Ik en de schop zijn een kunstrijpaar

Een Russisch werkkamp, jaren vijftig. Oskar Pastior én Herta Mÿllers moeder zaten in zo'n kamp. (FOTO BETTELMANN, CORBIS ) Beeld
Een Russisch werkkamp, jaren vijftig. Oskar Pastior én Herta Mÿllers moeder zaten in zo'n kamp. (FOTO BETTELMANN, CORBIS )

Komende donderdag krijgt Herta Müller in Stockholm de Nobelprijs voor literatuur uitgereikt. Haar nieuwste roman, ’Ademschommel’, maakt duidelijk waarom. Maar het verhaal over een Russisch dwangarbeiderskamp is niet alléén van Müller. Antoine Verbij stelt de verborgen co-auteur voor.

Misschien hadden er dan toch twee namen op het omslag van ’Ademschommel’ moeten staan. Niet alleen die van Herta Müller maar ook die van Oskar Pastior. Het is immers grotendeels zíjn verhaal dat in de roman wordt verteld. Müller heeft het uit zíjn mond opgetekend. En niet alleen het verhaal, ook de taal van ’Ademschommel’ draagt Pastiors stempel. Woorden als ’harteschop’, ’veloverbeentijd’, ’daglichtvergiftiging’ zijn onmiskenbaar des dichters.

De dichter Oskar Pastior groeide op in Hermannstadt in Roemenië. In de oorlog was Roemenië een tijdlang bondgenoot van Hitler-Duitsland. Pas op het laatst keerde het land zich tegen de nazi’s. Als straf voor de collaboratie deporteerde het zegevierende Rode Leger alle Roemenen van Duitse komaf in de leeftijd van 17 tot 45 jaar. Ze werden als dwangarbeiders ingeschakeld bij de wederopbouw van wat Hitlers troepen in de Sovjetunie hadden vernietigd.

Pastior was in 1945 zeventien jaar. Vijf jaar lang verbleef hij in een werkkamp in Oekraïne. Hij werkte onder erbarmelijke omstandigheden in een verrotte steenkolenfabriek. Vijf jaar lang leefde Pastior samen met wat hij zijn ’hongerengel’ noemde, een soort engelbewaarder, maar dan niet een die beschermt, maar een die onophoudelijk tart en kwelt, en het hele leven beheerst. „Hij hangt als kwikzilver in al mijn haarvaten.”

Op de deportatie van de Roemeense Duitsers rust nog altijd een taboe. Het is een pijnlijke episode omdat alleen de Duitsers werden gestraft voor de collaboratie, terwijl de Roemenen er een even groot aandeel in hadden. Ook Herta Müllers moeder behoorde tot de gedeporteerden. Maar die sprak er nooit over. Ook niet toen haar inmiddels naar Berlijn geëmigreerde dochter besloot een boek over de deportaties te schrijven.

Müller probeerde erover te praten met de mensen in het Roemeense dorp waar ze opgroeide. „Maar ze hadden geen taal voor hun gevoelens,” vertelt Müller in een interview. „Er kwamen alleen maar clichés uit: wat hebben we geleden...! Clichés waar ik niets mee kon.”

Toen ontmoette ze Oskar Pastior, die net als zij naar Berlijn was geëmigreerd. Ze raakten bevriend, ze reisden samen naar Oekraïne, ze besloten samen het boek te schrijven.

Pastior vertelde haar over de taal als toevluchtsoord. Hij verzon aangename woorden voor alles wat het kampleven tot een hel maakte. Voor het schaarse, slechte eten, voor de kolen, de slakken en het cement, voor de chemische substanties. „Ik praatte mezelf geurwegen aan en bedacht voor elke route op het terrein een verleiding: naftaline, schoensmeer, meubelwas, chrysanten, glycerinezeep, kamfer, sparrenhars, aluin, citroenbloesem.”

Dat schrijft Müller in ’Ademschommel’ plaatsvervangend voor Pastior. Want de dichter overleed in 2006. Ze waren nog niet aan het schrijven toegekomen. Een jaar lang heeft Müller toen niet meer aan het project kunnen werken. Daarna pakte ze de draad weer op en maakte ze er haar eigen project van, haar eigen roman, met haar eigen hoofdpersoon, Leopold Auberg, drager van de biografie én de taal van Oskar Pastior.

’Ademschommel’ is een roman geworden die je de adem beneemt. In eenvoudige, directe bewoordingen, zonder affecten en effecten, beschrijft Müller het leven in het kamp. De barakken, de medebewoners, de kampleiders, de doden, de broodhandel, de kleding, de bedeltochten, de prostitutie, de ploegendienst. Zie bijvoorbeeld hoe Leopold de dodelijk zware dwangarbeid uit overlevingsdrift tot kunst verheft:

„Steenkool uitladen, dat is een uiterst voorname sport, bijna nog meer dan paardrijden, dan schoonspringen, dan het elegante tennis. Het is als kunstrijden op de schaats. Ik en de schop zijn een kunstrijpaar zou je kunnen zeggen. Wie eenmaal zijn harteschop heeft gehad, die wordt erdoor meegesleept.”

Die haast liefdevolle, milde toon waarop Müller de grootste verschrikkingen vertelt, maakt van ’Ademschommel’ een verpletterende roman. En die toon stamt onmiskenbaar van Pastior.

Vergelijk die toon maar eens met die van Müllers opnieuw uitgebrachte novelle ’Vandaag was ik mezelf liever niet tegengekomen’. De overpeinzingen van een vrouw die op weg is naar een verhoor door de geheime dienst, zitten vol cynisme, haat, botheid en bitterheid.

Nee, dan de voorzichtige, onderzoekende toon van ’Ademschommel’. Als Leopold weer terug is in Hermannstadt, probeert hij zijn emoties over het kamp in taal te vatten:

„Kijk hem eens huilen, die heeft het te kwaad. / Over die zin heb ik vaak nagedacht. Toen heb ik hem op een lege bladzijde geschreven. De volgende dag doorgestreept. De dag erna weer eronder geschreven. Weer doorgestreept, weer opgeschreven. Toen het blad vol was heb ik het eruit gescheurd. Dat is herinnering.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden