Burgerhart' in briefvorm is geschreven, is een eerbetoon aan de schrijfsters, zegt 't Hart: ,,Ik schreef hem in hun vorm, ter navolging. Maar ik ga ze ook ontbraven.'' In een Amsterdams café legt hij uit waarom dat ontbraven noodzakelijk was: ,,Er bestaan vaste beelden, vaste vooroordelen, zo gaat dat met geschiedschrijving. Betje Wolff en Aagje Deken, de Verlichting, en dan zijn we uitgeluld. Die dames zijn allang onder het stof verdwenen. Maar daar leg ik me niet bij neer. Ik wil ze van een nieuwe geschiedenis voorzien, ik wil ze als reële mensen opnieuw in het licht zetten.''

Het is de kern van zijn schrijverschap, zegt 't Hart: zijn verzet tegen historische hokjes en vastgeroeste ideeën. Dat dreef hem bij het schrijven van 'De revue' (2000), zijn veelgeprezen roman over de wereld van Snip & Snap. En dat inspireerde hem ook bij 'Het mooiste leven' (2001), waarvoor hij een jaar lang voetbalclub S.C. Heerenveen volgde.

Biografieën, zogenaamde non-fictie boeken, ze dragen bij aan mummificatie, aan de fixatie van willekeurige beelden. Snip en Snap zijn zús, Betje en Aagje zijn zó. ,,En het is allemaal geklets'', vindt 't Hart, ,,Het zijn allemaal schandalige leugens. Daar moet ik als romanschrijver een tegenwicht tegen bieden.''

Zijn belangstelling voor Betje Wolff en Aagje Deken ontstond jaren geleden, toen hij de biografie van P.J. Buijnsters las. Daarin staat een brief op rijm van de dames, met een verslag van hun bezoek aan een mummiekelder in het Friese Wiewerd. Een van de heren uit hun gezelschap was baldadig genoeg om een arm van een mummie af te trekken. En de schrijfsters vonden het prachtig! 't Hart: ,,Ik vond dat wel fantastisch komisch, van die brave dames die aan lijkschennis deden. Maar ik dacht ook: misschien zijn ze helemaal niet zo braaf geweest.''

Die brief over die mummie is dus echt, vertelt 't Hart. En zo gaat het steeds: hij roept ,,Dat is natuurlijk nonsens!'', over de ene kolderieke onthulling over de dames. En ,,maar dat is echt!'', over de andere. In zijn roman rommelt 't Hart met valse en authentieke teksten, hij citeert uitgebreid uit al dan niet verzonnen archiefstukken, goochelt met namen, titels, argumenten, sms-jes en bewijzen. De lezer zoekt tevergeefs naar een verantwoording van geraadpleegde bronnen achterin het boek: ,,Daar had ik geen zin in. Mijn boek is een roman, geen historisch traktaat.''

'Ter navolging' is vooral bedoeld als een vrolijk boek over feiten en fictie, waarin 't Hart zoveel mogelijk verwarring zaait. Daarom ook gebruikt hij echte namen en geen speaking names als Sara Burgerhart of Willem Leevend. In zijn boek heet de biograaf van Betje Wolff en Aagje Deken gewoon Piet Buijnsters. En een van de professoren, afzender van vele gezellige e-mails, heet Frits van Oostrom. Ze roddelen en konkelen, zijn benauwd voor concurrentie, keuren de onmogelijkste onderzoeksvoorstellen goed om politieke redenen.

't Hart: ,,Het is gevoelsmatig, maar voor mijn spel met feit en niet-feit moet ik echte namen gebruiken. Toch zijn ze wel degelijk fictionele figuren, ik gebruik ze als pionnen in een 'Onder Professoren'-toestand. Van Frits van Oostrom maak ik een roddeltante, maar daar moet toch iedereen om lachen?''

Als oud-docent aan de Openbare Universiteit kent 't Hart het academisch milieu heel goed. Dat wilde hij op de hak nemen: ,,Het vliegengevang, het sluiten van deals. Vaak presenteren ze zich als uitermate rationele personen die wetenschappelijk verantwoorde beslissingen nemen. Maar als het erop aankomt, dan reageren ze als iedereen. Dan zijn ze kleine dealers en schurken.''

De eerste versie van zijn roman schreef 't Hart in Trévoux, een klein plaatsje op 18 kilometer van Lyon. Hier woonden Betje Wolff en Aagje Deken van 1787 tot 1796. Over deze periode in hun leven is nauwelijks iets bekend: uit die negen jaar zijn slechts twee brieven bewaard gebleven. Het was een heftige, ontwrichtende tijd, de Franse Revolutie voltrok zich bepaald niet zachtzinnig. Zo'n beetje bij de schrijfsters om de hoek werden 4000 mensen naar de guillotine gevoerd, in het kader van revolutionaire zuiveringen.

't Hart dook in de plaatselijke archieven en werkte aan de context van hun verblijf in Trévoux: ,,Mijn hypothese is dat ze daar onder barre omstandigheden geleefd hebben. Samenwonende, buitenlandse, protestante vrouwen in een volstrekt katholieke, nationalistische omgeving. De Fransen moeten de dames met argwaan hebben bekeken.'' En in deze tijd raakten de schrijfsters ook nog aan de bedelstaf, omdat hun zaakwaarnemer in Nederland er met hun fortuin vandoor ging.

Tijdens zijn zoektocht naar 'context' stuitte 't Hart ook op achttiende-eeuwse pornografie: vunzige teksten en afbeeldingen waarin bekende figuren als Marie-Antoinette figureerden. 't Hart: ,,Pornografie speelde een belangrijke rol in het politieke debat rond de Franse Revolutie. Het was toen een redelijk geaccepteerd middel om politiek te bedrijven.'' Het waren groteske, gore boekjes, vaak geschreven door revolutionairen om de positie van hun tegenstanders te ondermijnen. Vincent Gorters ontdekking dat ook de patriottische dames Wolff en Deken pornografie schreven, ligt bijna voor de hand, zegt 't Hart: ,,Bedenk wel: de schrijfsters waren uiterst radicale politici, ultralinks.''

In één mogelijk minder brave kant van Betje Wolff en Aagje Deken verdiepte 't Hart zich overigens niet. In 'Ter navolging' staan geen gevoelige lesbische scènes, niets dat wijst op vleselijk verkeer tussen de schrijfsters. Over een liefdesrelatie tussen de schrijfsters, die gingen samenwonen na de dood van Betjes echtgenoot, is al veel gespeculeerd. En dus deed hij dat juist niet, zegt 't Hart: ,,Dan zou ik een slechte schrijver zijn, als ik zou toegeven aan vooroordelen over die twee dames.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden